Geheugen van de VU cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Geheugen van de VU te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Geheugen van de VU.

Bekijk het origineel

Ad Valvas 1995-1996 - pagina 331

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Ad Valvas 1995-1996 - pagina 331

9 minuten leestijd

lUARI 1996B.nu/nvAS 25 JANUARI 1996

PAGINA 5

'Woonwagenbewoners door overheid tot aparte groep gemaakt' Proefschrift over woonwagenbewoners haalt vooroordelen onderuit alleen afstammelingen van woonwagenbewoners en hun parmers hebben het recht om in een woonwagen te wonen. Het idee is dat woonwagenbewoners een achterstand hebben die in het kamp bijgespijkerd kan worden, zodat ze weer op hetzelfde niveau komen als de burgerbevolking en weer in huizen kunnen gaan wonen. Maar weer gebeurt het tegenovergestelde. De stigmatisering versterkt het wij-zijgevoel, dat mensen extra motiveert om in een woonwagenkamp te blijven wonen."

jDe overheid heeft steeds geprobeerd {woonwagenbewoners uit hun rijdende huizen te Ijagen. Dat de bewoners zich nu als een aparte [groep profileren, is daar een reactie op, stelt {historica Annemarie Cottaar in het proefschrift, (waarop zij vrijdag 26 januari promoveert. Frieda Prurm

"Over rondtrekkende mensen hebben altijd negatieve ideeën bestaan", ontdekte historica Annemarie Cottaar tijdens haar onderzoek naar woonwagenbewoners. "Dat verklaart waarom de bewoners van de eerste woonwagens rond 1870 meteen werden gestigmatiseerd. Net als van rondtrekkende mensen in de Middeleeuwen werd van hen gezegd dat ze zich in leven hielden met bedelarij en diefstal. Dat soort negatieve beelden ontstond omdat er geen greep op hen te krijgen was Na een paar dagen waren ze immers weer verdwenen. Bovendien zi)n mensen altijd bang voor wat vreemd is. Dat was nog sterker in een ti)d dat men veel geïsoleerder leefde en er nog geen TV bestond." Toch verschilden de eerste woonwagenbewoners alleen in hun woonvorm en ambulante levenswijze van de burgerbevolkmg. In tegenstelling tot zigeuners waren zij van Nederlandse komaf. Zij trokken rond, omdat dat mogelijkheden bood om meer te verdienen. Het grootste deel van de woonwagenbewoners tot de Tweede Wereldoorlog was handelaar in bijvoorbeeld pantoffels, kunstbloemen of borstels; velen maakten en herstelden de waren die zij verkochten zelf. Anderen kwamen als kermisreiziger of seizoenarbeider aan de kost. Aanvankehjk verbleven zij 's nachts in een 'volkslogement' of boerenschuur. De aanschaf van karren, die later evolueerden tot wagens, maakte het mogelijk om rond te trekken in gezinsverband.

Ballententje Het grootste deel van de beroepen die ZIJ uitoefenden, was niet specifiek voor woonwagenbewoners; ook onder burgers kwamen veel kooplieden voor. Hun economische positie was evenmin over een kam te scheren: "Een deel van de kooplui verdiende redelijk. Nog een stapje hoger stonden sommige kermisreizigers. Voor een ballententje of schiettentje was niet veel geld nodig, maar de eigenaars van een carrousel waren bijvoorbeeld heel vermogend. Slechts een deel van de woonwagenbewoners bedelde, en voor zover ik heb kunnen nagaan, vooral om eten en nooit om geld. Daarbij moet je bedenken dat er aan het einde van de negentiende eeuw heel veel

Annemarie Cottaar: 'Als je tegen een groep maar lang genoeg zegt dat ze anders zijn, worden ze dat op een gegeven moment , vanzelf' Peter Wolters - AVC/VU

Stigmatiserend

Stoelenmatters trekken begin deze eeuw in woonwagens door Nederland Uit: Mensen van de reis, door A. Cottaar e.a

mensen bedelden. Zo vertelde een man uit een IJsselsteins arbeidersgezin dat zijn moeder wel eens uit bedelen ging om brood voor haar kinderen te kunnen kopen en dat zijn vader, als er helemaal niks te eten was, wel eens een kip ging stelen bij een boerderij." De vrij algemeen verbreide opvatting dat woonwagenbewoners een aparte ontstaansgeschiedenis hebben, haalt Cottaar in haar proefschrift onderuit. Jarenlang hebben wetenschappers fabels over de oorsprong van de woonwagenbewoners van elkaar overgeschreven, tot die bewoners daar ook zelf in gingen geloven. Cottaar besloot deze verhalen aan de hand van archiefonderzoek te verifiëren. Het bekendste afstammingsverhaal dat ze vond, is afkomstig van de Drentse volksschrijver Harm Tiesing. Hij verhaalt van twee neven, Machiel Hendriks en Machiel Wolters. Zij kwamen in de achttiende eeuw uit Westfalen naar Nederland, waar zij al rondtrekkend met kruiwagens en overnachtend in schuren scharen en messen slepen in Noord- en OostNederland. Hun vrouwen en kinderen

