Ad Valvas 1995-1996 - pagina 117
AD VALVAS 5 OKTOBER 1995
PAGINA 9
Identiteitsvraag leeft als nooit tevoren' Hoogleraar ethiek richt zich op ethische vragen in zwakzinnigenzorg Hulpverleners in de zwakzinnigenzorg moeten zich meer vragen stellen naar het waarom van hun keuzes: waarom werken ze met verstandelijk gehandicapten? Wat willen ze met hun werk bereiken? Dat vindt hoogleraar ethiek prof.dr J.S. Reinders. Sinds 1 september bekleedt hij de Willem van den Berghleerstoel, ingesteld ter bestudering van de "normatieve grondslagen van de zorg aan mensen met een verstandelijke handicap". Frieda Pruim
Hulpverleners hebben zeer relevante vragen aan de ethiek, ontdekte hoogleraar ethiek prof.dr J.S. Reinders toen hij zich enkele jaren geleden ging verdiepen in de zwakzinnigenzorg. Als verpleegkundigen bijvoorbeeld te maken hebben met een agressieve patiënt, zien ze zich gedwongen om hem in een isoleercel te plaatsen. Dat is echter in strijd met de wet, die bepaalt dat je mensen niet tegen hun wil aan medische behandelingen mag onderwerpen. "De wet gaat er vanuit dat de hulpverlener en de patiënt gelijkwaardige burgers zijn", legt Reinders uit. "Zij zijn contractanten, waarbij het gegeven dat de een ziek is en de ander kan helpen, van secundair belang is. Maar het probleem met verstandelijk gehandicapten is, dat ze sturing nodig hebben. Zij staan niet in een gelijkwaardige relatie tot hun hulpverlener, al gaat de wet daar wel vanuit." Reinders, die vorig jaar benoemd werd tot hoogleraar ethiek, bekleedt sinds 1 september de Willem van den Berghleerstoel. Die is ingesteld met financiële steun van de Vereniging 's Heeren Loo, waarin een aantal instellingen voor zorg aan verstandelijk gehandicapten samenwerken. De vereniging bekostigt een parttime wetenschappelijk medewerker die de hoogleraar op het terrein van ethiek en zwakzinnigenzorg assisteert; in ruil daarvoor dient Reinders de vereniging van advies.
Consensus Reinders' kritiek op veel regelgeving op het gebied van medische ethiek is, dat deze regels de morele oordeelsvorming veel simpeler voorstellen dan die in werkelijkheid is. Dat komt omdat deze regels tot stand zijn gekomen door in de discussie erover levensbeschouwelijke vragen buiten beschouwing te laten. Over zingeving denken mensen immers zo verschillend dat daarover geen consensus mogelijk is, zo is de
achterliggende gedachte. Maar volgens Reinders kruipt het bloed waar het niet gaan kan. "Bijvoorbeeld abortus is in een aantal westerse democratieën bij wet geregeld, maar de discussie erover woedt tot op de dag van vandaag. Zo denken we ook euthanasie hanteerbaar te hebben gemaakt door die te definiëren als 'levensbeëindiging op uitdrukkelijk verzoek' en onder bepaalde voorwaarden te aanvaarden. Maar zodra het gaat om ongeboren leven, mensen met een verstandelijke handicap, psychiatrische of dementerende patiënten, dan werkt deze liberale regelgeving niet. Die mensen kunnen immers niet voor zichzelf beslissen." Dat anderen zich in zo iemand zouden kurmen verplaatsen, gelooft Reinders niet. "Want als ik in de schoenen van een verstandelijk gehandicapte stap, gebeurt er niets anders dan dat ik mijn opvattingen over de uiteindelijke zin van het leven op hem projecteer. Dat is legitiem, maar dan moet ik niet zeggen dat hij hetzelfde zou hebben besloten, want dat kan ik niet weten."
