Geheugen van de VU cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Geheugen van de VU te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Geheugen van de VU.

Bekijk het origineel

Ad Valvas 1993-1994 - pagina 276

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Ad Valvas 1993-1994 - pagina 276

11 minuten leestijd

PAGINA 8

Hoe democratisch is de universiteitsraad? Een nieuwe onderwijswet, de zogenaamde WHW, biedt h et college van bestuur (het dagelijks bestuur van de universiteit) de mogelijkheid om de samenstelling van de universiteitsraad te wijzigen. Deniz Koker, lid van de Progressieve Kiesvereniging (PKV), waarschuwde enkele weken geleden in Ad Valvas dat dit tot een inperking van de bevoegdheden van de raad kan leiden. Collegelid mr J. Donner bleek andere plannen te h ebben: de Verenigingsfractie kan weg uit de universiteitsraad en het aantal wetenschappers in de raad mag groter. Deze week reageren raadsleden en de studentenvakbond SRVU op alle commotie.

'Geen serieuze gesprekspartner van het college' Dominique Bakker Het zijn roerige tijden voor universitair Nederland. D e veranderingen in het onderwijsbestel volgen elkaar in hoog tempo op en laten ook de vu niet onbe­ roerd. M e t name de nieuwe onderwijs­ wet, WHW, heeft de laatste tijd op­ schudding veroorzaakt. Deze wet biedt het college van bestuur de mogelijkheid om de bestuursverhoudingen op cen­ traal niveau binnen de universiteit te wijzigen. Binnen de universiteitsraad bestaat de vrees dat de colleges steeds meer be­ voegdheden naar zichzelf toe zullen trekken. Of het college dit daadwerkelijk zal doen, is vermoedelijk afhankelijk van de huidige stand van zaken. Hoe ligt de verhouding tussen de universiteitsraad en het college op dit moment? Naar mijn mening is deze verhouding verre van optimaal. Het is zeer te betwijfelen of de raad als een serieuze gespreks­ partner van het college fungeert. Diver­ se fracties in de raad klagen er terecht over dat het college niet genoeg waarde hecht aan hun oordeel over belangrijke bestuurskwesties. Het gebeurt te vaak dat zaken tijdens de behandeling in de raadscommissies en de raadsvergadering in een impasse raken. Wanneer zowel raads­ als colle­ geleden weigeren water bij de wijn te doen, worden sommige zaken weken­ lang op iedere agenda opgevoerd. In

dergelijke uitzichtloze situaties greep de raad in het recente verleden uit wan­ hoop naar het budgetrecht. Daarmee kan de raad het college financiële mid­ delen ontzeggen en het college beletten zijn zin door te drukken. Het college op zijn beurt lijkt de uni­ versiteitsraad steeds meer te zien als een lastig obstakel, waar het zo snel mogelijk omheen moet. Aan een tegen­ sputterende raad besteedt het college het liefst zo min mogelijk aandacht. Moties vanuit de raad worden herhaal­ delijk terzijde geschoven en vragen en klachten worden geregeld met een grapje afgedaan. Deze gang van zaken is duidelijk niet bevorderlijk voor een goede verstandhouding tussen de beide bestuursorganen. Het ziet ernaar uit dat de huidige stand van zaken weinig goeds voorspelt voor de positie van de universiteitsraad. We moeten echter goed in de gaten blijven houden waar de voornaamste taken van de raad liggen. Ik ben van mening dat deze op het terrein van controle en ad­ vies liggen. D e raad vervult als het ware een bufferfunctie. Het is een orgaan waaraan het college verantwoording schuldig is, waarmee het moet overleg­ gen en waarnaar het moet luisteren. D e raad vervult hiermee een taak die niet weg valt te denken uit een democra­ tisch bestuur. Natuurlijk hebben raadsleden op ver­ schillende punten (informatievoorzie­ ning, juridische en technische bestuurs­ keimis, beschikbare tijd) een duidelijke

achterstand op de collegeleden. Dit neemt echter niet weg dat er een duide­ lijke rol voor de raad blijft weggelegd in het bestuur van de universiteit. Het is van groot belang dat de raad (weer) serieus genomen wordt. Door zichzelf, door het college van bestuur en door de universitaire gemeenschap in haar geheel. D e verantwoordelijk­ heid hiervoor ligt bij alle betrokkenen. Meer contact tussen de raadsleden on­ derling zou een stap in de goede rich­ ting zijn. Daarnaast zouden de raadsle­ den de contacten met h u n achterban in de universiteit moeten aanhalen. Op de manier kunnen zijzelf met waardevolle initiatieven komen tijdens commissie­ en raadsvergaderingen. Bovendien zou­ den zij dan beter op de hoogte zijn van wat er speelt op de universiteit. Last but not least speelt het college in deze een belangrijke rol. Het moet be­ reid zijn goede wil te tonen. D e vu zou erbij gebaat zijn^als het college de raad als volwaardig bestuursorgaan be­ schouwt, waarin belangrijke meningen vanuit elke geleding van de universiteit worden geventileerd. Het college doet er verstandig aan zich hier eens op te beraden, voordat het de huidige machtsstructuur verandert.

