Geheugen van de VU cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Geheugen van de VU te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Geheugen van de VU.

Bekijk het origineel

Ad Valvas 1994-1995 - pagina 555

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Ad Valvas 1994-1995 - pagina 555

10 minuten leestijd

ADVALVAS 18 MEI 1995

PAGINA 7

Kastenstelsel India treft schoenmakers Overstap naar betere schoenen kan handwerkslieden uit armoede halen Schoenmakers zijn de paria's van India. In het (officieel afgeschafte) kastensysteem gelden zij als onaanraakbaar, omdat het bewerken van de huid van dode dieren als extreem onrein wordt gezien. De openlijke vijandigheid tussen de handelaren en de schoenmakers belemmert een gunstige economische samenwerking. Dat blijkt uit het onderzoek van P. Knorringa die hier 18 mei op promoveert aan de economische faculteit. Coen van Basten Het fascineert P. Knorringa al tijden: de wijze waarop ondernemers van kleinschalige produktiebedrijven in ontwikkelingslanden erin slagen zich staande te houden. Vandaag (donderdag) promoveert hij op zijn onderzoek naar het reilen en zeilen van schoermiakers m India. Al tijdens zijn studie economie aan de UVA maakte hij een studiereis naar India. "Voor het eerst in een ontwikkelingsland. Nou, dat maakte wel mdruk", herinnert hij zich. "Liep ik met een vragenlijst rond te rennen, terwijl ik nog van mijn cultuurshock moest bekomen." Na zijn studie ging Knorringa als erkend gewetensbezwaarde bij de vakgroep ontwikkelingseconomie van de vu werken. Ook was hij verbonden aan de UVA bij sociale geografie van ontwikkelingslanden. "Tijdens deze periode deed ik onderzoek naar de kleinschalige industrie in India en Indonesië. Een embryonaal begin dus van deze dissertatie." In augustus 1992 kreeg hij een beurs van de Nederlandse Organisatie voor Wetenschappelijk Onderzoek om zijn proefschrift te schrijven. Hier deed hij ruim twee jaar over. Momenteel werkt Knorringa als universitair docent bij de vakgroep bedrijfseconomie van de imiversiteit in Tilburg. Met India heeft hij een haat-liefdeverhouding. "Het is een fascinerend land, omdat het zo vreselijk is: armoede en ellende. En toch is er ondanks die armoede ook zoveel moois. Niet alleen monumenten maar ook fijne mensen met wie ik een goed contact heb opgebouwd."

buitenlandse handelaren uit dit reservoir van spotgoedkoop vakmanschap. Ook de schoenmakers hebben hier baat bij, omdat zij, naar lokale maatstaven, via de handelaren beter betaald krijgen en met meer respect behandeld worden. Een toenemend aantal ondernemers in de exportsector in Agra slaagt erin lokale schoenmakers een kwaliteit te laten produceren waar internationale handelaren tevreden mee zijn. Zij betalen hogere lonen en bieden betere arbeidsvoorwaarden om zich te verzekeren van de volledige inzet van de handwerkslieden. Bovendien erkennen zij het vakmanschap van de schoenmakers als doorslaggevend voor de kwaliteit van het produkt.

Agra is niet simpelweg de zoveelste plek waar de internationale zakenwereld gebruik kan maken van goedkope, ongeschoolde arbeid. Knorringa: "De handwerkslieden van Agra zijn niet alleen goedkoop, het zijn échte vakmensen, schoenmakers in hart en nieren." Toch gelden leerbewerkers, Jatavs genaamd, als onaanraakbaar in het officieel afgeschafte Indiase kastensysteem omdat ze met de huid van dode dieren werken. (Mahatma Ghandi noemde deze onaanraakbaren 'de kinderen van God'.) "Aangezien de mate van reinheid van iemands beroep bepalend is voor zijn positie in de hiërarchie van het kastenstelsel, staan schoenmakers vrijwel onderaan de ladder. Terwijl de witteboordenhandelaren een veel hogere positie bekleden. Voor veel lokale handelaren en ondernemers is dit een reden om schoenmakers als minderwaardig te beschouwen en bijvoorbeeld niet met hen aan een tafel te willen zitten." De schijnbaar onoverbrugbare kloof in het Hindoeïstische kastenstelsel tussen de lokale handelaren en de door hen geminachte handwerkslieden belemmert een voor alle partijen gunstige economische samenwerking. Knorringa onderscheidt drie groepen schoenmakers. "De eerste groep zijn

