Geheugen van de VU cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Geheugen van de VU te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Geheugen van de VU.

Bekijk het origineel

Ad Valvas 1995-1996 - pagina 617

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Ad Valvas 1995-1996 - pagina 617

10 minuten leestijd

ADVALVAS 6 JUNI 1996

PAGINA 7

Bijzonder hoogleraar: plaag of zegen? Vrije Universiteit kent al 121 bijzondere leerstoelen Een wetenschappelijk extraatje of een pr-middel? In de universitaire wereld zijn de meningen over de waarde van bijzonder hoogleraren verdeeld. Willem Koops, hoogleraar kinder- en jeugdpsychologie aan de VU, "ergert zich dood" aan de wijze waarop met de bijzondere leerstoelen wordt omgesprongen en gooit de knuppel in het hoenderhok: "Er zijn er te veel en ik vind dat het gemak waarmee ze benoemd worden soms te groot is." Caroline Buddingh' Laatst vertelde een collega-hoogleraar aan Willem Koops, hoogleraar kinderen jeugdpsychologie, dat binnen zijn vakgroep een bijzonder hoogleraar was benoemd. Wetenschappelijk stelde deze man weliswaar niet zo veel voor, maar hij kon de studenten zulke interessante stageplaatsen aanbieden. En dat was toch wel heel handig. "Kijk, dit vind ik nu een verkeerd motief om iemand tot bijzonder hoogleraar te benoemen. En ik zie om me heen meer gevallen waar deze reden of andere niet-wetenschappelijke argumenten de belangrijkste lijken te zijn", verzucht Koops. Hij zou dit soort benoemingen binnen de vu ter discussie kunnen stellen, aangezien hij als lid van de Commissie Bijzondere Leerstoelen een advies moet uitbrengen over de instelling van de bijzondere leerstoel en over de persoon die is voorgedragen deze leerstoel te bezetten. "Wij doen ons best en wegen zorgvuldig het curriculum van een kandidaat en luisteren goed naar de overwegingen van een betrokken faculteit. Mijn kritiek treft overigens niet zozeer het beleid van de vu, alswel dat van sommige andere instellingen." Volgens de hoogleraar wordt het bijzonder hoogleraarschap in toenemende mate getsruikt om interessante persoonlijkheden tot hoogleraar te kunnen maken: mensen die een bekende naam hebben, maar niet voldoen aan wetenschappelijke eisen. "Een kras voorbeeld is natuurlijk oud-premier Lubbers. Zonder zijn naam en netwerk had hij nooit de wetenschappehjke top bereikt." Naast het feit dat Koops het vermoeden heeft dat bij dit soort benoemingen vooral pr-motieven een rol spelen, behartigen deze bijzonder hoogleraren volgens hem niet de wetenschappelijke belangen van de universiteit. Uitgerekend zij krijgen bijvoorbeeld veel aandacht van de media en doen allerlei uitspraken die niet wetenschappelijk onderbouwd kurmen worden. "Als dan hun naam in beeld komt, staat daar de professorstitel voor, terwijl ze vooral hun eigen visie ventileren. Dat irriteert mij, dat doet veel schade aan ons bedrijf."

nauwelijks geld kost. Ik ben echter van mening dat de universitaire wereld met deze bezuinigingsoplossingen niet gediend is. Want je ziet bij bepaalde faculteiten dat imiversitair hoofddocenten die professorabel zijn, genoegen moeten nemen met een bijzondere leerstoel aan een andere imiversiteit of - ofschoon we daar bij de vu terughoudend in zijn - zelfs aan de eigen universiteit. En hoewel bij deze docenten natuurlijk de voorkeur uitgaat naar een voltijds leerstoel, willen ze graag deze leerstoel bezetten. Op die manier verkrijgen zij namelijk het promotierecht en kunnen ze de professorstitel voeren. IJdelheid zal een rol spelen. Maar de bijzondere leerstoelen zijn natuurlijk niet bedoeld om professorabele wetenschappers te 'parkeren'." "Aan de andere kant zie je dat veel bollebozen uit het bedrijfsleven en instellingen op deze manier hun eigen werk kunnen aanhouden, daarbij vaak een hoog salaris verdienen en ook nog eens de professortitel kunnen voeren, terwijl ze vaak maar een dag in de week hebben om wetenschap te bedrijven. Deze mensen zijn mijns inziens te weinig betrokken bij het universitair bedrijf om de wetenschap goed te kunnen dienen." Toch vindt Koops dat de bijzondere leerstoel wel moet blijven, maar dan

