Geheugen van de VU cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Geheugen van de VU te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Geheugen van de VU.

Bekijk het origineel

Ad Valvas 1994-1995 - pagina 338

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Ad Valvas 1994-1995 - pagina 338

9 minuten leestijd

AD VALVAS 9 FEBRUARI ISgfiLo VJ

PAGINA 6

Van ivoren tot 'tower of babble' Het imago van de universiteit in de politiek blijft beroerd De universiteiten hebben veel van hun aanzien verloren. H. van den Heuvel, hoogleraar beleidswetenschappen aan de vu en hoogleraar P.J.D. Drenth, voormalig rector-magnificus van vu en president van de Koninklijke Nederlandse Akademie der Wetenschappen (KNAW) geven hun mening over het imagoprobleem van de universiteit In de politiek.

Wetenschap en universiteit; de gebeten lionden van de negentiger jaren Prof.dr P.J.D. Drenth

Er was een tijd waarin universiteiten zich behaaglijk koesterden in het warme zonlicht van de wetenschap. Wetenschap was als instrument van verlichting hooggeacht, evenals het instituut waar zij bedreven werd en waar de volgende generatie voor haar beoefening werd toegerust. Doorzichtigheid en bewezen kwaliteit waren geen noodzakelijke voorwaarden voor respect en bewondering. Nationale regeringen voorzagen universiteiten van ruime middelen om hun zelf-gedefinieerde taken in vrijheid te vervullen. Voor rechts was de wetenschap de motor voor vooruitgang, voor links het middel om democratie en gelijkheid te bevorderen en voor de individuele burger de weg tot succes in beroep en carrière voor zijn zonen en dochters. Dat is thans gans anders. Politici ontvangen applaus met ridiculiserende verhalen over futiel en irrelevant onderzoek. Geestelijke leiders, toch al niet gelukkig met het historisch verlies van hun macht aan de wetenschap, halen hun gram door te wijzen op de kwalijke gevolgen van de scientificatie van de wereld. Zelfs een gerespecteerd krant als het NRC probeert te scoren met generaliserende indianenverhalen over "de inspraak-bureaucratie, een verlammende vergadercultuur en geldverslindende ruzies tussen vakgroepen".

Babble Ondernemers roepen met stemverheffing om relevant (lees: economische groei bevorderend) onderzoek. En onze nationale regering bezuinigt ongekend fors op universiteiten en op de tweede geldstroom; overigens ook op onderzoeksbudgetten van vakministeries, waardoor de grote nationale onderzoeksinstituten, TNO en ook universitaire vakgroepen nog weer verder worden beperkt in hun onderzoeksruimte. De universiteiten zijn van gerespecteerde, weliswaar ivoren, torens van wetenschap gedegradeerd tot wat de Economist onlangs noemde "towers of babble". Een interessante vraag is natuurlijk, hoe

dit zover heeft kunnen komen. Natuurlijk is de omvangrijke budget-reductie van de wetenschappelijke instellingen niet de oorzaak. Wel heeft deze de universiteiten schichtig en onzeker, en de onderzoekers paniekerig of opportunistisch gemaakt. Maar een dergelijke reductie kan alleen maar steun vinden in een klimaat van geringe waardering voor de vmiversiteit, en is een reflectie van het verlies aan prestige, exclusiviteit en dus beschermingsrecht van de wetenschap. Wat zit daar dan achter? Het bestek van dit artikel biedt slechts ruimte te wijzen op enkele factoren die daarbij een rol spelen. In de eerste plaats de massificatie van het universitaire onderwijs. Vroeger boden de universiteiten toegang voor weinigen. De academisch gevormden werden bijna automatisch de intellectuele en maatschappelijke leiders. Door de onbereikbaarheid werden ze hooggeacht. Daarna zijn, zoals Ortega y Gasset beschrijft, de horden opgestaan. Deze zijn ook massaal de universiteiten binnengetrokken, met het paradoxale gevolg dat het op grote schaal in bezit genomen goed, de academische vorming, tegelijkertijd minder exclusief en dus minder eerbiedwaardig werd.

