Ad Valvas 1994-1995 - pagina 446
AD VALVAS 3 0 MAART 1995
PAGINA 6
'Dit riekt naar basisvorming' Plan WRR overschat markt voor de kunstjes van de generalist Alle opleidingen moeten een driejarige basisvorming krijgen die breed opleidt, stelt de Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid. Alleen echte studiehoofden zouden daarna in aanmerking moeten komen voor een tweejarige vervolgopleiding. Rogier van der Wal, onderwijs- en studiebegeleider bij algemene letteren, voelt weinig voor het plan: "Is het zinnig om diegenen die van meet af aan al weten dat ze zich willen specialiseren, te straffen met drie jaar algemeen academisch oponthoud?"
^ -ii^, j'iiüt'ff'^v^yy
Rogier van der Wal Er was eens een koning die een nieuwe hoar zocht. Hij belde dus zijn personeelsfunctionaris en gaf haar de opdracht een selectie- en wervingsprocedure te starten. Op een zekere dag meldde zich een kandidaat via een open sollicitatie. "All right", zei de koning. "Laat hem maar komen. De kandidaat-hoiar kreeg een oproepbericht en verscheen ten paleize. Zelfverzekerd en kordaat stapte hij de troonzaal binnen langs de gehele hofhouding en liep tot vlak voor de koning. "Okay", zei deze. "Jij wilt dus mijn nieuwe hofnar worden. Laat dan maar eens wat zien. Kun je een salto maken?" "Nou nee, sire", antwoordde de sollicitant zonder te blikken of te blozen. "Vertel dan maar eens een echt leuke mop, van die lekkere smeuïge hofnarrenhumor, weet je wel." Het bleef angstig stil. "Maar wat kun je dan wel?" vroeg de koning geïrriteerd. Prompt kwam het antwoord: "Algemene academische vaardigheden, majesteit." Een onblusbaar gelach steeg op. De man werd aangenomen. Eén van de bijprodukten van de paarse revolutie die vorig jaar zomer uiteindelijk toch doorzette, was een opmerkelijk proefballonnetje, waaraan gedegen veldwerk en uitgebreid consumentenonderzoek was voorafgegaan. Niemand minder dan drs A. Nuis, onderwijsspecialist van D66 in de Tweede Kamer, had zich er door studenten van laten overtuigen dat de cursusduur aan de universiteiten best wat korter kon. En daarbij konden en wilden de onderhandelaars van PvdA, W D en D66 natuurlijk niet achterblijven. Vervolgens was de boot aan, toen het wetenschappelijk onderwijs de politici verweet de hele operatie vooral boekhoudkundig te benaderen en de veronderstelde voorstanders 'in het veld' nagenoeg onvindbaar bleken. Even snel als ze was ontbrand, luwde ook deze discussie weer.
De drie doelstellingen behelzen (a) academische vorming, (b) voorbereiding op specifieke professies waarvoor academische vorming vereist is en (c) voorbereiding op specifiek wetenschappelijke beroepen (docent, onderzoeker). Volgens de Raad is in het huidige universitaire onderwijs de academische vorming ernstig ondergesneeuwd, terwijl die in feite hoort vooraf te gaan aan de twee andere doelstellingen. Ondanks het feit dat de Raad niet geheel is gespeend van psychologisch inzicht en een verrassend realistische kijk heeft op de zaak - mentis zich bewust van het feit dat "een al te gedetailleerde blauwdruk voor het toekomstige hoger onderwijs opnieuw (sic!) tot fricties zal kunnen leiden" - filosofeert hij lustig verder, stapsgewijs. Na de tweefasenstructuur waarin de tweede fase slechts incidenteel van de grond is gekomen, krijgen we nu dan de 'een-twee-of-driefasen-structuur' waarbij ruwweg de helft van de studenten doorstroomt van fase één naar fase twee. Fase één: algemene, academische vorming voor jan en alleman op de 'academie', ook wel aan te duiden met de wonderschone term 'onderwijsschool'. Fase twee: onderzoekers in opleiding naar de 'onderzoeksschool', artsen en advocaten in opleiding naar de 'professionele school'. Fase 3: promoveren. De eerste fase gaat - jawel! - drie jaar duren en leidt op tot baccalaureus/bachelor. De tweede fase biedt een gemiddeld tweejarige topop-
voordeel om de eigenlijke studiekeus uit te kunnen stellen. Bovendien gaat het overgrote deel van de studenten na hun afstuderen toch een andere kant op. De mobiliteit op de arbeidsmarkt neemt toe, waardoor werkgevers steeds meer geïnteresseerd raken in algemene vaardigheden: sollicitanten moeten een goed verhaal kuimen houden, een helder stuk kunnen schrijven of hun talen spreken.
