Ad Valvas 1993-1994 - pagina 277
I iggBvALVAS 27 JANUARI 1994
PAGINA 9
Universiteitsraad revisited Wim Haan Blijkbaar hoort bij het bestaan van een fenomeen als de universiteitsraad ook een regelmatige oprisping van de dis cussie over de waarde van dit orgaan en een prognose over het toekomstig func tioneren. Op dit moment wordt deze discussie gevoerd naar aanleiding van een nogal sombere schets van de hand van Deniz Koker, PKVlid van de raad, en de 'reactie' daarop van collegelid Donner, die wat opmerkingen maakt over de samenstelling van de UR en een eventuele uitbreiding van het aantal WPzetels in de raad. N u zal iedereen het erover eens zijn dat een universiteitsblad een belangrijk middel is om het reilen en zeilen in de universiteit te Verslaan. Als forum om een serieuze discussie te voeren over de toekomst van de UR is het, dunkt me, minder geschikt. Voor zo'n meer fundamentele discussie zie ik een aantal startpunten. Allereerst het bestaansrecht van het bestuurlijk or gaan UR, dat wederom voluit wordt be vestigd in de WHW. Aan de bevoegdhe den van de UR wordt niet getornd en voor het overige wordt ook nauwelijks gesleuteld aan de 'machtsverdeling' tussen raad en college van bestuur (CVB).
Aad Meijer
Een en ander zal ongetwijfeld tot nogal wat teleurstelling hebben geleid aan de kant van de CVB'S , maar kabinet en volksvertegenwoordiging onderschrij ven klaarblijkelijk nog steeds voluit het belang en de functie van de UR. Dat een CVBIid het initiatief onderneemt om met behulp van de samenstelling van de UR de machtsbalans tussen raad en college 'aan te passen', acht ik als serieuze poging niet erg indrukwek kend, maar iets is in ieder geval beter dan niets, zullen we maar zeggen. Als zo'n poging echter in de plaats komt van een fundamentele discussie tussen raad en college, namelijk het met elkaar van gedachten te wisselen over de positie en functie van beide or ganen in een nieuwe maatschappelijke en universitaire context, is dat een zorgwekkende ontwikkeling. Het lijkt dan meer op een procedurele pesterij. Dat dit bij sommigen de indruk wekt
Universiteitsraad: een open forum! iber»
Gerben Karssenberg
ujn
i
, Waar moet het heen met de Universi e .eitsraad? is er wel behoefte aan een ge deOTzencentraal orgaan in een tijdperk De Jan nononsensemanagement? Dit zijn ring iTagen die binnenkort beantwoord die aen te worden. Niet in de laatste plaats ogendoor de universiteitsraad zelf. Het centrale bestuur van de v u bestaat ir uit de UR en het college van bestuur : met onderling een vrij strakke scheiding dit Pan bevoegdheden. Het college heeft iet bestuur en beheer en de UR het be en stuur voor zover het college dat niet 1 de heeft. In een discussie over bevoegdhe en den staat voor de fractie van de Vrije Universiteit S tudenten Organisatie iiet,(Vuso) de kwaliteit van de besluiten en meede besluitvorming voorop. Natuurlijk is het grote onzin een orgaan er dat meepraat op centraal niveau in /anstand te houden als dat orgaan zelf niet 5e voldoende kwaliteit kan afleveren. Een e continue bezinning op de eigen be stuurskracht en macht is dus van es kan sentieel belang. Als de UR zijn eigen op treden aan de toets der kritiek bloot elijk stelt, komt hij er dan positief uit? toe Natuurlijk is het niet de vraag of de toidige URleden h u n werk aankunnen, ld D,e vraag is of het orgaan als zodanig hebfunctioneert. Het unieke van de UR ten n. opzichte van het college is de represen n tabviteit. D e UR bestaat uit vier gele n t dingen en binnen de studentengeleding )vei nog eens uit drie fracties. Dit heeft als voordeel dat voorstellen van het college vanuit zeer verschillende gezichtshoe I ken worden benaderd. Niet alleen de belangen verschillen soms tussen stu ctw denten en werknemers, maar de pro blematiek wordt nu eenmaal op een an dere manier ervaren. Ook de positie van de Verenigingsleden is van groot belang. Zij hebben geen di recte arbeidsrelatie met de v u en kun nen vanuit h u n eigen professie voor een heldere visie zorgen. Zo is de UR in staat tot een redelijk afgewogen oordeel te komen. D e discussie over het af schaffen van de Verenigingsfractie kan wat de Vuso betreft dan ook van tafel.