handwerkslieden die op vrijdag met een mand vol schoenen naar handelaren in de stad gaan. Als een handelaar geïnteresseerd is in het schoeisel, stuurt hij z'n assistent erop af. Die bekijkt de schoenen vol wantrouwen, slaat ermee op de grond alsof ze uit elkaar zouden vallen en noemt vervolgens een prijs die ver onder de inkoopkosten van de materialen ligt. Vervolgens wordt er onderhandeld. Uiteindelijk verkopen de schoenmakers him produkten voor het beste bod." "ZIJ verkeren in een trieste positie, omdat handelaren de keuze hebben uit wel honderd andere schoenmakers. Het is voor deze handwerkslieden een kwestie van overleven. Als er stakingen zijn of er heerst een uitgaansverbod, kunnen zij hun produkten met verkopen. Maar al hun geld zit in die schoenen. Dan zijn ze genoodzaakt geld te lenen tegen een hoge rente. Die schuld moeten ze vervolgens weer aflossen en dat kimnen ze meestal niet. Het is een vicieuze cirkel van armoede waarin deze groep blijft hangen." De tweede groep zijn schoenmakers die op orderbasis voor handelaren werken. "Zij hebben het beter, want zij komen als eersten aan de beurt als er opdrachten binnenkomen. Zij maken grote hoeveelheden schoenen van betere kwali-

Veldwerk Het veldwerk voor zijn dissertatie verrichte hij in de Noordindiase middelgrote stad Agra. Deze stad is niet alleen bekend omdat daar dè toeristische trekpleister van India, de Taj Mahal, te bewonderen valt, maar ook omdat Agra hèt centrum is van de Indiase schoenindustrie. De zestigduizend schoenmakers en hun families leven veelal in bittere armoede. Zij bezitten een van vader op zoon doorgegeven ambacht. In samenwerking met een kleine groep lokale ondernemers putten steeds meer

Schoenmakers, de paria's van India

teit en hebben een regelmatig inkomen." De derde groep schoenmakers werkt op basis van stukloon voor ondernemers. Deze ondernemers leveren onder meer aan de 'Bata' van India. Zij verkopen ook schoeisel aan het buitenland. Voor kleinschalige producenten is de kwaliteit van hun relaties met handelaren vaak bepalend voor hun kans op succes, legt Knorringa uit. In bedrijfstakken zoals de schoenindustrie verkopen kleinschalige producenten namelijk zelden rechtstreeks aan de consument, maar bijna altijd aan handelaren.

Fabriek Steeds meer ondernemers richten zich op de fabrieksmatige produktie van goedkoop schoeisel. "De vrouwen en meisjes die in die fabrieken werken zijn volgens lokale ondernemers gedisciplineerder, goedkoper en accurater dan de lokale handwerkslieden die lastig en onbetrouwbaar worden gevonden. Als ondernemers massaal voor een fabrieksmatige produktie zouden kiezen, wordt Agra een van de vele plaatsen waar (mter)nationale schoenfirma's goedkoop hun schoeisel in elkaar laten zetten." Voor de schoenmakers zou dit geen oplossing bieden. Integendeel. Zij zouden massaal zonder werk komen te zitten, ook al omdat zij door hun kaste-achtergrond erg moeilijk in een andere bedrijfstak werk kunnen vinden. Volgens Knorringa zouden de werkgelegenheidsperspectieven van Jatavhandwerkslieden veel gunstiger liggen als meer ondernemers in Agra zich gaan richten op het produceren van exclusieve handgemaakte schoenen. "Hiervoor lijkt een groeiende markt te zijn, zowel internationaal - als goedkoper alternatief voor de echte dure en trendy schoenen uit Italië - als ook nationaal voor de opkomende stedelijke middenklasse." Dan moet er wel een aantal belemmeringen worden weggenomen. Zo moeten handelaren bijvoorbeeld over hun kaste-vooroordelen stappen. "Maar zelfs al zouden ondernemers zich richten op de produktie van exclusief handgemaakt schoeisel, dan nog zal slechts een relatief klein deel van de Jatavhandwerkslieden in dergelijke bedrijven een baan vinden. In deze exclusieve sector kimnen namelijk nooit grote aantallen ambachtslieden opgenomen worden." Het arbeidsoverschot blijft volgens Knorringa als een zwaard van Damocles boven de toekomst van Agra's schoenindustrie hangen.

