Ad Valvas 1994-1995 - pagina 416
AD VALVAS 16 MAART 1995
PAGINA 6
Derde wereld moet samenwerking met Nederlands onderwijs zelf invullen HBO en universiteit stoeien om de pot met ontwikkelingsgeld De ontwikkelingssamenwerking in liet hoger onderwijs staat op een keerpunt. Het mag niet meer zo zijn dat Nederlandse universiteiten bepalen wat goed is voor instellingen in de Derde Wereld, en dat de buitenlandse partners overal 'ja' en 'amen' op zeggen. Voortaan worden de partners en hun plannen aan beide kanten streng geselecteerd.
Pieter Evel ein/HOP
Vandaag en morgen wisselen Neder landse en buitenlandse betrokkenen hun ervaringen uit met samenwerkings verbanden (linkages) tussen Nederland se onderwijsinstellingen en buitenland se partners. Gastheer is Nuffic, de Ne derlandse organisatie voor Internatio nale Samenwerking in het Hoger On derwijs. Een van de key «otesprekers op het Haagse congres is prof.dr L. Dubbel dam, directeur van het Centrum voor de Studie van het Onderwijs in Ontwik kelingslanden (CESo). Hij behoort niet tot de critici die menendat geld voor ontwikkelingshulp per definitie over de balk wordt gesmeten, maar, zegt hij, "als ik met een miljoen gulden langs kom, wet ik dat men binnen twee weken een plan heeft geschreven waar dat geld aan opgaat. Want het is een kans om geld en spullen binnen te halen." Idealiter bestaat een samenwerkingsver band uit een aantal samenhangende, langlopende projecten, die het hoger onderwijs in een bepaald vakgebied aan een universiteit in de Derde Wereld permanent op een hoger peil brengen. Ook versterking van beleid en bestuur aan de instelling is tegenwoordig vaak een doelstelling.
Pronk Nederland kent sinds 1969 dergelijke samenwerkingsverbanden. De belang rijkste subsidiebron is voor de meeste instellingen op dit moment het door minister Pronk (ontwikkelingssamen werking) betaalde MHO programma, wat staat voor het onuitspreekbare Me definancieringsprogramma Hoger On derwijssamenwerking. De Nederlandse instellingen dragen daaraan vijftien pro cent extra bij. Het potje van Pronk bevat 38 miljoen gulden. Dat wordt verdeeld over tien buitenlandse univer siteiten: zes in ZuidAftika, twee in ZuidAmerika en twee in Azië. Het eer ste MHOprogramma is vrijwel klaar voor de start. Het MHOprogramma moet een keer punt worden in de samenwerking met instellingen in ontwikkelingslanden. Er
moet een einde komen aan de min of meer willekeurige wijze waarop de part ners met elkaar in zee gaan. Volgens Dubbeldam speelden tot enkele jaren geleden toeval en opportunisme vaak een belangrijke rol. Inftjrmele netwer ken bepaalden wie met wie samenwerk te. Als zich in Indonesië een probleem voordeed 'met een meertje en een dam', werd er automatisch naar de Technische Universiteit in Delft ge beld. De TUD had immers het halve ambtenarenapparaat van het Indonesi sche ministerie van Water opgeleid. Ook de Vrije Universiteit en de Land bouwuniversiteit Wageningen teerden op oude contacten. Ze stuurden al te graag vertegenwoordigers langs van wie de koffertjes tal van aantrekkelijke voor stellen bevatten. Deels uit "een soort missiegevoel", verklaart Dubbeldam; het idee dat zij als Nederlanders de voormalige koloniën iets verschuldigd waren. Maar natuurlijk speelde eigenbelang van de universiteiten ook een rol. On derzoekers en docenten konden immers op kosten van de overheid ervaring op doen in het buitenland, of kregen extra geld om buitenlanders in Nederland te scholen. En die durfden vaak geen nee te zeggen als er een Nederlander met een zak geld op de stoep stond. Aan de 'vnjgevigheid' van de overheid is echter een einde gekomen. Pronk wil dat zijn geld zo effectief en eerlijk mo gelijk wordt besteed. Vraag en aanbod moeten optimaal op elkaar worden af gestemd. Daartoe moet de competitie om het geld veel opener worden. Om te beginnen is een einde gemaakt aan de subsidiëring van losse, vaak kortduren de projecten, waarvan het effect op lan gere termijn dubieus is. Buitenlandse instellingen slagen er namelijk nu vaak niet in om een project zelf voort te zet ten, als de steun uit Nederland is beëin digd. In het MHOprogramma wordt steeds voor periodes van vier jaar subsidie ge geven. Naar verwachting zullen veel projecten twaalf jaar duren. De tien buitenlandse universiteiten die aan het MHOprogramma meedoen, zijn gese lecteerd omdat zij op degelijke wijze duidelijk konden maken waarmee zij
Enkele decennia geleden sprong
de vu
enthousiast in de ontwikkelings samenwerking: last van schuldgevoel?
