Geheugen van de VU cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Geheugen van de VU te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Geheugen van de VU.

Bekijk het origineel

Ad Valvas 1991-1992 - pagina 567

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Ad Valvas 1991-1992 - pagina 567

11 minuten leestijd

AD VALVAS 1 JUNI 1992 I

PAGINA 9

Het universiteitsbestuur wil dat het gesprek tijdens de sollicitatie over de instemming met de doelstelling van de VU anders gaat verlopen. In de toekomst moet de sollicitant duidelijk maken wat die doelstelling voor hem in zijn werk daadwerkelijk betekent. Om de discussie over dit voorstel met de beide benen op de grond te zetten legde Ad Valvas aan acht personen de volgende kwestie voor: 'U solliciteert aan de VU en men vraagt u op welke wijze u in uw werk invulling gaat geven aan uw (christelijke) levensovertuiging. Wat zou uw antwoord dan zijn?' De eerste drie antwoorden op deze pagina. Illustratie Aad Meijer

Geloof en wetenschap zijn kennen, vertrouwen en dienen G.W. Noomen

I

ndien tijdens het desbetreffende on­ derdeel van het solHcitatiegesprek de vraag zou worden gesteld Op welke wijze gaat u in uw werk aan de VU in vul­ ling geven aan uw (christelijke) leven sover­ tuiging zou bij mij een lichte verwarring ontstaan. "U vraagt mij aan te geven hoe ik in mijn werk mijn geloof ga in­ vullen?" Ik zie de voor het doelstellings­ gesprek verantwoordelijke hoogleraar denken dat dit de bedoeling niet kan zijn en hij zegt "Keert u de volgorde ' maar om". De verwarring voorbij geef ik het vol­ gende antwoord. De zojuist opgeloste onduidelijkheid verbaast me niet. Ik zal u zeggen waarom. Ter voorbereiding op dit gesprek heb ik gebruik gemaakt van de volgende stukken ­ waarvan ik hoop dat u ze ook kent, want dat vergemak­ kelijkt de discussie en voorkomt een si­ tuatie waarin u meer van mij leert dan ik van u en van uw organisatie; ik ken mijn plaats. Het gaat om de volgende publicaties: 1. Rapport van de Grondslagcommissie van de subfaculteit sociaal­culturele wetenschappen, 1969; 2. Nota Werkgroep Doelstelling vu over

aanstellingen en benoemingen, 1976; 3. Congresmap Bezinningsdag Doelstel­ ling vu, organisatie subfaculteit sociaal­ culturele wetenschappen, 28 april 1976; 4. prof.dr. T.P. van der Kooy, De We­ tenschap der Economie en de Doelstel­ ling der Universiteit, Discussienota On­ derzoek, nr. 1978­8; 5. De Vrije Universiteit en de werk­, groep Doelstelling, 1979 6. Verslag studiedag vu tussen twee vu­ ren, 4 juni 1980; 7. J.P. Verhoogt, De doelstelling van de Vrije Universiteit: stromen van instem­ ming, 1981; 8. G.J. Peelen, De Vrije Universiteit: Gewoon bijzonder, 1988; 9. De Vrije Universiteit als bijzondere instelling, college van bestuur, 1991. Met gemengde gevoelens heb ik van deze publicaties kennis genomen. Ener­ zijds was ik erdoor geboeid. Ik noem u enkele passages die mijn aandacht trok­ ken. "M en moet zich goed realiseren dat de vu als zij haar opdracht serieus opvat, het normale patroon doorbreekt en meer moet zijn dan een centrum van wetenschap. Want de vragen die aan de orde zijn, zijn niet te beantwoorden bin­ nen de bekende wetenschappelijke ka­

Geen afgeronde en vaststaande ideeën G. Dekker

I

ijn mogelijke antwoord op de vraag zou het volgende zijn. Daarmee vraagt u nogal wat; misschien zelfs wel teveel. Ik heb gesol­ liciteerd naar een positie aan de Vrije Universiteit en ik weet dat dat een uni­ versiteit is, die niet alleen vroeger van­ uit een bepaalde levensbeschouwing is opgericht, maar die ook thans nog als uitgangspunt heeft dat er een bepaalde relatie is tussen levensbeschouwing of geloof enerzijds en wetenschap of de wijze waarop wetenschap wordt beoe­ fend anderzijds. Het ligt dus voor de hand dat ik bereid ben binnen die uni­ versiteit na te denken over de relatie tussen levensbeschouwing en weten­ schap. Het wordt moeilijker als we proberen die relatie nader te omschrijven. U kunt niet van mij verwachten dat ik daar af­ geronde en vaststaande ideeën over heb. Vroeger had ik die misschien wel, zoals u als universiteit ze waarschijnlijk ook had. M aar dat is thans niet meer het geval. Er is immers op godsdienstig of levensbeschouwelijk gebied in de loop van de tijd een enorme pluraliteit ontstaan, terwijl er tevens binnen de meeste disciplines ­ en ook binnen mijn vak, de sociologie ­ verschillende stro­ mingen zijn ontstaan, waarbij aan le­ vensbeschouwing of waarden een zeer verschillende plaats wordt toegekend.