Blindstaren Over deze dilemma's schreef Reinders het afgelopen jaar tijdens een verlofjaar in de Verenigde Staten een boek, waaraan hij nog de laatste hand moet leggen. Oplossingen heeft hij niet te bieden. "Wat ik alleen maar wil zeggen, is dat de gezondheidszorg zich niet moet blindstaren op wat er allemaal in Den Haag wordt beslist. Het is veel interessanter om te kijken in hoeverre de identiteit van bijvoorbeeld een huis voor verstandelijk gehandicapten een rol speelt bij het maken van ethische keuzes: hoe bepaalt iemands levensbeschouwelijke identiteit de manier waarop hij onderlinge relaties waarneemt, de manier waarop hij tegen patiënten aankijkt? Dat heeft weinig te maken met politieke vraagstukken die een juridische oplossing behoeven." "Ik heb er moeite mee als hulpverleners op gedragsproblemen reageren op basis van een aantal afspraken, zo van: als we
Prof. J.S. Reinders: 'Je kunt hier discussiëren over liet milieu of over vluchtelingen zonder dat je wereldbeeld ter sprake komt. In de VS is dat onmogelijk' Peter Wolters - AVCAU
ons hier aan houden, zijn we ethisch verantwoord bezig. Dan laat je mensen over moraal nadenken via externe regels. Ik pleit ervoor dat hulpverleners zichzelf fundamentele vragen stellen zoals: waarom zit ik hier? Waarom zorg ik voor deze lui? Waar ben ik op uit? Wat is mijn professionele ideaal?" "Ik probeer dus het brandpunt van ethiekbeoefening te verschuiven van externe regulering naar de identiteitsvraag. Wetten bepalen wat aanvaardbaar is, maar stellen niet de vraag 'wat is goed om te doen'. Die vraag is bitmen de hulpverlening juist zeer relevant. De wetenschappelijke discipline die zich met verstandelijk gehandicapten bezighoudt, heet orthopedagogiek. Ortho komt van het Griekse woord voor 'recht' of 'juist'. Maar wat is dat in vredesnaam? Waar moet het met die mensen heen? Zonder de vraag naar wat goed is, kom je in deze hele sector nergens." Reinders ontdekte dat hulpverleners heel enthousiast op dit soort ideeën reageren. "Ik daag hen uit om na te denken over wat ze aan het doen zijn en waarom ze dit werk überhaupt zijn gaan doen. Maar instellingsdirecteuren, die veel te maken hebben met externe regulering, worden een beetje zenuwachtig. Die denken: wat moet ik hiermee? Kan dit ook in een beleidsplan? Nou nee, niet zo gemakkeUjk. Dat is een probleem." Geen van de artsen die Reinders tijdens zijn verblijf in de vs sprak, kwam aan
het realiseren van zijn beroepsidealen toe. '"We zijn functionaris', zeiden zé. 'We worden door juridische regelgeving geleid.'"
Anoniem De hoogleraar wil voorkomen dat hij, door de identiteitsvraag in de hulpverlening centraal te stellen, de vervreemding van hulpverleners ten aanzien van hun werk vergroot. "Zij zouden kunnen concluderen dat ze, willen ze trouw blijven aan hun professionele ideaal, met dit werk moeten kappen. Daar heeft niematid wat aan. Daarom zouden instellingen hun werknemers ruimte moeten bieden voor een gesprek over hun werkervaringen. Soms is het mogehjk om op basis van deze ervaringen veranderingen door te voeren, zonder dat deze in strijd zijn met de bestaande regelgeving. Bijvoorbeeld de actuele discussie over de instelling van een individueel zorgplan biedt de mogelijkheid om je af te vragen wat het beste bij ieder individu past." Tegelijkertijd constateerde Reinders dat Amerikaanse artsen op een medisch congres vragen stelden vanuit hun eigen traditie. "Dat vond ik een nuttige confrontatie. Wat zijn mijn uitgangspunten eigenlijk, vroeg ik me af. Wat wil ik met mijn vak in het licht van mijn eigen traditie? Dat waren verfrissende vragen. In Nederland gedragen wij ons sinds de ontzuiling in levensbeschouwelijk opzicht behoorlijk
anoniem. Je kunt hier discussiëren over het milieu of over vluchtelingen zonder dat je wereldbeeld ter sprake komt. In de VS is dat onmogelijk. Daar bestaan nog veel meer traditionele gemeenschappen met een levensbeschouwelijke of culturele identiteit." "Amerikanen hebben een groot wijbesef. Wat dat betreft zijn wi) veel grotere individualisten dan zij. Dat is een reactie op de tijd van de verzuiling, toen de autoriteiten binnen je zuil nog volkomen je visie bepaalden. Vooral mensen van mijn generatie, de spraakmakende elite van de afgelopen twintig jaar, zetten zich daar tegen af. Jongeren hebben veel minder behoefte om tegen hun godsdienstige traditie aan te schoppen, omdat zij niet meer te maken hebben gehad met autoriteiten aan wie ze moesten gehoorzamen. Dat betekent dat identiteitsvragen nu weer gemakkelijker gesteld kunnen worden. Jongere mensen staan daar veel opener voor. Ze moeten weliswaar weinig hebben van de gevestigde theologie of kerken, maar dat is slechts een vormkwestie. De vragen waar het om gaat - wat wil ik met m'n bestaan? Wat moet ik met deze wereld? - leven als nooit tevoren."
