Ad Valvas 1994-1995 - pagina 514
PAGINA 6
AD VALVAS 4 MEI 1995
In de ban van Onder leiding van prof.mr J. Oranje, verzetsheld en rector magnificus van 1943-1945, werd de Vrije Universiteit kort na de bevrijding gezuiverd van 'foute' elementen. Tout' betekende soms ook 'niet goed genoeg' zoals prof.dr R.H. Woltjer ondervond. Hij mocht Oranje in september 1945 niet opvolgen als rector magnificus, zo blijkt uit niet eerder gepubliceerd materiaal uit het vu-archief. Frank van Kolfschooten
Voor het scheikundig laboratorium van de Vrije Universiteit aan de De Lairessestraat 174 verzamelden zich op zaterdagochtend 5 mei 1945 steeds meer mensen. De menigte luisterde naar de uitzending die te horen was op een radio die in een open raam stond. Het toestel werd aangedreven door een noodaggregaat, vi'ant het energiebedrijf leverde nog geen stroom. Aan het luistergenot kwam een eind toen de Sichterheitspolizei om elf uur 's ochtends de radio in beslag nam en deze afvoerde samen met een assistent van het lab. De man keerde 's middags ongedeerd terug, net op tijd om de radio-rede van minister-president P.S. Gerbrandy te horen via een ander radiotoestel, dat van zolder was gehaald. Voor de veiligheid werd dit keer geluisterd in een collegezaal in plaats van op straat. De radio's van de Vrije Universiteit zouden in mei veel publiek blijven trekken. De eerste twee weken na de bevrijdmg stelde de vu twee collegezalenopen voor het beluisteren van de uitzendingen van Radio Oranje en Herrijzend Nederland. Die zalen zaten telkens stampvol. In de maand mei kwam het leven aan de Vrije Universiteit, die sinds 1943 gesloten was geweest, langzaam weer op gang. Het bestuur van de universiteit, dat bestond uit de directeuren, de curatoren en de senaat, trof voorbereidingen om in elk geval het onderwijs te kunnen hervatten. De boeken van de bibliotheek keerden terug uit de diverse schuilplaatsen in de stad, en de schade aan de apparatuur in de laboratoria werd geïnventariseerd.
Orde op zaken Prof.dr R.H. Woltjer. Niet goed genoeg Historisch Documentatiecentrum
In de maand mei werd echter in de eerste plaats moreel orde op zaken werd gesteld. Want de bestuurders en de prominente hoogleraren van de vu hadden in de oorlog aan de goede kant gestaan en daar waren zij trots op. Op 7 mei ging een brief uit naar koningin Wilhelmina (zie kader), en op 11 mei
p.«f|r-''
Historicus prof.dr Aart Arnout van Sciielven ( 1 8 8 0 1 9 5 4 ) . Te fout Histonsch Documentatiecentrum
r•
Prof.mr I.A. Diepenhorst. Iets mis met zijn 'algemene houding' Historisch Documentatiecentrum
1945 kwamen de directeuren van de vu voor het eerst bijeen om te spreken over de zuivering van personeel en studenten. Zij bereikten snel overeenstemming over de schorsing van prof.dr Aart Arnout van Schelven (1880-1954), die sinds 1918 hoogleraar geschiedenis was aan de vu. Van Schelven was in 1933 bij een breed publiek bekend geworden door zijn biografie over Willem van Oranje. In de loop van de jaren dertig had hij sjTnpathie gekregen voor het fascisme, dat hij meer geschikt vond om Nederland te behoeden voor het communisme dan de parlementaire democratie. Op de wetenschappelijke dag van de vu kreeg Van Schelven al in 1933 in het openbaar een uitbrander over zijn ideeën van de jurist prof.mr A. Anems. Van Schelven voelde zich hierdoor zo vernederd dat hij in de volgende jaren niet meer zou verschijnen op de wetenschappelijke dagen van de vu. Kort na het uitbreken van de oorlog, in september 1940, kwam Van Schelven in aanvaring met het universiteitsbestuur, omdat hij was toegetreden tot het fascistische Nationaal Front van Arnold Meijer. Deze Arnold Meijer had het in gereformeerde kring verbruid, nadat hij in 1934 premier H. Colijn, die ook president-directeur was van de Vrije Universiteit, "de grootste huichelaar" had genoemd. Ook had het (antisemitische) weekblad van Meijer toespelingen gemaakt op een buitenechtelijke affaire van Colijn. De directeuren dreigden Van Schelven te ontslaan als hij zijn lidmaatschap van het Nationaal Front niet zou opzeggen. Na vier maanden geharrewar liet de hoogleraar weten zijn lidmaatschap te hebben beëindigd. In het geheim bleef hij echter lid, onthult de historicus P. Bak jaren later in het tijdschrift Radix.
