Ad Valvas 1995-1996 - pagina 634
AD VALVAS 13 JUNI 1996
PAGINA 8
AD^
Wie hokt me Clustering van faculteiten stuit op ] er
B
linnen tien jaar moet het aantal faculteiten op de VU worden teruggeschroefd van vijftien naar acht. Dat stelde het college van bestuur ruim een jaar geleden. Het voornemen sloeg hard in. En een jaar later zijn er nog steeds felle tegenstanders. Tegelijkertijd staan steeds meer faculteiten open voor clustering. De vraag is alleen: wie hokt met wie? Martine Zuidweg Peter Boerman
M
et het aantal van vijftien faculteiten dat de vu momenteel telt, is de universiteit koploper in Nederland. De Utrechtse universiteit, een van 's lands grootste, telt er bijvoorbeeld maar veertien. Ook de UVA, de andere reus, heeft er veertien, maar de Amsterdammers zijn nu hard bezig dat aantal terug te brengen tot twaalf. Groningen doet het met slechts tien faculteiten, Nijmegen met negen en Leiden met acht. De kleinere universiteiten van Rotterdam, Maastricht en Tilburg hebben genoeg aan respectievelijk zeven, zes en vijf faculteiten. Het college van bestuur is weinig verheugd met die koppositie van de vu. Uitermate inefficiënt, zo oordeelde men vorig jaar in een notitie die als discussiestuk werd geschreven voor de huidige faculteiten. Ook zouden de faculteiten onvoldoende weerbaar zijn als er door de verwachte terugloop van studenten financieel zware tijden f aanbreken. Het aantal faculteiten kon beter terug worden gebracht naar acht, aldus het college. Over de manier waarop dat het beste kan gebeuren, gooide het college meteen een balletje op. Zo zouden de drie faculteiten bovenin het hoofdgebouw - Letteren, Theologie en Filosofie - volgens het college makkelijk samen kunnen gaan in een cluster Humanoria. De drie zitten qua locatie dicht bij elkaar en hebben bovendien inhoudelijk vrij grote raakvlakken. Ook het Bezinningscentrum, nu nog een centrale dienst van de vu, zou in dit cluster een plaats kunnen vinden. Een ander voor de hand liggend cluster
betreft de bèta's: volgens het college gedefinieerd als Scheikunde, Natuur- en Sterrenkunde en Biologie. Ook het Radio Nucliden Centrum, nu nog een centrale dienst bij de vu, zou bij de bèta's in te passen zijn. Eventueel zou Wiskunde nog bij de bèta's kunnen worden ondergebracht, maar die faculteit mocht van het college ook het gesprek aangaan met Economie. De wiskundigen werken nu al veel samen met de economen bij de opleiding Econometrie. Het derde cluster zou mens- en maatschappijwetenschappen gaan heten en de faculteiten SociaalCidturele Wetenschappen, Psychologie en Pedagogiek en Bewegingswetenschappen moeten bevatten. Met een totaal van (op dit moment) meer dan drieduizend studenten zou dit cluster, net als het cluster Economie en Wiskunde, meteen tot de grootste faculteiten behoren. Acta en Aardwetenschappen, die net als Geneeskunde en Rechten van het college niet naar clusterpartners op zoek hoefden te gaan, zouden de kleinere faculteiten worden, met allebei momenteel maar zo'n driehonderd studenten. De overige vier (geclusterde) faculteiten zouden allemaal op een studentental tussen de duizend en tweeduizend uitkomen. en veel evenrediger universiteit derhalve, zo oordeelde het E college: de echte kleintjes verdwijnen en de echte grote faculteiten overheersen minder. Toch voorzagen de bestuurders direct de problemen die het voornemen met zich mee zou brengen. De