i
Het college bestaat echter uit louter be roepsbestuurders, die de zaken dermate vanuit puur bestuurlijkfinanciële kant bekijken, dat voor uitwerkingen lager in de organisatie nauwelijks oog is. Het college is dus gediend met een UR, omdat het de besluitvorming meestal verbetert. Het zou de voorkeur verdie nen als de interactie tussen UR en colle ge werd bevestigd door aan het oordeel van de UR over het functioneren van het college meer gewicht te geven. Als het college geen goed werk levert, zou de UR het college op eigen kracht naar huis moeten sturen. De bevoegdheden van het Bestuur van de Vereniging vor men thans een storende factor.
Gelukkig zijn leden van de UR geen fulltime bestuurders. Zouden ze dat wel zijn, dan lijkt het gevaar van be stuurdertje spelen zonder enig contact met de werkplek snel op te doemen. Dit vraagt wel om voldoende informa tieverschaffing door het college naar de UR bij ingewikkelde zaken die niet di rect op het niveau van faculteiten en diensten terechtkomen. Ook de UR heeft hierin een eigen taak. In de toe komst zal de UR vaker faculteiten en diensten moeten uitnodigen om h u n oordeel over de gang van zaken te geven. Het Reglement van Orde geeft hier overigens veel ruimte voor: facul teiten kunnen adviseurs aanwijzen.
Is er dus nog een toekomst voor de UR? Deze vraag is positief te beantwoorden. D e UR bekleedt een waardevolle positie binnen de universiteit en moet de ultie me plaats van het debat, een open forum, zijn. Onderwerpen die de gehele universiteit aangaan moeten niet in de drie kamertjes van het college blijven steken, maar voluit worden bediscus sieerd. Machiavelli is dood en aan een opvolger hebben we echt geen behoef te.
dat er sprake is van kwade wil en po gingen om in de bestuurskamer de be voegdheden van de raad te ondermij nen, hoeft niet echt te verbazen. Toenemende autonomie van de instel lingen voor hoger onderwijs, de recen telijke ontwikkeling in verband met overdracht van de gebouwen aan de universiteiten, discussies over de pro fessionele organisatie en de meest ge schikte bestuurlijke inrichting van de universiteiten zijn desalniettemin boei ende onderwerpen. Gezeur over sa menstelling van de universiteitsraad, wel of niet buitenuniversitaire leden, meer wp'ers etc.etc. vind ik minder in teressant. Voor de U R is het een uitdaging de dis cussie met name op het eerste te rich ten. Die kwestie is namelijk van emi nent belang voor de toekomst van de raad. D e universiteit als organisatie wordt immers steeds complexer en raakt in toenemende mate gefragmen tariseerd. Juist die fragmentarisering pleit ervoor dat alle professionals in de organisatie WP'ers, OBP'ers en studen ten worden betrokken bij het universi tair bestuur, al was het alleen maar om, door middel van effectieve invloed van alle geledingen op de diverse beleidster reinen binnen de universiteit, het to taalbeeld in het oog te houden. Voor een college van bestuur, dat te maken heeft met selectieve informatiestromen, is het immers niet altijd gemakkelijk om de universiteit, en niet alleen de afzon derlijke delen goed in het oog te hou den. Ook daar waar de besluitvorming rond belangrijke zaken bij voortduring in 'componenten' en 'deelzaken' wordt aangeboden, ligt de belangrijke taak voor de universiteitsraad om uit te gaan van het totaalbeeld. Anders treedt de gevreesde 'verkokering' op, waar ook onze collegevoorzitter een broertje dood aan heeft. D e raad mag zich tenslotte niet mee 1 =n slepen door een verdeelenheers •aliteit, die er baat bij heeft dat de cliv....e betrokkenen bij het universi teitsbestuur door de bomen het bos niet meer zien en elkaar de jas uitvegen. T e r afsluiting van deze persoonlijke opinie over de toekomst van de UR: een boeiende vraagstelling voor de toe komst zou kunnen zijn, inhoeverre de toekomst van het fenomeen universiteit vervlochten is, op meer dan één ma nier, met de toekomst van het feno meen universiteitsraad. Voor zelfbe wustzijn én geloofwaardigheid van de universiteitsraad lijkt me een bezinning op juist dit gezichtspunt een uitermate belangwekkende zaak.