Aad Meijei[

gens ook steeds meer de breed georiënteerde, reflexieve, erudiete geleerde (een exclusieve attractie van de universiteit)'plaatsmaken voor de specialistprofessional. Hierdoor wordt die universiteit nog weer verder gedreven in de richting van de juist genoemde, alles behalve succes garanderende competitie. Een derde factor die heeft bijgedragen tot de kritische opstelling van de maatschappij is het nuttigheidsdenken van het nieuwe realisme; de verenging van

Monopolie In de tweede plaats het verlies aan monopolie of exclusiviteit met betrekking tot wetenschappelijke kennis. Kennis is inderdaad de sleutel tot vooruitgang. Maar in vroeger tijden hadden de universiteiten ten aanzien van deze kennis een sterk gemonopoliseerde positie. Deze positie is duidelijk minder exclusief geworden. Buiten de universiteiten zijn talloze research-instellingen, denktanks, planbureaus, wetenschappelijke consultancy-organisaties en overheidsof private instituten ontstaan die net als de universiteiten kennis en inzicht vergaren en vermeerderen, en dit ten dienste stellen van de gebruiker. En die ontwikkeling gaat nog door. Kennis en informatie wordt elektronisch thuisbezorgd, en met de moderne computerdisc en videotape heeft men de docent op de campus niet meer nodig. Op die campus ziet men overi-

de criteria voor de waardering van wetenschap en universiteit tot utiliteit en tot de bijdrage aan technologische ontwikkelingen en economische groei. Aldus krijgt degene die studie maakt van zwarte gaten, antieke wijsbegeerte, Papoeatalen, en schelpen op de Maldiven telkens de moeilijk beantwoordbare vraag voorgelegd: Wat kunnen we er mee? Wat levert het op? In deze gedachtengang past ook goed het geklaag over miskwalificatie of overkwalificatie van universitair afgestudeerden. Wetenschap en universiteiten worden afgerekend op de hun ten onrechte opgelegde rol als motor van economische welvaart. Het accepteren van die rol brengt twee gevaren met zich mee. Ten eerste dat

de regering, het parlement en de indus- neurotiserend effect op de maatschaptrie in hun visie versterkt worden en pij. De explosie van informatie en comdan ook echt deze meetiat gaan hantemunicatie dwingt respect af, maar is ren. Ten tweede dat wanneer die ecoook beangstigend. De atoombom, zure nomische groei en welvaartsontwikkeregen, Chernobyl, het broeikaseffect, ling uitblijft de wetenschap dan ook het manipuleren van mensen in de reweer de rekening gepresenteerd krijgt: clame.... zijn natuurlijk ook mede wetenschap en universiteit als gijzelaars vrucht van wetenschappelijk en technovan de economische en industriële ontlogisch onderzoek. Maar al te gretig wikkeling. wordt de in de kwaadwillende pers opMen hore mij uiteraard niet verdedigen hangen karikatuur van de ongecontroleerde, oppermachtige, (gen-)manipuledat wetenschap en universitair onderrende professor Lupardi geloofd. wijs niet nuttig en bruikbaar kan zijn of is. Weliswaar is, zoals onlangs ook weer Nogmaals, het beeld is niet terecht, maar de wetenschap is er wel voor een eens werd aangetoond door de onderdeel mede schuldig aan. Te weinig hebwijssocioloog Dronkers, dit nut bezien vanuit de maatschappelijke carrière van ben haar beoefenaren zich in het verleden bezonnen op de ethische en sociale het individu veel minder omstreden consequenties van wetenschap en ondan beoordeeld vanuit macro-econoderzoek, ondanks gunstige uitzonderinmisch perspectief. Toch hoeft aan de gen als bijvoorbeeld de centennial vudirecte of indirecte betekenis van de conference "Concern about Science" wetenschap voor de groei en ontwikkeling van welvaart en welzijn niet te wor- (1980) en het KNAW-congres "Wetenden getwijfeld. Maar laat ik nog eens de schap ten goede en ten kwade" (1983) en het werk van een aantal medisch-etparadox van Laisant citeren: "Si la science pouvait dévenir exclusivement utili- hische commissies. Zeker te weinig heeft men zich in het verleden bezorgd taire, elk perdrait sa plus grande utilité" gemaakt om het imago en de sociale ac(Als de wetenschap uitsluitend nuttig ceptatie van de wetenschap. In ieder moet worden, dan verliest het haar geval ligt hier een belangrijke toekomgrootste nut). stige taak voor wetenschapsbeoefenaren Tenslotte noem ik iets waarbij de ween -organen. tenschap ook niet geheel vrijuit gaat althans geen goed antwoord op weet: Prof Drenth, voormalig rector van de VU, is president het steeds sterker wordende anti-scienvan de Koninklijke Nederlandse Akademie voor Weten tisme in de maatschappij. De mede schappen (KNAW) door de wetenschap sterk bevorderde geografische, sociologische, culturele en functionele mobiliteit heeft, zoals Toffler reeds zei in zijn Future Shock, een