Einstein Het fenomeen bijzonder hoogleraar bestaat al een tijd. Aan het begin van deze eeuw bezette Albert Einstein als een van de eersten een bijzondere leerstoel aan de Rijksuniversiteit Leiden. In vergelijking met andere universiteiten heeft het vu-beleid lange tijd achtergelopen. Pas in 1978 werd aan de vu de eerste bijzonder hoogleraar, prof.dr M.J. van der Wiel, aangesteld voor de leerstoel atoom- en molecuulfysica bij de faculteit natuuren sterrenkunde. Maar eind jaren tachtig is aan de vu een inhaalslag gemaakt. Inmiddels zijn er 121 bijzondere leerstoelen ingesteld en dat is volgens ingewijden wel zo'n beetje de top. Oorspronkelijk was de bijzondere leerstoel bedoeld voor vakgebieden die mogelijk in aanmerking kwamen voor de instelling van een gewone leerstoel, en voor onderzoeksgebieden waarvan vooraf duidelijk was dat ze slechts tijdelijk interessant zouden zijn voor een leerstoel. Bovendien zou het faculteiten de gelegenheid bieden deskundigen van buiten de universiteit aan te trekken die in de maatschappij een voor dat vakgebied interessante functie uitoefenen. Koops meent echter dat van begin af aan in veel gevallen financiële motieven een rol hebben gespeeld. "Halverwege de jaren tachtig kregen we de ene bezuinigingsslag na de andere. De bijzondere leerstoel kwam dus goed uit, aangezien deze de universiteit

lllustratie: Bas van der Schot

alleen voor diegenen die weliswaar wetenschappelijk briljant zijn, maar bijvoorbeeld te onpraktisch in het leven staan om een vakgroep te leiden, of wat soms voorkomt: voor iemand die buiten de universiteit geweldige onderzoeksfaciliteiten heeft en van daaruit wetenschappelijk iets belangwekkends toevoegt. Dan heeft zo'n leerstoel daadwerkelijk een waarde." Binnen de vu stuit Koops' visie op veel weerstand. Met name in de faculteiten waar relatief veel bijzonder hoogleraren zijn aangesteld, zoals bij Scheiktmde, Geneeskunde en Godgeleerdheid, wordt Koops verweten geen kennis van zaken te hebben. "Ik ben het er volstrekt mee oneens dat een bijzonder hoogleraar die de meeste dagen van de week binnen een bedrijf of instelling werkzaam is, niet een goed wetenschapper zou kunnen zijn", ageert prof.dr. H. Timmerman, die de 'gewone' leerstoel farmacochemie bezet bij Scheikunde. "Wij hebben hier een aantal bijzonder hoogleraren rondlopen en geen van allen is wetenschappelijke ondeskundigheid te verwijten." Volgens Timmerman is het voor zijn faculteit juist gunstig dat een aantal bijzonder hoogleraren werkzaam is binnen semi-overheidsorganisaties en het bedrijfsleven, aangezien farmaceutisch onderzoek zeer complex is. "Universiteit, bedrijfsleven en instellingen moeten daarom wel de krachten bundelen, gescheiden onderzoek zal nauwelijks meer tot interessante resultaten leiden. Doordat in onze faculteit verschillende bedrijven en instellingen vertegenwoordigd zijn, hebben we makkelijker contact en kunnen we dus beter samenwerken." De hoogleraar farmacochemie geeft aan dat er sprake is van een wisselwerking. "Wij maken gebruik van

de faciliteiten biimen industrieën en zijn erbij gebaat dat studenten makkelijker toegang hebben tot een instelling. Bovendien doet deze persoon voor ons onderzoek, geeft hij college en begeleidt hij promovendi. Aan de andere kant is er hoogwaardige expertise op de universiteit aanwezig, die voor een bedrijf of instelling weer van betekenis kan zijn. Natuurlijk realiseer ik me wel dat bij industrieën en instellingen gewerkt wordt vanuit een commerciële gedachte en dat de continuïteit van het bedrijf moet worden gewaarborgd. Maar zolang we die belangen goed gescheiden houden van onze eigen doelstellingen, dreigt niet

'Er is sprake van een continue kennisoverdrach t. Dat kan toch alleen maar goed zijn?' het gevaar dat de wetenschap afhankelijk wordt." Ook prof.dr R.H. Rozendal, decaan bij Bewegingswetenschappen en voorzitter van de commissie Bijzonder hoogleraren, is van mening dat het juist een goede zaak is dat via de bijzonder hoogleraren deskundigen van buiten de universiteit een onderzoeksplaats hebben. "Wat is er erg aan om excellente onderzoekers van buiten de universiteit een professortitel te geven? Die mensen hebben toch hun sporen verdiend? Als zij bovendien nog in staat zijn om goed college te geven, promovendi te begeleiden en de vakgroep van kermis te voorzien, dan ont-

vangen zij die titel terecht. Dat was ook een van de doelstellingen en ik zie hier veel goede voorbeelden van. Geneeskunde heeft bijvoorbeeld de relaties die zij al had met het Antoni van Leeuwenhoek Huis kunnen verstevigen door een aantal topfunctionarissen een bijzondere leerstoel aan te bieden. Zij halen hun waarde voor de faculteit uit een combinatie van wetenschappelijke kwaliteit en de praktische plaats waar ze werken."