Strafifen
Kous Maar wie denkt dat daarmee de kous af zou zijn, weet weinig van politici. Nog geen jaar later legt de Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid (WRR) een zelf geëntameerd rapport op tafel met de intrigerende titel Hoger onderwijs in fasen. Uitgangspunt van het rapport is de discrepantie die is ontstaan tussen doelstellingen en inrichting van het universitaire onderwijs enerzijds en de veranderde eisen die de arbeidsmarkt stelt anderzijds. De grote studentenaantallen, de nog steeds toenemende internationalisering en de dynamiek van de arbeidsmarkt nopen tot een herbezinning op de logge, zeer specialistische en zelfregulerende universitaire opleidingen en structuren. Wat wil de Raad nu precies? Het rapport formuleert voor het universitaire onderwijs-nieuwe stijl (het HBO mag, omdat het beter op de tekenen des tijds heeft geanticipeerd en gereageerd, grotendeels bij het oude blijven) een drietal doelstellingen, vijf zogenaamde ontwikkelmgsprincipes en, bij wijze van voorbeeld, een concrete uitwerking van het vernieuwde stelsel van hoger onderwijs.
Tekening Bas van der Schot
leiding (bewuste ambiguïteit?), waarna een doctoraal diploma wordt verstrekt, alsmede een drs/ir/mr-titel (= master). Wie dan nog (studie)zin heeft, mag doctoreren. Met een eerste fase van drie jaar steekt de WRR behoorlijk zijn nek uit, te meer omdat recentelijk (interimrapport Commissie De Moor, eindrapport Commissie Vonhoff) een tendens ingezet lijkt te zijn terug naar de zesjarige cursusduur. Nu de echte specialisatiefase in het WRR-voorstel is losgekoppeld en verschoven en alleen nog gevolgd wordt door diegenen die zich aan de tweede fase wagen, is de cruciale vraag natuurlijk in hoeverre de waarde van, en maatschappelijke behoefte aan, een driejarige algemene academische vorming is aangetoond. Volgens prof.dr Hans Adriaansens, voorzitter van de projectgroep die het rapport heeft geschreven, is het ¥S)or studenten een
De vraag is nu of hier een taak ligt voor de hele universiteit. Ik denk dat niemand op zich het bestaansrecht van breed opgeleide generalisten wü bestrijden, net zo min als aan de behoefte aan diepgravers in de kleine ruimte getwijfeld behoeft te worden. Maar is het zinnig om diegenen die van meet af aan of voor mijn part na de propaedeuse al weten dat ze zich willen specialiseren en waarin, ook te straffen met drie jaar algemeen academisch oponthoud? Ja maar, zal de WRR zeggen, daarom hebben we nu juist geopteerd voor een propaedeuse met de keuze uit een viertal brede profielen, waarna de student voor de resterende twee jaar uit dertig mogelijkheden één hoofdvak kiest voor vijftig procent van de werktijd en de andere vijftig procent aanvult met bijvakken en colleges algemene vaardigheden. Bij deze argumentatie past een aantal kanttekeningen. Allereerst de te kiezen hoofdvakken. Voorbeelden die hierbij genoemd worden zijn biologie, letteren of geschiedenis (sic!). Wat moet ik me bij een hoofdvak letteren voorstellen? Van alle opleidingen binnen de Faculteit der Letteren - aan de verhoudingsgewijs kleine vu alleen al zestien - een beetje: een snufje Vestdijk, een toefje functionele grammatica, een dagje archeologische veldcursus en een traininkje spreken en schrijven? Welke kunstjes kan zo'n baccalaureus dan precies? Welke werkgever zit er nou op zo iemand te wachten? En mag je je dan een heuse generalist noemen? Steekt