isst r o « ( ^ K ji««"ï r s » » r «
'
^
IVê «•^x
•
^^ Pï^r* Elizabeth NICO Boink/
kaartenverzameling bibliotheek VU
^3P«^ O»
geholpen kunnen worden: onderwijs aan studenten, training van staf of be geleiding van onderzoek bijvoorbeeld. Ook beschikken ze over een bestuurs apparaat dat professioneel genoeg is om de projecten tot een goed einde te brengen.
Concurrentie Er is sprake van een toenemende con currentie om de ontwikkelingsgelden. Ambitieuze hogescholen betreden het jachtterrein waarop het hoger beroeps onderwijs tot nu toe nauv^lijks een poot aan de grond kon krijgen. Interna tionalisering staat bij de meeste hoge scholen nog in de kinderschoenen. En universiteiten geven een lucratieve in komstenbron niet graag uit handen, zoals verschillende hogescholen hebben ervaren. Langzaam maar zeker winnen de hogescholen echter terrein. Inmid dels gaat vijftien procent van Pronks budget naar het HBO. Dit moet vijftig procent worden. Onenigheid tussen universiteiten en ho gescholen komt ook voort uit de vraag wie het best in staat is om te voldoen aan de wens van Pronk dat zijn geld ef fectief wordt besteed. Stuur je een inge nieur of een wegenbouwer naar Zuid Afrika? Dubbeldam: "Wegenbouwers koop je in Nederland, Moskou of Bulg arije. Je huurt ze in en die wegen komen er. Onze samenwerking moet ertoe leiden dat het hoger onderwijs daar beter wordt. Zowel wat de inhoud betreft, als het management." Met an dere woorden: er moet niet te sterk worden gestreefd naar snelle, concrete resultaten van Nederlandse hulp.
Hoï
Oil
Vooral de effecten op langere termijn tellen, volgens Dubbeldam. Het HBO kan op dit punt een belangrijke bijdrage leveren via het verbeteren van de basi seducatie, één van de belangrijkste doe len van ontwikkelingssamenwerking. Dubbeldam waarschuwt voor te hoog gespannen verwachtingen. "Er komen veel verschillende soorten kinderen naar school. Kinderen waar thuis een radio was en een krant werd gelezen, en kinderen die zeven jaar achter de scha pen hebben gestaan. Die moet je alle maal op een andere manier behande len."