nota van een jaar geleden repte al over 'betrekkelijk weinig draagvlak voor enige verandering'. Het college vermoedde dat de faculteiten de voorgestelde veranderingen niet allemaal even nodig zouden vinden. In die vrees werden ze van meet af aan bevestigd. Meteen na de lancering van het collegeplan klommen de tegenstanders op de barricades. De identiteit van de opleidingen zou in gevaar komen, zo luidde de kritiek, en dat zou voor de studenteninstroom funest zijn. De wetenschapsgebieden zouden bovendien te ver uit elkaar liggen. En: wat is er tegen kleine eenheden? Of, zoals het college van decanen in het najaar van '95 schreef: "Willen facidteiten, wU de universiteit overleven, dan ligt herkenbaarheid en profilering tneer voor de hand dan clustering. Versterking zou eerder gevonden moeten worden in samenwerking van herkenbare eenheden dan in samenvoeging van die eenheden." Momenteel liggen de kaarten iets anders. Nog steeds zijn er faculteiten mordicus tegen clustering, maar er zijn er ook die voordelen zien in een fiisie of in een verregaande samenwerking. Maar wie met wie is een probleem. De een die wil de ander en die ander wil de ene niet. De puzzel is daarmee een stuk moeilijker geworden dan het eerste voorstel deed lijken. Een aantal faculteiten hoopt dat het college knopen zal doorhakken. Mr J. Donner, de betreffende portefeuillehouder, laat echter weten dat er wat hem betreft niets nieuws te melden valt. Illustratie: Aad Meijer
De dans der bèta's:
'Een faculteit Levenswetenschappen lijkt onhaalbaaf Biologie en Bewegingswetensciiappen zien voordelen van clustering in. Biologie wil graag met de overige bèta's, die daar echter niets voor voelen. Bewegingswetenschappen ziet Biologie juist wel zitten, maar kijkt noodgedwongen naar Geneeskunde. Over partnervoorkeuren en opnieuw intrekken bij de ouders. Martine Zuiöweg
Clustering komt de wetenschappelijke ontwikkeling ten goede, is het standpunt van biologiedecaan prof.dr F. de Graaf. "Steeds meer zie je op de gebieden tussen de klassieke disciplines in nieuwe disciplines tot ontwikkeling komen, zoals biochemie of neurowetenschappen. Belangrijke wetenschappelijke ontwikkelingen vinden juist op die tussengebieden plaats. Ik denk dat de toekomst ligt bij die interactie tussen wetenschapsgebieden. Als universiteit moet je voorwaarden scheppen om dat te stimuleren en dat kan door de schotten tussen de faculteiten weg te halen." De faculteiten met de meest inhoudelijke samenhang moeten volgens de biologiedecaan bij elkaar worden gezet. Wat dat betreft fuseren de biologen het liefst met de natuur- en de scheikundigen. Onder de voorwaarde dat de opleidingen als zodanig duidelijk herkenbaar blijven, zodat aankomende studenten weten dat ze aan de vu natuurkunde kunnen studeren, of farmacologie. "Een grote faculteit met een x-aantal opleidingen met elk hun eigen identiteit en een eigen opleidingscommissie; waarom zou dat
minder goed werken dan apart? Kijk naar Leiden, naar Nijmegen of Groningen. Daar heb je grote bètafaculteiten, met eenheden die duidelijk als herkenbare opleidingen aanwezig zijn. Er is niemand die daar moeilijk over doet." Maar de natuur- en scheikundigen blijken de voorkeur te geven aan Wiskunde Informatica. Die faculteit zou inhoudelijk beter aansluiten bij het eigen vakgebied. Bovendien: als de biologen er ook nog bij komen, dan wordt het geheel te groot, zo redeneren de natuur- en scheikundigen. Daar komt bij dat beide faculteiten hevig verontwaardigd zijn over eerdere voorstellen van Biologie om een faculteit Levenswetenschappen te vormen. Zo'n faculteit veronderstelt een bijdrage van vakgroepen van verschillende faculteiten, waaronder Geneeskunde. Er is in een faculteit Levenswetenschappen dus slechts plaats voor een beperkt aantal vakgroepen van zowel natuurkunde als scheikunde. Als "absoluut onbespreekbaar" veegden die faculteiten het voorstel van tafel. Het college van bestuur wil de bèta's weer aan het praten krijgen. Het hoogste bestuursorgaan ziet wel wat in de vorming van een groot bètacluster, inclusief Biologie en eventueel Aardwetenschappen. Biologiedecaan