Voordelen Een voorbeeld hiervan is bijzonder hoogleraar prof dr A.M. Kruisbeek. Sinds 1992 is zij bijzonder hoogleraar bij de vakgroep celbiologie en onderzoekster bij het Nederlands Kanker Instituut. "Ik begrijp de kritiek niet", zegt ze. "Universiteiten kampen nu eenmaal met financiële problemen. Ze hebben niet veel banen te vergeven. En op deze manier kunnen ze toch gebruik maken van expertise en infrastructuur van mensen die buiten de universiteit werkzaam zijn. Wat kun je daar op tegen hebben? Voor dit vakgebied is deze extra deskundigheid echt van essentieel belang." Kruisbeek ziet dan ook vooral de voordelen: "Het werkt drempelverlagend, vu-medewerkers lopen hier makkelijk binnen. Aio's komen hier regelmatig experimenten doen. Ik geef studenten de mogelijkheid stage te doen binnen het Antoni van Leeuwenhoek Huis en ik woon werkbesprekingen van de vakgroep bij. Er is dus sprake van een continue kermisoverdracht. Dat kan toch alleen maar goed zijn?" Kruisbeek wil wel toegeven dat het voeren van de professorstitel een mooie compensatie is voor alle inspanningen. "Ja, daar wordt waarde aan gehecht. Het is een soort van stempel. Bovendien kan ik nu aio's bij mij laten promoveren. Maar om nu te zeggen dat je het daar voor doet? Nee, dat gaat me te ver. Het is een mooie bijkomstigheid." Dat vindt ook prof.dr I.N. Wolffers, die de bijzondere leerstoel Gezondheidszorg in ontwikkelingslanden bezet. "Natuurlijk vind ik het leuk om professor te zijn, dat streelt mijn ego en bovendien geeft het status. Maar om het daar nu voor te doen? Nee. Daarvoor moet je als bijzonder hoogleraar te veel werk verzetten. Juist omdat je officieel maar een dag in de week werkt aan de universiteit, is het hard aanpoten. In de praktijk steek ik er ook meer uren in, want ik neem mijn leerstoel zeer serieus. Maar ik heb buiten de universiteit ook nog werk dat ik interessant vind. En mijn situatie is zo dat ik niet hoef te kiezen." "Ik denk dat de critici niet kunnen accepteren dat er veranderingen plaatsvinden op de universiteit. Het hoogleraarschap zal in de toekomst een andere vorm en inhoud hebben. Wetenschappers die professorabel zijn, hoeven nu niet meer alleen op de universiteit te werken, maar kunnen banen combineren. Diegenen die niet in die luxe positie verkeren, worden waarschijnlijk jaloers. Je kunt je ook afvragen of het kneusjes zijn die alleen een functie uitoefenen op de universiteit en daarbuiten niet kunnen concurreren. Het is misschien cynisch, maar de wereld zit nu eenmaal zo in elkaar. Dit soort instituten kunnen niet eeuwig beschermd blijven. Ik verwacht dan ook dat de waarde van bijzonder hoogleraren voor de universiteit alleen maar gaat toenemen, aangezien veel echte deskundigen zich niet meer alleen in die ivoren toren zullen laten opsluiten." Terug naar Koops, want hij wil graag reageren op de kritiek: "De veranderingen op de universiteit moeten volgens mij vooral niet worden gestimuleerd door het aanstellen van het type hoogleraar dat hier wordt geschetst. In de universiteit dient een sfeer te zijn waarbinnen men zich aan wetenschap en cultuur wijdt, met een minimum aan maatschappelijke besognes. Concurrentie dient zich in de universiteit te beperken tot sterke en zwakke argumenten en sterke en zwakke wetenschappelijke gegevens. Nee, het soort concurrentie dat professor Wolffers voorstelt, is hier dus absoluut ongewenst."

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 24 augustus 1995

Ad Valvas | 674 Pagina's

Ad Valvas 1995-1996 - pagina 617

Bekijk de hele uitgave van donderdag 24 augustus 1995

Ad Valvas | 674 Pagina's