Adri Hofland De auteur is raadslid namens het vu-Corps.

'Niet morrelen aan samenstelling raad' J. Struiksma In de Volkskrant van woensdag 19 janu­ ari valt te lezen dat Nederlandse burge­ meesters in het algemeen niet erg tevre­ den zijn over de bestuurlijke kwaliteiten van raadsleden. Regelmatig tref je in de krant berichten aan over ruziënde ge­ meenteraden, die meer aandacht schenken aan persoonlijke vetes dan aan het bestuurlijke werk. In het alge­ meen wordt de democratische legitima­ tie van vertegenwoordigende lichamen ter discussie gesteld. Op nationaal ni­ veau leidde dat tot de instelling van commissies die de verkiezing en het functioneren van het parlement moes­ ten onderzoeken. Voor de meeste men­ sen vielen de resultaten van die onder­ zoeken zwaar tegen. Kortom, in het algemeen worden vra­ gen gesteld over het functioneren van vertegenwoordigende lichamen en het is dus niet zo vreemd dat wordt nage­ dacht over het nut van universiteitsra­ den. Waarom zouden we de leiding niet toevertrouwen aan beroepsbestuur­ ders, die op een efficiënte manier naar eer en geweten te werk kunnen gaan? Er is een aantal pregnante vragen te stellen over de universiteitsraad. Waar is de democratische legitimatie van de raad? Er zijn weliswaar verkiezingen, maar worden die aan de hand van poli­ tiek aansprekende thema's gevoerd? Kunnen de leden wel voldoende tijd aan hun raadswerk besteden zonder dat hun andere werkzaamheden in het ge­

drang komen? Laat de raad zich niet makkelijk overdonderen door de soup­ lesse waarmee de beroepsbestuurders uit het college van bestuur h u n infor­ matievoorsprong hanteren? Is de raad niet van oudsher te veel gefixeerd op het eigen functioneren zonder ooit spij­ kers met koppen te slaan? Dat zijn allemaal terechte vragen, maar dat betekent niet dat de bevoegdheden van de raad verder zouden moeten worden ingeperkt. Zoals het nu is, is het goed; wordt het minder, dan krijgt Deniz Koker gelijk. Beroepsbestuurders hebben een klankbord nodig dat van tijd tot tijd de tanden laat zien, omdat anders het gevaar groot is dat ze ideeën gaan nastreven die onvoldoende wor­ den gedragen binnen de organisatie die ze besturen. Dat leidt tot regelmatige uitbarstingen van onvrede die slecht beheersbaar zijn. In deze optiek past een raad ook zonder een duidelijke democratische legitima­ tie, als maar gewaarborgd is dat een doorsnee van de universitaire gemeen­ schap aan het woord kan komen. De raad moet zich daarvan bewust zijn en geen achterbangerichte politiek bedrij­ ven waar die achterban grotendeels ontbreekt. Meningsverschillen met het college moeten niet per se worden aangezet, maar de raad moet ook geen overdre­ ven timide houding aaimemen. Be­ roepsbestuurders hebben uit de aard der zaak een informatievoorsprong, maar de raad kan keuzes maken uit on­ derwerpen en zich bovendien beperken

Lang leve de Universiteitsraad Un

tot hoofdlijnen. Er is overigens niets op tegen dat raadsleden van tijd tot tijd diep op onderwerpen ingaan, waarbij ze h u n eigen specifieke deskundigheid kunnen inzetten. Ik denk dat een groot deel van de on­ vrede over het eigen functioneren van de raad wordt veroorzaakt doordat leden te grote verwachtingen hebben van de mogelijkheden van het raads­ werk. Dat hangt samen met de steeds wisselende samenstelling van de raad. Voor sommigen is er te weinig tijd om goed zicht te krijgen op langlopende kwesties. Overigens is een regelmatige wisseling van de wacht nodig om het gevaar van navelstaarderij tegen te gaan. D e griffie van de raad heeft de taak om voor de broodnodige continuï­ teit te zorgen en in de huidige samen­ stelling is zij goed voor die taak uitge­ rust. Mijn conclusie is dat er geen reden is om aan de samenstelling en de be­ voegdheden van de raad te morrelen. De raad moet zich bewust zijn van zijn beperkingen en binnen die beperkingen zo doelmatig mogelijk functioneren. Dat betekent een grotere gerichtheid op onderlinge overeenstemming, het vol­ gen van het college op hoofdlijnen, ge­ zamenlijk weerwerk durven leveren te­ genover dat college en minder theoreti­ seren over het eigen functioneren.

