Ad Valvas 1994-1995 - pagina 602
AD VALVAS 15 JUNI 1995
PAGINA 8
Hoop op speciale status geesteswetenschappen Cultuur-politiek belang lijkt overheid extra geld waard Er gloort hoop voor de geesteswetenschappen. Opleidingen met een bijzondere, culturele waarde dienen hoe dan ook in stand gehouden te worden, vindt staatssecretaris Nuls. Of zij nu veel studenten trekken, of slechts een handvol. Als de schijn niet bedriegt, krijgen deze opleidingen een basissubsidie die los staat van het aantal studenten.
f;
Slechts een handjevol wetenschappers in Nederland kan spijkerschrift lezen. Als de kleine geesteswetenschappen een aparte status krijgen, zal het voortbestaan van hun discipline zeker worden gesteld. c.Keuch - AVC/VU
Pieter Evelein Verschillende commissies hebben de afgelopen jaren gewezen op de kwetsbare positie van de geesteswetenschappen, een verzamelnaam voor de letterenopleidingen, theologie en filosofie. Afgezien van een indrukwekkende stapel papier en een incidentele reddingsoperatie leverde dat echter weinig op. De situatie aan een aantal letterenfaculteiten is inmiddels dramatisch. Alleen de vu lijkt de dans te ontspringen. "Wij zijn in het verleden ontzettend netjes en zuinig geweest", verklaart decaan prof.dr H.D. Meijering. "Eigenlijk was het overdreven. Maar daar hebben we nu voordeel van." Zijn opmerking staat in schril contrast met de gevoelens van collega-bestuurders, die zich dagelijks het hoofd breken over de vraag waar nog kan worden bezuinigd. Zo moeten er bij de Universiteit van Amsterdam vijftig arbeidsplaatsen verdwijnen, en bij de Rijksuniversiteit Leiden de komende twee jaar 33. Overal moet de buikriem worden aangehaald. De problemen van de faculteiten zijn bekend: ze hebben nogal wat opleidingen in huis die nauwelijks studenten trekken. Omdat de subsidie van de overheid een sterke relatie heeft met het aantal studenten, komen zij al snel in geldnood te verkeren. Ook, omdat zij hun budget niet kuimen bijspijkeren met opdrachtonderzoek van buiten de universiteit. Deze derde geldstroom vindt 'exotische' vakken als Finoegrisch, filosofie en Afrikaanse taalkunde niet interessant. Verschillende faculteiten zochten hun toevlucht tot het 'moderniseren' van hun aanbod. Nieuwe letterenopleidingen als communicatiekxinde en Europesejstudies waren het gevolg. De studenten vlogen er op af, waarmee zij de traditionele opleidingen nog verder in het nauw brachten. Het tij lijkt echter te keren. Binnen het ministerie van onderwijs bestaan vergevorderde plannen om een aantal
geesteswetenschappen om cultuur-politieke redenen een aparte status te geven. Samengevat komt het er op neer dat de opleidingen met een bijzondere waarde voor het cultureel erfgoed een basisbekostiging krijgen. Op welke wdjze dit precies gebeurt, is nog onduidelijk. De filosofie achter deze benadering spreekt echter voor zich. De opleidingen worden verzekerd van een minimum overheidssubsidie, waarvan in elk geval voldoende hoogleraren en andere staf betaald kunnen worden om de opleiding op een aanvaardbaar niveau in stand te houden. Of de opleiding nu vijf of vijftig studenten trekken, maakt dan niet uit. Pas vanaf een bepaalde grens, bijvoorbeeld honderd studenten, geldt voor deze opleidingen weer het standaard bekostigingssysteem. Wie onder deze grens zakt, wordt gekort tot de minimumsubsidie. Dus niet, zoals nu, evenredig aan de daling van het aantal studenten.
'Kaneelnota' De eerste aanzet tot deze reddingsoperatie is gegeven door de toenmalige staatssecretaris Cohen. Hij stelde in juni 1994 de commissie Vonhoff in. De commissie moest een samenhangend rapport schrijven over de situatie van de geesteswetenschappen, met aanbevelingen voor de toekomst. Vonhoff, gepokt en gemazeld in het politieke circuit, maakte grote haast. In februari van dit jaar presenteerde de commissie reeds de nota Men weegt kaneel bij 't lood, beter bekend als 'de kaneelnota'. Dat was vijf maanden eerder dan Cohen had gevraagd. Zo bleef er ten minste nog voldoende tijd over om het rapport te "begeleiden", zoals de commissaris van de koningin in Groningen het onlangs tijdens een discussie in Utrecht uitdrukte. Dat diende op drie fronten tegelijk te gebeuren: het ministerie, de faculteiten en de Tweede Kamer.
Het ministerie moest zo snel mogelijk warm gemaakt te worden voor het advies van de commissie dat de overheid zich verantwoordelijk moet voelen voor het overleven van de traditionele geesteswetenschappen. Op dit moment wordt in Zoetermeer immers hard gewerkt aan het Hoger Onderwijs en Onderzoek Plan (Hoop), waarin de lijnen voor de toekomst worden uitgezet. De faculteiten moesten bereid zijn om de handen ineen te slaan en zich als één front tegenover de buitenwereld te presenteren.