trokken met hen mee. Volgens de overlevering waren Hendriks en Wolters de stamvaders van een groot nageslacht, onder wie zich vele scharenslijpers bevonden. Op een gegeven moment gingen deze mensen in woonwagens wonen, aanvankelijk nog voorgetrokken door een hond.

Stamvaders "Tiesing, die dit verhaal uit de mond van een woonwagenbewoner optekende, had de bedoeling de familiegeschiedenis van de familie Hendriks en Wolters te schrijven", aldus Cottaar. "Onderzoekers hebben daarvan gemaakt dat alle woonwagenbewoners afstammen van twee scharenslijpersfamilies in Westfalen; een heel groffe simplificatie. Dat soort verhalen gaan een eigen leven leiden. Zo interviewde ik voor mijn onderzoek een mevrouw Hendriks, die mij zei: weet je van wie wij afstammen? En daar kwam het hele verhaal. Als je de achtergrond van zo'n verhaal niet kent, denk je al gauw: mooie informatie uit de eerste hand. Uit mijn onderzoek blijkt dat woonwagenbewoners niet van één familie afstammen; ze komen overal vandaan. Een klein deel heeft rondtrekkende voorouders, maar de meesten stammen af van boeren en arbeiders." "Uit onderzoek van coUega-historici blijkt dat zigeuners evenmin één volk vormen. Maar dat is een richtingenstrijd binnen de wetenschap. Er bestaat een grote behoefte aan stamvaders, want een afwijkende groep móet ergens vandaan komen. In mijn onderzoek probeer ik aan te tonen dat die afwijkendheid niet in hun genen zit, maar is opgelegd." "Het Woonwagenkwaad moet bestreden worden; moet afdoende bestreden worden," schreef een ambtenaar van het ministerie van justitie in 1919, "zóó dat we er op den duur afkomen. Hetzelfde geldt voor de woonscheepjes, hoewel daarvan niet door het publiek die last wordt ondervonden. Doch ook in die kleine, miserabele buikjes zwalkt ontoelaatbare ellende rond." Het overheidsbeleid is er altijd op gericht geweest woonwagenbewoners in huizen te laten wonen, omdat groepen die een apart beleid vergen nu eenmaal lastig zijn. Bovendien hebben woonwagenbewoners in de loop der jaren een sociale achterstand opgelopen. Dat wordt minder zichtbaar als je ze in huizen stopt. "Gemeenten dringen vanaf het

moment dat er woonwagens op de weg verschijnen, aan op een wet", vertelt Cottaar. "Hun doel is dat de woonwagens verdwijnen, want zij zijn financieel verantwoordelijk voor de bewoners van de wagens die in hun gemeente staan en ze gaan er automatisch vanuit dat deze mensen armlastig zijn. De rijksoverheid wil eerst niets weten van een wet, uitgaande van de gedachte dat iedere Nederlander het recht heeft om een verblijfplaats te kiezen waar hij wil. Maar omdat de gemeenten voortdurend pressie blijven uitoefenen, komt er in 1918 toch een woonwagenwet. Die stelt allerlei eisen aan de woonwagenbewoners: zij moeten bijvoorbeeld voldoende inkomsten hebben en hun wagens moeten aan minimale afmetingen voldoen. De gemeenten verwachten dat die eisen ertoe leiden dat de woonwagens vanzelf zullen verdwijnen, maar er komen er juist meer. De woonwagenbewoners lopen in de pas met de wet."