het geheel nog steeds niet bijzonder bleekjes af tegen de klassieke homo universalis} Die illusie geven we dus op. Stel nu dat we een stapje verder gaan, en het hoofdvak letteren inperken tot 'moderne vreemde talen'. Nog steeds eigenlijk te ruim, maar vooruit. We kiezen de breedst mogelijke opzet, waarbij we ons een afzetmarkt voor 'bacs' (bacchanten) kunnen voorstellen. Hoever zijn we dan nog verwijderd van bestaande breed opgezette studies als algemene letteren, Europese studies, cultuur organisatie en management, oudheidkunde et cetera? Die studies bestaan immers al, en hebben hun bestaansrecht bewezen. Ze zijn "helemaal zo gek nog niet", zei de kamergeleerde Stol twee weken terug, en natuurlijk heeft hij gelijk. Maar het zou niet best zijn als iedereen algemene letteren ging studeren, ook wie er van droomt om germanist te worden, oi graecus, of sinoloog; als alle artsen en chirurgen in opleiding zouden moeten beginnen met drie jaar algemene geneeskunde, alle juristen drie jaar algemene rechten, alle bewegingswetenschappers....
Basisvorming De huidige situatie biedt ruimte voor generalisten èn specialisten, naast en niet na elkaar, en laten we dat vooral zo houden. Er is een nogal in het oog lopende overeenkomst tussen het WRRvoorstel en de nieuwe opzet van het voortgezet onderwijs. Adriaansens heeft zelf toegegeven dat de propaedeuseprofielen geënt zijn op de nieuwe doorstroomprofielen in de Tweede Fase van de middelbare school. Het hele academie-idee riekt naar de basisvorming. Dit, in combinatie met het uitstellen van de studiekeuze, betekent een verdere verplaatsing van het eigenlijke probleem (wat wil je worden). Aan acht jaar lagere en zes jaar middelbare school wordt nog eens drie jaar extra algemene vorming toegevoegd. Zo verlies je uiteindelijk de concurren-
tiestrijd met het HBO, dat zich op deze manier ten opzichte van de academie nog scherper als banenfabriek kan profileren. Over de behoefte op de arbeidsmarkt aan 'generalisten' van de WRRsoort ben ik niet al te optimistisch. De motivatie die Adriaansens en zijn rapport voor hun eerste fase leveren, is vooral negatief geformuleerd. Juist in een tijd waarin jonge en mobiele arbeidskrachten de norm zijn en opklimmen door bijleren binnen een en hetzelfde bedrijf de uitzondering is, zal een solliciterende academicus met een academisch denk- en werkniveau alleen, hoe waardevol ook, niet kunnen volstaan. De behoefte aan gedegen wetenschappelijke dan wel professionele vorming is volgens mij groter dan de WRR stelt. Dit vanzelfsprekend met daarin voldoende aandacht voor algemene vaardigheden. En voor die generalist die op zoek is naar de optimale, uitgebalanceerde en naar beide kanten verantwoorde mix tussen wetenschap en arbeidsmarkt (met scriptie èn stage en een breed samengesteld vakkenpakket), hebben we nu al mooie opleidingen als algemene letteren. Rogier van der Wal is medewerker van het Bureau Onderwijszaken van de letterenfaculteit en studiebegelei der algemene letteren.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van maandag 15 augustus 1994
Ad Valvas | 638 Pagina's