Zalm voor de universiteiten? Hans van den Heuvel

Als een onderwerp hoog op de pohtieke agenda staat, zo luidt een van de axioma's uit de beleidswetenschap, is de kans groot dat het in aanmerking komt voor overheidsbeleid. Het is dan ook de kunst tot die agenda door te dringen. Vele maatschappelijke organisaties en burgers pogen dat te bereiken en trachten ook de talrijke barrières op de weg naar de politieke agenda te nemen. Deze stelling kent echter haar grenzen, want onderwerp van overheidszorg zijn is niet altijd gunstig. Al vele jaren mogen de universiteiten zich in de warme belangstelling van de overheid verheugen. In de tijd van de expanderende overheid, na de fluwelen revolutie in de jaren zestig, was het de ontembare regelzucht en nu is daar ook nog de bezuinigingsdrift die hen parten

speelt. De greep van wat eufemistisch 'de terugtredende overheid' wordt genoemd, is nog nooit zo groot geweest, al zit er een interessant verschil tussen beide cumulerende vormen van - laten we vriendelijk zijn - sturing: in de expanderende fase meent de overheid de ontwikkeling naar het beoogde beleidsdoel fijnmazig te moeten regelen, in de bezuinigingsfase klinkt de doelstelling als een bevel. Beter nog, het is slechts een cijfer dat Ritzen in z'n schriftje noteert. Als de overheid moet inkrimpen, op zoek is naar haar kerntaken, het profijtbeginsel invoert of bezuinigingen doorvoert, is het tegenwoordig verstandig te proberen als een kind in een groot gezin in een hoekje van de maatschappij aan haar aandacht te ontsnappen. Er is veel mis met het overheidsbeleid. Daarom is de reden van bestaan van de

beleidswetenschap onbetwistbaar en nog duidelijker de noodzaak dat veel studenten deze studierichting kiezen! Maar zou dat helpen? Hoe staat het met het leervermogen van de overheid? Heeft Ritzen nooit gehoord van dat prachtige model - voor onze studenten verplichte kost - van zijn (toen nog) Erasmus-collega prof. Snellen? Bij de vorming van beleid, zo sprak hij in zijn inaugurale rede, strijden vier rationaliteiten om de voorrang. Beleid moet uiteraard gestoeld zijn op politiek gezag en politieke macht. Maar naast deze politieke rationaliteit zijn er nog drie andere rationaliteiten: de juridische (beleid moet steunen op wetgeving, rechtszekerheid, moet volgens democratische procedures totstandkomen en er moet geen sprake van overheidswillekeur zijn), de economische (kostenbaten, lasten, sociale zekerheid) en de

wetenschappelijke (kennis, inzicht, onderzoek). Als men collectieve doeleinden wil realiseren, moeten deze vier autonome rationaliteiten coëxisteren. De beleidsmaker of politicus moet ze onderling in balans brengen, wil beleid effect hebben en de integriteit en de kwaliteit van de samenleving niet op het spel worden gezet. We zien echter dat de overheid (de econoom Ritzen) eenzijdig bezig is in het hoger onderwijsbeleid de economische rationaliteit te maximaliseren. Er is niet alleen een afweging van rationaliteiten nodig. Beleid eist ook een keuze uit verschillende, vaak tegenstrijdige, belangen, niet in het minst het belang van de staat om de financierbaarheid van het beleid te garanderen. Maar die keuze verplicht tot meer. Als Ritzen in zijn Erasmustijd meer met de bestuurskundigen koffie had gedron-

ken, dan had hij kimnen horen dat al die onderwijsinstellingen die de overheid tracht te sturen, bepaalde kenmerken hebben. Ze zijn ongelijksoortig en staan vaak met elkaar in concurrentie Ze zijn in zichzelf gesloten, want ze leiden een eigen leven en kurmen zich niet zomaar openstellen voor sturingssignalen van buiten zonder het eigen functioneren te ondergraven en er is sprake van interdependentie (onderlinge afhankelijkheid, red.), niet alleen tussen de organisaties maar ook in de wederkerige relatie tussen organisaties en overheid. Effectief sturen slaagt niet langs de hiërarchische weg, maar moet interactief gebeuren. Zie verder paginal

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van maandag 15 augustus 1994

Ad Valvas | 638 Pagina's

Ad Valvas 1994-1995 - pagina 338

Bekijk de hele uitgave van maandag 15 augustus 1994

Ad Valvas | 638 Pagina's