Vuilnisbelt Dan nemen de gemeenten hun toevlucht tot een nieuw ontmoedigingsbeleid: ze verwijzen woonwagenbewoners naar onaantrekkelijke en afgelegen plaatsen, bijvoorbeeld naast een vuilnisbelt of een kerkhof Dat leidt ertoe dat woonwagenbewoners geassocieerd worden met viezigheid. Eind jaren dertig dringt Gedeputeerde Staten van Noord-Brabant als eerste aan op de inrichting van regionale kampen. De overheid is dan nog van mening dat je mensen de vrijheid moet geven om rond te trekken. Maar onder de Duitse bezetting worden de woonwagenbewoners wel in grote verzamelkampen gestopt. "Een heleboel mensen laten dan hun wagen staan en gaan in huizen wonen", aldus Cottaar. "Dat leidt er toe dat een aantal burgemeesters na de oorlog zegt: dat was toch wel een goed idee. Laten we eens kijken of we daar op voort kunnen borduren." Zo ontstaat de Woonwagenwet van 1968, die een aantal regionale kampen instelt, compleet met eigen scholen, sociale voorzieningen en kampkerkjes, "De bedoelingen zijn goed, maar die wet heeft stigmatiserend gewerkt", meent Cottaar. "De kampen liggen geïsoleerd in tegenstelling tot de eerdere kleine kampjes in dorpen en steden. Er gaat een dreigende sfeer vanuit; geen burger die meer in zo'n kamp durft te komen. Bovendien gaat het afstammingsbeginsel gelden:

Een andere reden daarvoor is het beperkte aantal plaatsen in een kamp: de overstap naar een huis brengt het risico met zich mee je plaats in het kamp kwijt te raken. Ook trekken van kamp naar kamp wordt om die reden riskant. In de jaren zeventig maken de grote regionale kampen weer plaats voor kleine kampjes in dorpen en steden, opnieuw met als doel de integratie te bevorderen. "Het huidige beleid is erop gericht zoveel mogehjk aparte regelingen voor woonwagenbewoners af te schaffen. Dat vind ik wel een goede zaak, want aparte wetgeving voor bepaalde groepen kan enorm stigmatiserend werken", meent Cottaar, "maar omdat dat beleid zo lang is gevoerd en de groep inmiddels zo apart staat, is het tegelijkertijd heel gevaarlijk om daar van de ene op de andere dag vanaf te stappen. Zo vind ik het op zich goed om het afstammingsbeginsel af te schaffen, want jij en ik hebben ook het recht om in een woonwagen te gaan wonen, maar woonwagenbewoners vrezen dan een toeloop van mensen die ze liever niet in hun kampen hebben en een bedreiging van de beperkte plaatsen voor hun kinderen. Die vrees is, denk ik, terecht." Cottaar deed voor haar onderzoek niet alleen archiefonderzoek, maar hield ook interviews met een groot aantal woonwagenbewoners. Die kwam ze onder meer op het spoor door het plaatsen van foto's in het blad Woonwagennieuws met daarbij een oproep aan woonwagenbewoners te Teageren als ze mensen op de foto herkenden. "Ik had bijvoorbeeld een foto gevonden van een prachtig woonwageninterieur. Daarop kreeg ik een reactie van een borstelmaker, meneer Veenstra. Hij had helemaal geen foto's van zijn ouders en zag hen ineens in Woonwagennieuws staan. Hij wees me op details op de foto, zoals een grote ring met borstels aan het plafond. Dat is een zijlijn van mijn onderzoek geworden: zorgen dat een deel van de geschiedenis van woonwagenbewoners weer aan hen wordt teruggegeven. Om die reden heb ik vorig jaar ook, met twee collega's, een fotoboek gepubliceerd en twee tentoonstellingen georganiseerd. Foto's zijn veel toegankelijker voor woonwagenbewoners dan een proefschrift, want onder hen bestaat absoluut geen leescultuur." Wat is Cottaars indruk na zeven jaar onderzoek: zijn woonwagenbewoners een speciaal slag mensen of niet? "Een hoop van de beelden die buitenlanders over Nederlanders hebben, leven ook bij woonwagenbewoners", draait ze de vraag om. "Zij zeggen: bij ons kun je altijd binnenlopen, jullie hebben de deuren op slot; echtscheidingen en incest komen bij ons nauwelijks voor; wij zorgen voor onze oudere mensen, jullie stoppen ze in bejaardentehuizen. Dan zeg ik wel eens: mijn moeder van 82 woont tegenover mij; als zij zorg nodig heeft, zorg ik voor haar. Is dat zo anders dan bij jullie? Maar het is natuurlijk niet zozeer dat zij zo anders zijn, maar dat ze zich anders profileren om te benadrukken dat ze een aparte groep zijn. Als je tegen een groep maar lang genoeg zegt dat ze anders zijn, worden ze dat op een gegeven moment vanzelf." Annemarie Cottaar Kooplui, kermisklanten en andere woonwagenbewoners groepsvorming en beleid 1870 -1945, uitg Het Spinhuis, Amsterdam, 1995

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 24 augustus 1995

Ad Valvas | 674 Pagina's

Ad Valvas 1995-1996 - pagina 331

Bekijk de hele uitgave van donderdag 24 augustus 1995

Ad Valvas | 674 Pagina's