De auteur is lid van de fractie v an het On dersteunend en Beheerspersoneel (ÖBP)
De auteur is lid van de Vusostudenten fractie
'Democratie op zijn lelijkst' Jasper Schouten Het was een gouden greep om studen ten in te lijven in de universitaire bu reaucratie; een schoolvoorbeeld van vredelievend corporatisme. In de tijd dat democratische organen, zoals de universiteitsraad, nog voldoende draag vlak hadden, heeft dat ongetwijfeld uit stekend gefunctioneerd. Tegenwoordig worden universitaire verkiezingen ge kenmerkt door zeer lage opkomstper centages, die natuurlijk gedeeltelijk kunnen worden toegeschreven aan de politieke desinteresse en apathie van de meerderheid der studenten. Maar die geringe betrokkenheid zegt natuurlijk ook wel iets over de aard van de politiek zoals die op de universiteit bedreven wordt. T e n eerste schort er nogal wat aan de universitaire demo cratie zelf. Het globale budgetrecht, dat de raad heeft weten te behouden na de grote coup van '87, is lang niet vol doende om het doen en laten van een college van bestuur te controleren, laat staan te sanctioneren. Vele budgetten blijken 'ongelabeld', zodat een groot
deel van het beleid feitelijk op de facul teiten wordt gemaakt en uitgevoerd. D e bij voorbaat vrij grote belangente genstelling tussen de geledingen in de raad, biedt het college van bestuur een comfortabele positie van waaruit een voudig 'verdeelenheers'politiek ge voerd kan worden. En met name de studentenfracties hebben weinig in vloed op de agendering, waardoor niet zelden slechts de rondvraag overblijft voor zaken die voornamelijk studenten aangaan. Natuurlijk is het van belang dat studen ten gebruik maken van de inspraakmo gelijkheden, maar dit is democratie op z'n lelijkst. D e universiteitsraad is een welhaast rudimentair orgaan, waarin als het zo doorgaat alleen nog maar de schijn van democratie wordt hoogge houden. Bovendien zorgt de opkomst van twee de en derdegeldstroom onderzoek voor een groeiende invloed van buiten universitaire belangen op de gang van zaken binnen de universiteit. D e intre de van commercie en concurrentie ging natuurlijk flink ten koste van de demo cratische controle op het onderzoek, en
bijgevolg ook van die op het onderwijs. D e vakverenigingen van de KNAW behe ren een groot gedeelte van de geld stroom en scheppen daarmee een eigen beleid op basis van wetenschappelijk inhoudelijke argumenten. Onderwijs speelt daarbij duidelijk een onderge schikte rol. Het is zodoende nog maar de vraag of de universiteitsraad wel zo veel invloed heeft op de kwaliteit van onderwijs en onderzoek als sommigen wensen te geloven. N o g ingrijpender invloedsverschuivin gen zullen niet lang op zich laten wach ten, zodra de onderzoeksscholen een maal goed en wel van start gaan. Grote interfacultaire en interuniversitaire sa menwerkingsverbanden en netwerken zullen op basis van langetermijn on derzoeksprogramma's de dienst gaan uitmaken. En hoe inspraak en controle in die instituten geregeld worden, is nog lang niet duidelijk. Wel is duidelijk dat een en ander de universiteiten als bestuurseenheid zal overstijgen, zodat de invloed van bijbehorende bestuurs organen de raad incluis andermaal zal afnemen. En het bedrijfsleven staat ondertussen te springen om de inhou
delijke vormgeving van de curriculi over te nemen. Hoewel de studentenvakbond, net als de studentenfracties, te kampen heeft met de gevolgen van de politieke desin teresse van de grote massa der studen ten, slaagt ze erin beleidsmakers te vol gen en waar nodig met hen mee te den ken of hen tegen te spreken. In alle re delijkheid, maar niet onderworpen aan een fatsoensmoraal van heilige huisjes. Naast stemrecht in de universiteitsraad zijn immers ook andere (pressie)midde len voorhanden om als studenten in vloed uit te oefenen op het beleid. En, belangrijker nog, het maakt dan niet uit wie dat beleid maakt of waar het tot stand komt; of dat nu colleges van be stuur of onderzoeksscholen of multina tionals zijn. D e studentenbelangen blij ven hetzelfde, en die zullen kennelijk vooral van buiten de telkens verande rende bestuursstructuren behartigd moeten worden.
De auteur is bestuurslid v an de studenten vakbond SRVU
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van maandag 16 augustus 1993
Ad Valvas | 552 Pagina's