*Te weinig gericht op de praktijk' Terwijl politici roepen om stelselherziening en studeerbaarheid, roemen universiteiten de kwaliteit van het eigen onderwijs. Maar wat vinden studenten nu eigenlijk zélf van hun studie? In deze serie leggen recent afgestudeerden hun studie op de weegschaal. Deze week: drs Heleen Smit (49) over de deeltijdopleiding vrouw en beleid, nu 'beleid, cultuur en seksevraagstukken'. Frieda Pruim
"Mijn belangrijkste drijfveer om vrouwenstudies te gaan doen, was niet het verhogen van mijn kansen op de arbeidsmarkt. Het was vooral dat ik altijd al had willen studeren. In de jaren zeventig deed ik buurt- en opbouwwerk, waarbij ik vooral geïnteresseerd was in vrouwenemancipatie. Dat had te maken met mijn eigen achtergrond: Ik kwam uit een arbeidersmilieu. Daar lag verder studeren niet voor de hand. Ik trouwde, kreeg kinderen en zat thuis, omdat er nog nauwelijks mogelijkheden tot kinderopvang waren. 'Dit kan nooit de bedoeling van mijn leven zijn', dacht ik. Daarom ben ik op zoek gegaan naar een combinatie van werk en huishouden, eerst in het peuterspeelzaalwerk. Tegelijkertijd volgde ik een opleiding aan de sociale academie. Later vond ik een baan in de volwasseneneducatie. Toen dat werk in 1990 wat minder intensief werd, kreeg
Heleen Smit over haar opleiding: 'Los zand was troef'
ik tijd om een universitaire opleiding te gaan doen.
Bram de Hollander
KLAAR
We begonnen met 34 mensen. Na een jaar was ruim een kwart afgehaakt. En toen ik drie jaar later aan mijn scriptie begon, waren er pas vijf afgestudeerd. Veel vakken vertoonden weinig onderlinge samenhang en ook de link met de praktijk was vaak ver te zoeken. Los zand was troef. De meeste deeltijdstudenten werken naast hun studie. Als zij geen verband zien tussen hun studie en hun baan, is het geen wonder dat ze afhaken. Voor een deel
zou die link met de praktijk kunnen worden gelegd door meer voor werkstukken en referaten als toetsvorm te kiezen in plaats van tentamens. Voor mij sloot de studie wel goed aan bij mijn werk. Op dit moment ben ik een adviesbureau voor werving, selectie en loopbaanbegeleiding aan het opbouwen. Daarbij heb ik veel aan mijn keuzevakken organisatiekunde en managementtechnieken. En als ik voor inleidingen over de positie van vrouwen op de arbeidsmarkt wordt gevraagd, kan ik veel van de kennis gebruiken die ik heb opgedaan bij bijvoorbeeld
feministische theorievorming, geschiedenis van de vrouwenbeweging en antropologie. Als iemand een vak wil leren en aan de slag wil, is het de vraag of vrouwenstudies de juiste weg is. Wie honger heeft naar kennis, kan ik zeker aanraden om deze studie te gaan doen. Maar ik zou wel willen waarschuwen voor een aantal dieptepunten. Ik had die tijdens het schrijven van mijn scriptie. Dat is zo'n individueel proces. Ik heb me vaak afgevraagd waarom ik zo'n geweldige inspanning moest
leveren naast mijn werk en al mijn andere activiteiten. Maar achteraf zie ik er wel degelijk het nut van in. Ik heb ook overwogen om aan.de Open Universiteit te gaan studeren. Die biedt ook een goed programma, maar daar werken ze veel individueler en hebben ze geen deadlines, waardoor er veel meer van je zelfdiscipline wordt gevraagd. Ik heb wel behoefte aan een duidelijke lijn. Daarom ben ik heel tevreden dat ik mijn studie aan de vt; heb gedaan."
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 24 augustus 1995
Ad Valvas | 674 Pagina's