Ad Valvas 1991-1992 - pagina 268
AD VALVAS
PAGINA 8
D e m a n n e n v a n Vian dier 7 u f a n m^^^
IIICIIIII^II
w CIII
w mi
%i^l
ÊÊmWWCllI
en ae Desiuursorganisaiie De demoer^t^^Hng van de universiteiten was ruim twintig |aar ^«^<ièri een mooi ideaal^ maar in dë l#!(iÈ|lllf' 1 werden er volgens velen iioe lang lic e plekken zichtbaar; Iï i opknapbeurt moet de wniversiteiter dl stellen om zelf wat tè gaaii » bestuursorganisatie. Var ^rïoe wat charters ontworpeii, ' 3m daarbij behulpzai dat de universitef '-nff van weleer ^hterhaa^
iwen in een goede afloop d estuurskun ige brtï '^«^t In het kabinet ':,,r:-:.i:i<.:-> ..j^vV;
De wenselijkheid van charters Margriet van Lith Een charter is een goede vorm om universiteiten vrijheid te geven hun eigen bestuursvorm te kiezen. Het college van bestuur moet zo'n char ter ontwerpen en zich vervolgens verzekeren van 'voldoende draag vlak' voor het idee binnen de uni versiteit. Daarna beslist de minister erover, op advies van een externe commissie. Belangrijke voorwaarde is in elk geval, dat de facultaire or ganisatie in stand blijft, want die staat garant voor de 'vrijh^ eid van wetenschap'. De kwaliteit van het bestuur moet bewaakt worden door periodieke management audits'. Tot die conclusies is de Tijdelijke Ad viescommissie Bestuursorganisatie ge komen, kortweg de commissieVan der Zwan. Van der Zwan noemt de charters 'het sjfmbool van de vertrouwensrelatie tussen universiteiten en staat'. De over heid laat zien dat ze het de universitei ten toevertrouwt een eigen bestuurs vorm te kiezen, en deze zijn op hun beurt bereid daarover verantwoording af te leggen. Elke universiteit kan er zelf voor kiezen een charter te ontwerpen en in de wet hoeft alleen te worden vastgelegd hoe zo'n plan tot stand komt
en op kwaliteit getoetst wordt. Over de hoofdlijnen van dit advies, vooral over de wenselijkheid van char ters, waren universiteiten en minister het eigenlijk al eens. Alleen de suggestie van de minister om het ftmctioneren van het bestuur zo nu en dan te laten beoordelen in 'management audits' (een soort visitatiecommissies voor be stuur) hebben de universiteiten afgewe zen. Hierin vindt de minister Van der Zwan nu aan zijn zijde. Onduidelijk punt was verder nog of de universiteits raad zijn goedkeuring moet hechten aan de voorstelde charter.
Draagvlak Daarvoor heeft de commissie als oplos sing gekozen dat het plan 'voldoende draagvlak moet hebben binnen de uni versiteit'. Met andere woorden: als de universiteitsraad het er niet mee eens is, maar alle faculteitsraden wel, dan zou de minister kunnen besluiten dat dat wel voldoende draagvlak is. Veel waar de hecht de commissie aan de vrijheid van wetenschap, die volgens haar gega randeerd wordt door de structuur van faculteiten en vakgroepen. Hoeveel 'macht' die faculteiten dan moeten hebben, ofwel hoe decentraal het be stuur moet zijn, is een zaak van de uni versiteit zelf Maar de wetenschappers moeten in elk geval een belangrijke plaats in het bestuur innemen. Daarom
is de commissie bijvoorbeeld ook geen voorstander van de benoeming van pro fessionele managers van buiten de uni versiteit. Belangrijkste aspect van de invoering van charters vindt de commissie de toetsing. Een 'zware autorisatieproce dure' is nodig, vooral in de beginperio de. Eerst moet binnen de universiteit gekeken worden of er wel voldoende draagvlak is voor het plan; daartoe moet het college van bestuur het ont werp voorleggen aan de faculteitsraden en de universiteitsraad. Dan stuurt het college het plan naar de minister, samen met een motivatie en een be schrijving van hoe het tot stand is geko men. De minister roept dan de hulp in van een externe toetsingscommissie, die kijkt of de voorgestelde charter past binnen de wet en voldoet aan eisen van redelijkheid en doelmatigheid. Aan de beschrijving van die toetsingsprocedure hecht de commissieVan der Zwan meer waarde dan aan voorbeeldchar ters. De commissie geeft wel twee voor beelden, maar die moeten universitei ten vooral niet precies zo overnemen. Uitgangspunt is immers dat elke imi versiteit de bestuursvorm moet kiezen die het meest bij haar past en dan heeft het voor een externe commissie geen enkele zin een ideaalbeeld van een charter te ontwerpen. De commissie beperkt zich daarom tot 'gevoeligheids
analyses'. Ze beschrijft een centraal en een decentraal bestuursmodel en kijkt waar die voorbeelden kunnen stuiten op de grenzen van de bestaande wet. Wie bijvoorbeeld een decentraal model wil, stuit op problemen bij de verhou ding tussen faculteiten en universiteits raad (zoals over de vraag wie de begro ting vaststelt) en op de scheiding tussen bestuur en beheer bij de faculteiten. In een sterk centraal model moet volgens de commissie het college van bestuur meer macht krijgen dan volgens de hui dige wet kan en moet de universiteits raad 'getrapt' gekozen worden vanuit de faculteitsraden.