De auteur is lid van de universiteitsraad voor de fractie van het Wetenschappelijk Personeel

D e Universiteitsraad heeft de bevoegd­ heid over de begroting, het bestuursre­ glement, het kiesreglement, het ontwik­ kelingsplan en de richtlijnen voor orga­ nisatie en coördinatie van onderwijs en onderzoek. Tevens is de raad belast met de zorg voor de voorzieningen ten behoeve van de studenten. Het lijkt me goed om dit alles weer eens op een rijtje te zien staan. D a t maakt het voor h^t vervolg gemakkelijker om over verande­ ringen na te denken. D e nieuwe onderwijswet, de WHW, biedt de vrijheid om de bestuursstruc­ tuur aan de vu te veranderen. In 1992 is voorts de mogelijkheid gekomen, dat iedere instelling een eigen invulling aan de bestuursvorm geeft in een 'charter', dat overigens de goedkeuring moet hebben van de minister. Het wezenlijke van de UR mag bij alle veranderingen niet verloren gaan: de evenredige deelname van alle geledin­ gen: wp, obp, studenten. Ook de in 1972 toegevoegde 'buiten­universitaire leden' ('bullen') moeten vertegenwoor­ digd blijven, want iedere bestuurder kan, gespannen kijkend naar het belang van eigen kring, bedrijfsblind worden. Een kleine niet gebonden groep, zoals onze Verenigingsfractie, kan onbedoeld en ongemerkt dit proces verhinderen. D a n de identiteit. Daar wordt verschil­ lend over gedacht en dat moet kunnen. Maar de vu is, meer dan andere univer­ siteiten, geworteld in de samenleving. Dit bijzondere blijkt onder meer door de buiten­universitaire leden. Juist deze 'bullen', die een band hebben met mensen in den lande, zorgen ervoor dat de raad zinvol kan werken. Dat vier van de vijf leden alumni zijn van de vu geeft dat nog een eigen accent. In Ad Valvas heeft de heer Donner van het college van bestuur gemeend onze fractie in de toekomst te moeten verwij­ deren uit de raad. Argument: het zijn 'vertegenwoordigers' van het Bestuur van de Vereniging, het hoogste gezag van de Universiteit. Dit argument is met niets onderbouwd en kon daarom

door een niet­raadslid, dhr. S lothoubeq secretaris van genoemd bestuur, af­ doende weerlegd worden. Vanuit mijn jarenlange ervaring kan ik verklaren, dat we nooit en op geen enkele wijze zijn benaderd door het Bestuur van de Vereniging ten aanzien van enig t e be­ V no spreken punt van een raadsvergadering gen M e n zou daarom van een jurist als tién te Donner een betere argumentatie mogendS ior d verwachten. tiet ce En hiermee kom ik op het punt waar fiit de het D o n n e r kennelijk om te doen is: pet or uitbreiding van de WP­fractie. Voor dit ran be punt is geen enkel argument aange­ let b e voerd. Er is er wel een en ander tegen s^ur \ in te brengen. Het evenwicht tussen de heeft, geledingen is dan grondig verstoord en den sti daar moet toch wel een duidelijke fr^^^' reden voor zijn. Kennelijk is die er niet,(Yuso; want zelfs WP'ers kunnen er niet in meeQ| bes gaan. Natuu Ik zou er niet zo diep op ingaan, als er d|t m( niet een gevaarlijke tendens achter van­si nd daan komt. Vooralsnog wellicht onbe­ V( Idoe doeld. Namelijk dat op deze wijze de C! intin UR overbodig kan worden verklaard, si urs Immers de ondernemingsraad (OR) kan si tiei :den de plaats innemen voor alle werkne­ mers. D e studenten kunnen gevoegelijk si It, l in de faculteitsraden h u n invloed uitoe­ tuu idig fenen. vn De Verenigingsfractie weg en de raad kan gemist worden. Twee rectoren heb­ Inctii ben al eerder in die richting gewezen. ofzicli Mijn conclusie: elke wezenlijke veran­ t|tivit( gei dering in opzet en samenstelling komt op mij ongegrond en ondoordacht over njg ee Daarom: Lang leve de Universiteits­ wordi raad! Jnuit l 9 n wi ^lan§ De auteur is lid van de Vereinigingsfractie ^ n t e i :ma fren )kd

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van maandag 16 augustus 1993

Ad Valvas | 552 Pagina's

Ad Valvas 1993-1994 - pagina 276

Bekijk de hele uitgave van maandag 16 augustus 1993

Ad Valvas | 552 Pagina's