Opgedrongen Het is een probleem waar de universi teiten eerder al mee hebben geworsteld. "Ik weet nog dat de Vrije Universiteit twintig jaar geleden de jongens in Leso to, Botswana en Swaziland wel even zou helpen met het opzetten van schei kunde, natuurkunde en wiskunde. Na een tijdje zeiden ze: 'Wat doen we hier eigenlijk?' Het bleek dat de kinderen zich bij termen als licht, gewicht en vo lume heel andere dingen voorstelden dan de docent. Dat probleem is heel geleidelijk kleiner geworden, nadat er een pre entry course was ontwikkeld." Dubbeldam juicht van harte toe dat de buitenlandse instellingen meer invloed krijgen op de samenwerking. Nederlan ders hebben te lang gedacht dat ze wis ten wat goed was voor de buitenlandse partner, of zich daar gewoon niet druk over gemaakt. Men was gretig in plaats van kritisch. Voortaan moet de vraag luiden: 'Weten jullie zeker dat je hier iets aan hebt?' Als het antwoord dan
nog steeds 'ja' luidt, weet de ontvan gende instelling dat haar verantwoorde lijkheid om het project te doen slagen groot IS. Het is dan geen opgedrongen cadeautje meer. Daarmee heeft de partner in feite nog maar voldaan aan de helft van de sa menwerking. Niets voor niets wordt ge sproken over onvwi^elingssamenwer king. MHO is geen vorm van eenzijdige ontwikkelings/!M/p. Het is de bedoeling dat de Nederlandse instelling er ook iets voor terugkrijgt. Dubbeldam vreest dat de tegenprestatie in nogal wat landen een groot probleem vormt. Als voorbeeld noemt hij Tanza nia. Het onderwijs leidt er een miezerig bestaan, omdat er geen geld is voor le raren en lesmateriaal. Kinderen worden thuisgehouden; ouders leren hun kin deren liever hoe een kokospalm moet worden verzorgd. Slechts weinigen be landen in het hoger onderwijs, waar niet meer dan een handjevol idealisten bereid is voor weinig geld les te blijven geven. Toch hebben Nederlanders zeker wat aan samenwerking met zo'n land, meent Dubbeldam. "Je kunt je studen ten è'r stage laten lopen en ze zelf bege leiden. Ze zitten dan toch in de buurt van mensen die de omgeving kennen." En dat zijn pluspunten.
Studie oudlieidkunde bestaat tien jaar Bakermat van onze beschaving trekt slechts 33 studenten Coen van Basten
• ^ *
Hoogleraar oudheidkunde R.J. van der Spek: 'Al s je rijk wil t worden, kun je beter hel emaal niet studeren' Peter woiters - AVC/VU
De Vrije Universiteit is de enige universiteit waar studenten oud heidkunde kunnen studeren. D e studierichting bestaat dit jaar tien jaar. E n dat wordt zaterdag gevierd met een studiedag over de nieuwe kijk op de oudheid. Volgens hoogle raar R.J. van der Spek, geestelijk vader van de studie oudheidkunde, moeten studenten echt gemotiveerd zijn, want de I^ans om een baan te krijgen binnen het vakgebied is niet groot. "De studie oudheidkunde is niet popu lair", geeft Van der Spek direct toe. Er staan 33 studenten ingeschreven. "Maar het is wel de leukste studie die er is", voegt hij er achteraan. "De oude beschavingen van het Middellandse Zeegebied vormen immers de bakermat
van de Europese beschaving." Oudheidkunde onderscheidt zich van andere opleidingen die zich bezig hou den met oudheid (geschiedenis, Semiti sche talen, archeologie en filosofie) omdat er verbanden worden gelegd tussen alle deelgebieden. Van der Spek geeft een voorbeeld. "De Grieken heb ben veel aan de culturen van WestAzië en Egypte ontleend. O m dit goed te begrijpen is inzicht in beide cultuurge bieden nodig." "Oudheidkunde ga je niet studeren voor een glanzende, maatschappelijke carrière. Studenten moeten echt gedre ven zijn. Maar bij andere studies zie je hetzelfde. Daar is het ook moeilijk om een baan te vinden. Als je rijk wilt wor den, kun je beter helemaal niet stude ren", meent Van der Spek laconiek. "Mijn broer is multimiljonair geworden door boter, kaas en eieren te verko pen." De arbeidsmarkt voor oudheidkundi gen is te zoeken bij musea, reisorgani
saties die culturele reizen naar het Mid dellandseZeegebied organiseren en culturele instituten in Nederland en het buitenland. Bij de reorganisatie van Letteren ver wacht Van der Spek niet dat oudheid kunde sneuvelt. "Het is een kleine stu dierichting, maar heel goedkoop. De stafleden zijn namelijk docenten van archeologie, klassieke talen, geschiede nis en Semitische talen. Er is geen bud get voor oudheidkunde. Als de andere studierichtingen blijven bestaan, blijft oudheidkunde ook bestaan."
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van maandag 15 augustus 1994
Ad Valvas | 638 Pagina's