De politiek tenslotte diende te worden overtuigd van de kaalslag die de opleidingen de laatste jaren al te verwerken hebben gekregen. De gretigheid waarmee sommige politici na de verschijning van het regeerakkoord spraken over een nieuwe taakverdelingsoperatie moest worden omgebogen in een zorg voor het cultureel erfgoed. Wat kwade tongen ook mogen beweren over slappe knieën van staatssecretaris Nuis (minister Ritzen zou in feite beslissen over de herziening van het hoger onderwijs), in dit geval heeft Nuis volgens insiders zijn volle gewicht in de schaal gelegd om zijn ambtenaren ervan te overtuigen dat er méér is dan het economisch nut van hoger onderwijs. Met succes. Er kwam een informele werkgroep met ambtenaren en mensen uit het veld, onder leiding van Nuis' voorganger Cohen, inmiddels weer rector magnificus van de Rijksuniversiteit Limburg. Deze werkgroep probeert een tekst te schrijven die liefst integraal kan worden overgenomen in het Hoop. "We vidllen de aanbevelingen uit de kaneelnota een slag concreter maken", aldus Cohen. Het eindrapport van de werkgroep gaat deze maand naar Nuis. Cohen en de zijnen willen "in elk geval een lijn uitzetten". Wegens tijdgebrek zal de werkgroep niet toekomen aan wat uiteindelijk de bedoeling is: een
leerstoelenplan voor de letterenfaculteiten, waarin voor elke universiteit per vakgebied wordt aangegeven hoeveel hoogleraren en (hoofd)docenten minimaal nodig zijn om het vakgebied op een aanvaardbaar niveau te houden. Verwacht wordt dat de lijst in het najaar klaar is. Vooralsnog is er geen sprake van een lijst voor theologie en filosofie. Dan de 'begeleiding' van de faculteiten. Zomaar om meer geld vragen is kansloos, hield Vonhoff de verzamelde letterenfaculteiten kort na de presentatie van de kaneelnota voor. Zij moesten zelf, in een leerstoelenplan, aangeven wat van essentieel belang is. En: de faculteiten moesten per se een gesloten front vormen. Ruzie zou ambtenaren en politici er makkelijk toe kunnen verlokken zonder erbarmen over hen te beslissen. De boodschap kwam duidelijk over. Iedereen roemt de eensgezindheid onder de bestuurders. "De situatie is zo ernstig dat we niet anders kurmen", verklaart prof dr. W. Zwanenburg, decaan in Utrecht en voorzitter van het Discipline Overlegorgaan Letteren en Geschiedenis (DLG).
Leerstoelenplan Stekelige reacties op de kaneelnota werden weggemasseerd. Zo waren de faculteiten in Tilburg, Rotterdam, Maastricht en Twente gepikeerd over de voorrang die de nota leek te geven aan de zes 'klassieke' faculteiten (in Leiden, Amsterdam, Groningen, Utrecht en Nijmegen). Vonhoff haastte zich te verklaren dat vanzelfsprekend niemand werd voorgetrokken. Ook stapte de commissie af van het strikte onderscheid tussen moderne, marktgerichte 's-opleidingen' en klassieke, meer op wetenschap gerichte 't-opleidingen'. De benadering is nu dat in elke studie s- en t-elementen kunnen worden onderscheiden, en dat de t-elementen aparte bescherming dienen te krijgen. De komende tijd zal het gesloten lette-
renfi-ont onder zware druk komen te staan. De faculteiten moeten immers het leerstoelenplan opstellen. Dat betekent dat zij in discussie moeten over de vraag welk vakgebied welke bescherming verdient. Drie decanen, onder wie Zwanenburg, schrijven daarvoor een voorstel. "Het leerstoelenplan vereist veel denkwerk en moed", weet Zwanenburg. Zonder plan is elke reddingspoging echter kansloos. Het laatste woord is aan de Tweede Kamer. Pas als de kamerleden instemmen met het Hoop, is de bescherming een feit. Volgens de druk lobbyende commissievoorzitter Vonhoff bestaat in de Kamer "nog steeds een tendens om opleidingen te concentreren." Zo somber als enkele maanden geleden is de situatie echter niet meer. De kamerleden beseffen nu in elk geval beter "dat er al veel kapot is gemaakt." Sommige voorstellen uit de nota maken weinig kans. Bijvoorbeeld het voorstel om een aantal opleidingen naar zes jaar te verlengen. De overheid lijkt daarvoor geen geld over te hebben. Wie meer tijd wil, zal dat moeten bevechten in de discussie over differentiatie van het hoger onderwijs. Ook een zware selectie van aspirant-studenten lijkt te veel gevraagd. De verwachting is dat Ritzen en Nuis in het Hoop zullen voorstellen om alle propaedeuses te verzwaren. De voortekenen van een aparte bekostiging zijn niet ongunstig, denkt de Utrechtse decaan Zwanenburg. Eerst was er de benoeming van een politiek zwaargewicht als Vonhoff. Daarna kwam er de "heel positieve" kaneelnota. En tenslotte, benadrukt Zwanenburg, "is de nota niet in de prullenbak verdwenen." (HOP)
* r ^ ^ ^ '
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van maandag 15 augustus 1994
Ad Valvas | 638 Pagina's