De Graaf vindt dat het college hier en daar wel wat 'zachte dwang' mag gebruiken. "Het college kan randvoorwaarden scheppen: zaken stimuleren door er premies op te zetten of juist ontwikkelingen af te straffen. Ik ben ervan overtuigd dat als het fusieproces niet goed wordt begeleid vanuit het college van bestuur, het niet zal lukken." Pas als een fusie met Scheikunde en Natuurkunde geen doorgang kan vinden, kiezen de biologen voor een cluster met Bewegingswetenschappen. De derde optie van de biologen is niet fuseren. De Graaf wijst erop dat zijn faculteit, met de huidige studentenaantallen, best voor zichzelf kan zorgen. "Wij zijn voor clustering, maar als
onze parmers dat gevoel niet delen, dan hoeven wij niet te clusteren, dan zien we liever af van clustering." Maar Bewegingswetenschappen wil wel. Graag zelfs. De decaan van Bewegingswetenschappen prof.dr R. Rozendal is teleurgesteld over het voortijdig afbreken van de gesprekken met Biologie. "Het leuke van de biologen was hun voorstel om een faculteit Levenswetenschappen van de grond te krijgen. Daar passen wij natuurlijk goed in. Tussen de decaan van Biologie en mij
^BewegingS" wetenschappen kwnt eerder studenten tekort dan dat er te veel zijn*
was dat goed bespreekbaar, maar verder... Ik denk niet dat het binnen afzienbare tijd te realiseren is. Er is geen speld tussen het standpunt van Scheikunde en Natuurkunde te krijgen." Als de gesprekken tussen Biologie en de overige bèta's niet uidopen op een of andere vorm van clustering, wil Bewegingswetenschappen opnieuw met de biologen om tafel gaan zitten. Rozendal: "Wij hebben ongeveer dezelfde opzet van de opleiding. Daar komt bij dat biologie vakken kent die van betekenis kunnen zijn voor ons, en omgekeerd. Als wij bewegen bestuderen, hebben wij bijvoorbeeld ook kennis nodig van de werking van het zenuwstelsel. En dat soort men-
sen, neurofysiologen, zitten bij de biologen." Nu Biologie echter naar de overige bèta's lonkt, heeft Bewegingswetenschappen op verzoek van het college van bestuur Geneeskunde in het vizier. "Het coUege heeft tegen ons gezegd: ga maar met Geneeskunde praten. Nou zitten wij dus in de situatie dat we twee dingen moeten overwegen die nogal ongelijkwaardig zijn." Volgens Rozendal ligt een samengaan met Geneeskunde niet voor de hand. "Je kunt zeggen: Goh, zo'n klein faculteitje, laat die er maar in meedraaien, maar wij trekken natuurlijk wel een ander soort studenten aan. Zij krijgen studenten via loten; wij zijn geen numerus-fixusppleiding. We komen eerder studenten tekort dan dat we er te veel hebben." Bovendien werken de bewegingswetenschappers op dit moment weliswaar samen met het ziekenhuis, maar niet met de faculteit, vervolgt de decaan. Daar komt bij dat Bewegingswetenschappen voor een deel uit Geneeskunde is voortgekomen. Een clustering ligt daarom gevoelig. "Voor de oudere werknemers van onze faculteit komt het neer op het terugzetten van de klok. Dat doen mensen natuurlijk niet graag." Het faculteitsbestuur heeft er inmiddels professionele hulp bijgehaald. Een organisatieadviseur zal alle voors en tegens van clustering met Biologie dan wel Geneeskunde op een rij zetten. Ook is het de bedoeling dat de adviseur aangeeft welke problemen kunnen rijzen bij clustering en welke oplossingen dan mogelijk zijn. "Dat lijkt ons een rationele weg om eruit te komen", legt Rozendal uit. Een rationele blik acht de decaan, met name bij een clustering met Geneeskunde, ook wel nodig. "Opnieuw intrekken bij de ouders is niet makkelijk. Dan heb je wel wat begeleiding nodig."
D( in L( al d:
ki al fil hi "I w si
i "I pi va va di is vc ei ei V£
b( st D te cl fa «1
e( je d st
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 24 augustus 1995
Ad Valvas | 674 Pagina's