Dat betekent dat er geen sprake meer is en kan zijn van een bepaalde, door de meeste wetenschappers aanvaarde, rela­ tie tussen wetenschap en waarden. Als u mij dus vraagt welke rol mijn le­ vensovertuiging speelt in mijn weten­ schappelijk werk of welke bijdrage die overtuiging aan dat werk kan leveren, dan kan ik u daar geen exact antwoord op geven. M ijn geloof speelt zeker een rol in de motivering van of achter mijn werk, maar het lijkt mij dat het de Vrije Universiteit daar niet om gaat. Dat ver­ andert namelijk de wijze waarop ik we­ tenschap bedrijf en met name het resul­ taat van mijn wetenschappelijk werk nog niet. Neen, het gaat om een inhou­ delijke relatie. Ik erken dat die er is, maar hoe die er concreet uitziet? Daar­ over hoop ik nu juist binnen de Vrije Universiteit een beetje wijzer te worden. Ik erken dus dat er een relatie tussen le­ vensovertuiging en wetenschap is en ik ben bereid die relatie serieus te nemen en nader te onderzoeken. M aar hoe dat uitwerkt weet ik niet en ik denk eerlijk gezegd dat u van mij ook niet kunt ver­ langen dat aan te geven, want ik heb het idee dat u zelf ook niet precies weet hoe die relatie is. Daarom zei ik u dat u mij misschien wel teveel vraagt. Prof. dr. G. Dekker doceert sociologie van kerk en godsdienst en in leidin g in de alge­ mene sociologie aan de faculteit der godge­ leerdheid.

ders." (stuk 5, p.3). Deze opmerking wordt gemaakt tegen de achtergrond van de uitspraak "De universiteit mag zich niet beperken tot de vraag hoe din­ gen in elkaar zitten en hoe het allemaal werkt. Dat is ook nodig, maar boven alles gaat de vraag uit hoe het behoort te zijn of als dat wel genoemd wordt de vraag van een normatieve anthropolo­ gie. En deze laatste vraag is vanuit een beperkte, neutrale, geïnstrumentaliseer­ de wetenschap niet te beantwoorden. Daarvoor is een visie nodig op mens en wereld." Dat betekent dat er, wat mij betreft, nog steeds reden is alert te zijn op en zich te verzetten tegen de 'van­ zelfsprekende autonomie van het weten­ schappelijk kennen'. Misschien mag ik mijn opvatting zo ver­ duidelijken: geloof en wetenschap ver­ houden zich tot elkaar als een zeker weten, respectievelijk vast vertrouwen en onvolledig kennen. Er is verschil, maar als de doelstelling van de vu een vertaling beoogt te betekenen van het dubbele liefdegebod, dan zijn er drie functies te onderscheiden, te weten ken­ nen, vertrouwen en dienen (stuk 4, p.5) die zowel gelden voor de verticale als voor de horizontale dimensie van de doelstelling. Zij gelden, hoe dikwijls ik

me ook schuldig maak aan het tegen­ deel. Evenzeer werd ik aangesproken door Van der Zouwens verwijzing naar Verkuyls uitleg ­ en de betekenis daar­ van voor de wetenschapsbeoefening ­ van "Gij zult geen vals getuigenis afleg­ gen" (stuk 3, p . l 9 ) , alsmede door de 13 punten van G. Kuypers' "De doelstel­ ling der Vrije Universiteit: wat zegt zij voor mijn werk" (stuk 3, p. 20­22). Zij behouden hun waarde, zoals u zich kunt voorstellen.

Vervolg gesprek Enerzijds geboeid dus, maar anderzijds met gemengde gevoelens. Na lezing van de genoemde stukken en na kennisna­ me van de discussie over de plaats van het doelstellingsgesprek in de sollicita­ tieprocedure, ben ik niet helemaal ge­ rust op wat professor Tennekes in Ad Valvas van afgelopen 9 april aanduidde als (het verschil tussen) de input­ en de outputzijde van de instemmingsproce­ dure. M et andere woorden, welk ver­ volg mag ik binnen uw organisatie ­ an­ ders dan in het kader van wijsgerige vorming en van het Bezinningscentrum ­ verwachten op dit gesprek? Ik heb daar, gegeven de jarenlange discussie en het grote aantal vrijheidsgraden waar­

door deze zich kenmerkt, zo mijn twij­ fels over. Eerst het geloof en dan de be­ tekenis voor het werk of eerst "dit be­ ogen wij vanuit onze doelstelling en wat mogen wij van verwachten?" Heeft u(w organisatie) een verhaal over "méér dan het gewone" en hoe luidt dat verhaal of gaat het meer om een reader die telken­ male wordt geactualiseerd? Wat daarvan ook zij, ik ben graag bereid te werken aan een instelling die ervan uitgaat dat God niet kan worden ge­ diend zonder de wereld te dienen en dat de wereld niet kan worden gediend zon­ der God te dienen. Voor mij betekent dat een deemoedige instelling in de let­ terlijke betekenis van het woord: ge­ zindheid om te dienen. Naar vermogen, dat wil zeggen, naar beste weten, ken­ nen en kunnen. Vanuit een "...verbon­ denheid, die ik in wezen niet wilde, om een ontmoeting die mij tot rigoreuze zelfidentificatie dwong, die mij totaal ontmaskerde en mijn schone doelstel­ lingen aan de kaak stelde als zelfzuchtig, die mij bekeert, omkeert." (Sanders in stuk 6, p. 63). Prof. dr. G. W. Noomen is hoogleraar in de communicatiewetenschappen en conrector van het college van decan en .