Onrust De Duitsers dachten Van Schelven te kunnen gebruiken om grip te krijgen op de lastige vu-bestuurders. Zij schoven hem in 1941 naar voren als nieuwe rector magnificus van de vu, in plaats van de beoogde prof.mr V.H. Rutgers. De secretaris-generaal van het departement van opvoeding, wetenschap en cultuurbescherming, prof dr J. van Dam, raadde de Duitsers deze benoeming af, omdat hij vreesde dat er te veel onrust zou ontstaan binnen de universiteit. Bovendien liet Van Schelven weten geen rector te willen worden. Uiteindelijk gingen de Duitsers dan ook akkoord met de herbenoeming van Rutgers. In mei 1945 werd Van Schelven zoals gezegd direct op non-actief gesteld. Een verzoek van zijn studenten om hem onderwijs te laten geven zolang het onderzoek tegen hem niet was afgesloten, werd afgewezen. Het vu-bestuur verweet Van Schelven dat hij zich door zijn lidmaatschap achter het Duitse streven had geschaard om Nederland in het Grootduitse Rijk te doen opgaan. Ook vond het bestuur dat de opvattingen van het Nationaal Front onverenigbaar waren met "de Gereformeerde beginselen omtrent de plaats en taak van de mens en Christen in het volks- en staatsieven". Van Schelven vond de verwijten onterecht. Hij stelde dat hij weliswaar "weinig voorzichtig en onraadzaam" was opgetreden, maar niet 'fout' was geweest. Hij vond zichzelf niet 'fouter' dan de drie leiders van de Nederlandsche Unie, een niet-fascistische politieke partij die de Duitsers tijdens de bezetting hadden toegestaan, en die toenadering had gezocht tot het Nationaal Front. Aangezien een van hen, J.E. de Quay, m 1945 minister van oorlog was geworden, ging het met aan om hem
als landverrader te behandelen, zo redeneerde Van Schelven. Verder wees hij erop dat Colijn in een brochure ook een keer had geschreven dat de democratie had afgedaan. Van Schelven meende daarom recht te hebben op rehabilitatie.
Zware straf De directeuren peinsden daar niet over. Ze wilden hem ontslaan, met als enige tegemoetkoming een wachtgeld van vijf jaar. Dit was een erg zware straf, omdat het Nationaal Front na de oorlog niet op de 'Lijst Landverraderlijke Organisaties' was gezet. Dat vond ook de meerderheid van de leden van de letterenfaculteit, waaraan Van Schelven verbonden was. De directeuren bleken echter onvermurwbaar: Van Schelven werd min of meer gedwongen om zelf ontslag te nemen in mei 1946. Wel kreeg hij de financiële status van emeritus hoogleraar. In 1948 moest Van Schelven ook nog voorkomen bij een tribunaal van de bijzondere rechtspleging. Dit zuiveringsorgaan legde geen strafmaatregelen op. Van Schelven was weliswaar lid geweest van een nationaal-socialistische organisatie, maar het tribunaal vond niet dat hij zich "desbewust" had gedragen "in strijd met de belangen van het Nederlandse volk". Rector magnificus prof.mr J. Oranje speelde een cruciale rol bij de zuivering van de vu in de periode direct na de oorlog. Oranje was zo ongeveer het prototype van de 'goede' hoogleraar. Hij was voorzitter geweest van het Hoogleraren-verzet en had diverse heldhaftige reizen ondernomen om vustudenten te helpen terugkeren uit studentenkampen in Duitsland. Op 26 mei 1945 vergaderde de Senaat over de vraag wie Oranje zou opvolgen als rector magnificus. De Senaat had het oog laten vallen op prof dr R.H. Woltjer, maar Oranje bleek daartegen. "De rector merkt op dat door hem persoonlijke waardering en zakelijke bezwaren volkomen gescheiden worden gehouden. Hij acht collega Woltjer niet geschikt als rector, omdat hij zich gedurende de oorlogsjaren zeer weinig met de studenten heeft bemoeid en ook overigens weinig op de voorgrond is getreden, ondanks het feit van zijn lidmaatschap van de Eerste Kamer. Dit betreuren duizenden in den lande en ook de studenten. Uit dien hoofde acht hij collega Woltjer op dit moment niet de gewenste representant van onze universiteit", aldus de notulen van de Senaat. De stemming over de benoeming viel ondanks Oranjes bezwaar overtuigend uit in het voordeel van Woltjer.
Opvolgingskwestie
Op 2 juni 1945 vergaderden vervolgens de directeuren en curatoren in aanwezigheid van Oranje over de opvolgingskwestie. Uit de bewaard gebleven notulen is niet in detail op te maken welke discussie daar gevoerd is, en of Oranje daar een vergelijkbaar pleidooi tegen Woltjer heeft gehouden. Besloten werd in elk geval om de senaat te laten weten dat de directeuren en curatoren niet akkoord konden gaan met de benoeming. Het eerste argument dat zij daarvoor gaven is dat zij vreesden dat het rectoraat te zwaar was om te combineren met het hoogleraarschap. De twee reden luidde dat "de algemene houding door prof Woltjer in de oorlogsjaren aangenomen niet in voldoende mate in overeenstemming was met de gedragslijn welke de Vrije Universiteit en haar organen in die jaren hebben gevolgd". De senaat besprak het besluit van de directeuren drie dagen later. Senaatslid P.A. Diepenhorst (niet te verwarren
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van maandag 15 augustus 1994
Ad Valvas | 638 Pagina's