Archief P. Knorringa

Faculteit der wijsbegeerte bestaat dertig jaar Frank van Kolfschooten De geschiedenis van de faculteit der wijsbegeerte, die deze week dertig jaar bestaat, moet nog geschreven worden. Volgens decaan prof. dr S. Griffioen zou een toekomstige geschiedschrijver wel eens kunnen concluderen dat de faculteit in haar beginjaren niet het gesloten bolwerk is geweest waar de buitenwacht haar meestal voor houdt. "Onder studenten was de spreiding van het begin af aan groot, zeker in de tweede helft van de jaren zestig. Om de meest extreme voorbeelden te geven: we hadden diverse studenten die lid waren van de CPN, en er liep zelfs een student rond die later een soort sekskoning is geworden in Amsterdam. Aan zijn advertentieteksten in de krant "Erotiek voor alle terreinen des levens" - kon je nog zijn reformatorische achtergrond herkennen. We hadden als studenten ook goede contacten met de smdentenvereniging Cogito van de filosofen van de Universiteit van Amsterdam. Nee, de studenten gedroegen zich bepaald niet sektarisch. We hadden als studenten niet de indruk dat we in een gesloten huis leefden", zegt Griffioen, die na zijn studie economie in 1965

Deze week viert de faculteit der wijsbegeerte van de Vrije Universiteit haar dertigjarig jubileum. Decaan prof. Sander Griffioen was erbij vanaf het eerste uur. Hij verlangt terug naar de tijden van de Centrale Interfaculteit, toen de filosofie een ontmoetingspunt voor alle faculteiten was. "Nu zijn we kwetsbaar als kleinste faculteit onder de faculteiten."

ook nog een studie filosofie begon. Het was volgens Griffioen ook bepaald niet zo dat vu-studenten voornamelijk onderwijs kregen in de roemruchte wijsbegeerte der wetsidee, de verzamelterm waaronder het gedachtengoed van de hoogleraren H. Dooyeweerd en D. VoUenhoven bekend is geworden. Griffioen kan zich niet herinneren dat bepaalde denkers ooit taboe zijn geweest aan de vu in de afgelopen dertig jaar. Zelfs Friednch Nietzsche niet, de filosoof die God dood heeft verklaard. "Ik herinner me nog goed de colleges van prof. S. Zuidema. Dat waren ware toneelstukjes waarbij hij heen en weer liep tussen een tafel en een stoel, die de

verschillende filosofische standpunten symboliseerden. Zuidema was een echte vechtjas die juist graag college gaf over filosofen met wie hij het oneens was." Griffioen heeft in zijn studententijd, en later als docent, alle illustere mannen meegemaakt, van prof. H. van Riessen ("een geestige man met karakter die hield van jennen"), die in opspraak kwam door zijn sympathie voor het apartheidsdenken, tot prof C. van Peursen, de man die dacht vanuit het midden, en altijd op zoek was naar de overeenkomsten met niet-christelijke denkers. De decaan kijkt met de nodige wee-

moed terug op die eerste jaren van de faculteit, toen nog Centrale Interfaculteit geheten. Filosofie genoot in de jaren zestig zoveel aanzien in politiek Den Haag dat minister Cals het vak een aparte positie gaf in de wet. Elke universiteit moest het wijsbegeerte-onderwijs onderbrengen in een Centrale Interfaculteit om een halt toe te roepen aan de dreigende versplintering van de universiteit door de voortschrijdende vakspecialisering. Cals vond dat filosofie een onontbeerlijk onderdeel was bij de opleiding tot zelfstandige wetenschapsbeoefening en de voorbereiding op de maatschappij.

Uitzondering Aan de meeste universiteiten is deze gedachte nooit goed uit de verf gekomen, maar de Vrije Universiteit was wat dat betreft een uitzondering. Elke student van de Vrije Universiteit kan zich nu nog de colleges wijsgerige vorming heugen die docenten van de Centrale Interfaculteit verzorgden. Toen de Centrale Interfaculteit midden jaren tachtig aan alle universiteiten werd afgeschaft, vertrouwde een ambtenaar van het ministerie Griffioen toe dat alleen die van de vu had gefunctioneerd

als de ontmoetingsplaats die Cals voor ogen had gestaan. GrifBoen denkt dat de filosofen in den lande zich veel te weinig hebben verzet tegen de afschaffing van de Centrale Interfaculteit. "We dachten dat er niets zou veranderen, omdat we er qua middelen niet op achteruitgingen. Maar nu we aan de vu gewoon een faculteit onder faculteiten zijn, en nog wel de kleinste, merken we hoe kwetsbaar we zijn, zeker bij de huidige plannen van het college van bestuur van de vu om faculteiten te clusteren." "Maar", zo voegt Griffioen er haastig aan toe, "ik wil absoluut niet de indruk wekken dat de faculteit op haar laatste benen loopt. De stemming onder onze docenten is uitstekend. Zeker sinds de excursie die we net achter de rug hebben naar Sint Petersburg, waar we een week te gast zijn geweest bij de School of Religion and Philosophy."

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van maandag 15 augustus 1994

Ad Valvas | 638 Pagina's

Ad Valvas 1994-1995 - pagina 555

Bekijk de hele uitgave van maandag 15 augustus 1994

Ad Valvas | 638 Pagina's