De levensovertuiging zit in de bijzinnen van de communicatie D. van Halsema p welke wijze gaat u in uw |werk aan de v u invulling geven aan uw (christelijke) levensovertuiging?" Dat wordt aan de sollicitant gevraagd die ik voor deze gelegenheid moet acteren. H e t is een vraag die, naar ik vermoed, in een ge­ sprek met onbekenden die ook nog eens een mooie baan te vergeven h e b ­ ben, voor mij zo goed als onbeant­ woordbaar zou zijn. In de eerste plaats zou ik er al moeite mee hebben om het voor mijzelf be­ trekkelijk ondoorzichtige geheel van beredeneerde en onberedeneerde stel­ ligheden, werkzame en onwerkzame inzichten en verlegenheden, blinde plekken, plaatselijke verhelderingen en emotionerende voorstellingen en woordverbanden — ik zou er al moei­ te mee hebben om in deze vertrouwde verwarring die mij dagelijks begeleidt, leidt en volgt, zoiets welgevormds te zien als 'mijn levensovertuiging'. D a t zou des te meer het geval zijn als mijn 'christelijke levensovertuiging' in het geding is, ondanks het soft focus­effect van de door u toegevoegde haakjes. Ik weet dat veel in het hierboven aange­ duide complex, dat de plaats bezet vanwaaraf eigenlijk 'mijn levensover­ tuiging' haar verhelderende instructies zou moeten geven, direct of op af­ stand verbonden is met de christelijke

U

Oi

geloofswereld waarbinnen ik ben op­ gevoed. Ik ervaar dat positief, d.w.z. niet als iets dat eigenlijk niet zo zou moeten zijn, ontleen er vermoedelijk ook mijn meest vitale beslissingen aan (en, nu het toch om de v u gaat, ook een zekere voorkeur voor werken aan de v u , want het inzicht in de beper­ kingen en ijdelheden van het intellect zou daar gegarandeerd moeten zijn), maar acht mij niet in het beiit van een 'christelijke levensovertuiging' in de meer strikte zin. Een postmoderne va­ riant misschien, maar daar is geen kunst aan, zo kan ik het ook.

Stilvallen Ik mag mij graag indenken hoe ik mij wel tot het christelijk geloof zou moe­ ten bekennen op het m o m e n t dat deze godsdienst verboden zou worden. M a a r dat is wel een paardemiddel na­ tuurlijk, en als situatie staat het lijn­ recht tegenover die waarin ik, als solli­ citant, voor een welwillende selectie­ commissie verschijn die mij graag iets wil horen zeggen over wat ik mij zoal voorneem te gaan doen als ik in mijn werk aan de v u mijn "(christelijke) le­ vensovertuiging" ga invullen. Ik zou vermoedelijk volkomen stilvallen en alle met mijn 'levensovertuiging' te verbinden mededelingen inzake mijn aanstaand onderwijs en onderzoek die in mij zouden kunnen opkomen, als banaliteiten of grootspraak de m o n d

snoeren voordat ze gezegd zouden zijn. Projectgericht overtuigd zijn kan I ik op dit meta­niveau niet, vermoed ik. Ik kan mij voornemen o m de werk­ groepen groter te maken, of juist klei­ ner, en daarvan vast van te voren ge­ tuigen voor de commissie. Ik kan ook aankondigen meer poëzie te willen gaan doen, of juist meer proza, of dat de beuk erin moet. Ik kan zelfs aan­ kondigen heel veel religieuze poëzie in het studieprogramma te doen. M a a r dat is geen antwoord op de vraag. Het werkelijke discours waarin iets als een 'invulling' van de levensovertuiging van de v u ­ d o c e n t e n zichtbaar wordt, wordt naar mijn ervanng gevoerd op de m o m e n t e n waarop het niet gezocht wordt. H e t wordt gevoerd in de bijzin­ nen van de communicatie tussen d o ­ centen en studenten en tussen docen­ ten onderling, niet in de welgeplande hoofdzinnen. Het wordt gevoerd omdat de situatie soms vraagt om ver­ heldering en uitwisseling van wat ons drijft. En niet omdat iemand iets wou invullen. Prof.dr. J.D.F, van Halsema is hoogle­ raar m de n ieuwe Nederlan dse letterkun ­ de.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van maandag 19 augustus 1991

Ad Valvas | 614 Pagina's

Ad Valvas 1991-1992 - pagina 567

Bekijk de hele uitgave van maandag 19 augustus 1991

Ad Valvas | 614 Pagina's