Initiatief Opvallend vond de commissie dat de praktijk van het universitair bestuur nogal uiteenloopt. De wet legt tamelijk strak op hoe een universiteit bestuurd moet worden, maar in de praktijk blijkt de ene universiteit daar toch anders vorm aan te geven dan de andere. De commissieVan der Zwan heeft het CSHOB (Centrum voor Studies van het Hoger Onderwijs Beleid) een onder zoekje laten doen bij drie universiteiten (van Twente, Limburg en Utrecht) en dan blijkt dat Limburg aanzienlijk cen traler bestuurd wordt dan Twente. De verschillen vallen vooral op bij de vraag wie het initiatief neemt bij belangrijke kwesties, zoals opstelling van het ont
wikkelingsplan en de begroting. Bij een decentrale organisatie ligt het initiatief altijd bij de faculteiten, bij centrale bij het college. Het beperkte onderzoek van het CSHOB maakt in elk geval nieuwsgierig naar hoe het bij de andere universiteiten in de dagelijkse praktijk werkelijk toegaat. De conclusies van de commissieVan der Zwan, waarin verder collegevoorzit ter Brinkman van de vu en president directeur Snijders van het ABP zitting hadden, zijn niet verrassend. Na twee 'najaarsconferenties' die minister Büt zen vorig jaar over het onderwerp had georganiseerd, waren de standpunten duidelijk genoeg. Een nieuwe wet vindt niemand nodig; in lijn met de grotere autonomie moeten de universiteiten de gelegenheid krijgen zelf te kiezen voor een afwijkende bestuursvorm. Minister Ritzen wees er tijdens de pers conferentie nog eens op, dat elke angst voor 'afbraak van de democratie' onte recht is geweest. De democratische be sluitvorming, een Verworvenheid van het universitaire bestuur', is in elk geval een voorwaarde waaraan de charters moeten voldoen. De discussie over de charters moet nu gevoerd worden, aldus Ritzen, en hij kondigde aan dat hij daar ruim de tijd voor wilde geven. De charters worden pas later aan de nieuwe hoger onderwijswet toegevoegd.
De historie van de WUB
•''^'^^^..:,^fr,M
Democratisering was twintig jaar geleden hét onderwerp
Foto Gert J. Peelen
One man, one vote, dat was ruim twintig jaar geleden dè democratiseringseis die veel studenten en wat minder stafleden stelden. Zij stonden toen aan het begin van een betrekkelijk lange periode die gekenmerkt werd door bezettingen en acties. Al hoewel toenmalig minister Veringa vrij snel met een wet kwam, die later grote faam zou verwerven als .Wet Universitaire Bestuursstructuur (WUB), lukte het hem niet hiermee de onrust aan de universiteiten in te dammen. Naar het model van de gemeenteraden werd over de universiteiten een netwerk van raden (universiteitsraad en faculteitsraden) gespannen. In essentie bestaan die raden nog steeds en tot op de dag van vandaag wordt de vraag opgeworpen of dit wel een doelmatige wijze van besturen is. Twee keer heeft een wetswijziging de be voegdheden van de raden verminderd, waardoor de macht wat verschoof van de raad naar het bestuur. Af en toe worden nog steeds geluiden gehoord om de ra denstructuur maar helemaal af te schaffen. Zo verscheen er vijfjaar geleden het boekje Naar een ondernemende universiteit, waarvan Ritzen en Van der Zwan de medeauteurs waren. Zij stelden voor de uni versiteitsraad af te schaffen en te vervangen door een ondernemingsraad. De argwaan was dan ook groot toen de inmiddels minister geworden Ritzen aan Arie van de Zwan vroeg om twee besloten conferenties voor te zitten, waar een se lect gezelschap zich zou buigen over de toekomst van de bestuursorganisatie van de universiteiten. Die conferenties werden in oktober en november 1990 gehou den. Ondanks alle argwaan vielen de conclusies, die door Van der Zwan persoon lijk werden geformuleerd, enorm mee. Er werd geen pleidooi gehouden voor het afschaffen van de raden en er werd ook niet aanbevolen om eens flink de bezem door de democratisering te halen. Wel stelde Van der Zwan voor om de universi teiten de kans te geven een eigen bestuursorganisatie te ontwerpen. Maar wildgroei diende voorkomen te worden. Daarom zou een commissie wat voorbeelden moeten maken van mogelijke be stuursorganisaties. En die zelfde Van der Zwan werd voorzitter van die commissie. In plaats van duidelijke voorbeelden hoe een nieuwe bestuursorganisatie eruit kan zien, geeft het driemanschap Van der Zwan in het medio december 1991 versche nen rapport Zelfstandig besturen heel wat abstract bestuurlijke beschouwingen ten beste. Eén conclusie kan inmiddels na ruim twintig jaar wel getrokken worden: de dis cussie over de universitaire democratisering is nog lang niet ten einde. Maar om er aan deel te nemen moet je er wel voor doorgeleerd hebben. (TdG)
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van maandag 19 augustus 1991
Ad Valvas | 614 Pagina's