Ad Valvas 1995-1996 - pagina 326
AD VALVAS 18 JANUARI 1996
PAGINA 20
Mentale erotiek
'Als ik niemand lieb om voor te zoi^en, loopt ook m'n eigen eten in de soep'
Bram de Hollander
'Jongens willen graag verzorgd worden'
Frieda Pruim "Dat grijze poesje op de kast is een aandenken aan André en dat bord daar heeft Victor voor me uit Egypte meegebracht", wijst mevrouw Groenendijk (81). Aan beide bewoners bewaart ze dierbare herinneringen. Hun hele studietijd brachten ze bij haar door. "Ze noemen me moeder Groenendijk. Ik heb ze zo'n beetje als kleinzonen geadopteerd. Ze sturen me nog regelmatig post en op m'n verjaardag komen ze altijd wel even langs."
^^i^osi^ir^
In de sjieke buurt achter het Concertgebouw - "minister Van Mierlo komt regelmatig bij mijn achterburen op bezoek" - heeft 'moeder' Groenendijk al ruim twaalf jaar studenten in de kost. Trots laat ze de ruimte zien die ze verhuurt: een hokje van 2,5 bij 2,5 met daarin een bed met oranje sprei, een opklapbaar bureautje en een grote linnenkast. De huurprijs van 450 gulden is inclusief ontbijt, brood en een pakje vruchtesap voor onderweg, avondeten, koffie en thee, frisdrank, linnengoed en gebruik van telefoon. "De enige beperking is dat ze in het weekend naar huis gaan, want dan wil ik mijn eigen dingen kunnen doen." "De eerste huurder was een zoon van kennissen op Texel", vertelt mevrouw Groenendijk, terwijl poes Joep zich gerieflijk neervleit tussen de fotolijstjes op de schoorsteenmantel. "Ik nam hem in huis omdat hij in Amsterdam ging studeren en hard een kamer
nodig had. Ik woon alleen en m'n kinderen wonen ver weg, dus ik vind het wel gezellig om iemand in huis te hebben. Als ik niemand heb om voor te zorgen, loopt ook mijn eigen eten in de soep. Toen hij zijn studie afhad, kende hij iemand anders die een kamer zocht en zo is dat jarenlang gegaan. Pas een paar jaar geleden heb ik m'n naam doorgegeven aan het kamerbureau van de vu." Tot voor kort klikte het altijd prima tussen de kamerbewoners en 'moeder' Groenendijk. Alleen het gedrag van de huidige bewoner, een Duitser, zit haar niet helemaal lekker. "Je krijgt geen contact met 'm en je hebt nooit het idee dat je hem ergens een plezier mee doet", legt ze uit. "Pas kon ik een keer niet voor hem koken, dus ik gaf hem vijftien gulden om naar de pizzeria te gaan. Toen ik hem later vroeg of het lekker was geweest, zei hij: 'Het kan altijd beter.' Hij drinkt geen koffie en thee, geen water uit de kraan, melk mag ik niet opwarmen in de magnetron en ook suiker, vet en toetjes zijn taboe. Dat maakt het heel lastig om eens iets gezelligs voor hem klaar te maken. Hoewel we hebben afgesproken dat hij in de weekenden naar huis gaat, vertrekt hij vrijdagavond pas laat en komt hij zondagavond al rond zes uur terug, zodat mijn zondagavond weg is. Omdat ik niet over m'n hart kan verkrijgen dat hij honger lijdt,
^ ^ ^ k
^*'^
maak ik donderdag nu altijd wat extra, zodat hij vrijdag ook wat te eten heeft. En op zijn verzoek eten we 's avonds al om vijf uur. Hij vindt dat allemaal maar gewoon. Jij bent het prototype Duitser, heb ik wel eens gezegd: Bei uns zu Hause ist alles viel grosser und viel besser." "Met de andere jongens was het altijd heel gezellig, maar hij vertelt nooit eens iets over zichzelf of over z'n ouders", vervolgt ze. "Hij krijgt nooit bezoek en gaat nooit uit. Sinds hij hier een halfjaar geleden is komen wonen, heeft hij twee keer een telefoontje gehad. De eerste keer was het iemand die mij vroeg: 'Speak you English?' Later hoorde ik ze Duits met elkaar praten, dus ik vroeg hoe dat zat. 'In Duitsland wordt altijd gezegd: je moet met een Nederlander nooit Duits spreken', zei hij toen. 'Dan snap ik niet wat jij hier komt doen', reageerde ik, 'want als ik een hekel aan Duitsers had, was je hier niet gekomen.' De tweede persoon die belde, noemde haar naam niet, maar vroeg alleen in het Duits naar hem. Dat vond ik heel onbeschoft. Hij zei dat ze nog maar kort in Nederland woonde, maar ik vind het een belangrijke beleefdheidsregel om je te melden met je naam." Echt ruzie heeft ze met haar bewoners nooit gehad, behalve dan die ene keer met een huurder van 43. "Z'n relatie was verbroken en hij zocht hals over kop woonruimte, maar eigenlijk was die kamer hier helemaal niet wat hij zocht. Hij wilde 's avonds pas heel laat eten, maar het is hier geen restaurant. Op een gegeven moment heb ik hem gezegd dat hij drie maanden later weg moest zijn, omdat ik weer aan een student wilde gaan verhuren. Dat viel 'm rauw op z'n dak. Het was zó'n vent hoor, maar hij had gewoon wat
dlendWleflkn^VÜ ^ '^
te «*>"**«*»'
o»ca<,
09
anders nodig. Hij komt nog steeds wel eens bij me langs." Van Henk-Jan zit het haar dwars dat hij z'n nieuwe adres niet bij haar heeft achtergelaten. "Maanden nadat hij was vertrokken kreeg ik het verzoek zijn nieuwe adres op te geven aan de gemeente. Daaruit maakte ik op dat hij al die tijd nog op mijn adres had ingeschreven gestaan. Dat vond ik niet zo prettig. Ik heb toen naar z'n familie opgebeld en gevraagd of hij mij terug wilde bellen, maar ik heb nooit meer iets van hem gehoord. Dat valt me dan tegen. Maar ja, die jongen zat zichzelf in de weg. Hij was homo. Niet dat we het daar ooit over hadden, maar hij straalde het uit. In m'n hart had ik meelij met 'm. Hij was heel lang en mager; er zat weinig aantrekkelijks bij. Thuis vond hij geen enkel begrip. Ik zou er ook moeite mee hebben gehad als een van mijn kinderen homo was geweest, maar je probeert je daar toch een beetje in te verplaatsen." Het is geen toeval dat alle bewoners over wie mevrouw Groenendijk spreekt, mannen zijn. "Ik heb liever jongens, want meisjes willen dingetjes wassen en dat soort dingen. Ze willen liever niet verzorgd worden, dus ze komen ook niet zo snel op deze kamer af. De jongens die hier komen-wonen, zijn nog echte mannen; die willen graag verzorgd worden. Ze hoeven hier niks in het huishouden te doen. Alleen de was nemen ze mee naar huis. Eén keer heb ik een jongen gehad die van stofzuigen hield. Dat was heel leuk: dan ging de radio keihard aan en dan ging hij hier zingend door het huis."
| wanneer I cAaar nu e t n s
<5iu^
Er hangt iets vrolijks in de luclit. Steeds meer mensen gaan de wondere wereld van Internet ontdekken. Zelfs als je tot die weinigen behoort die nog steeds geen eigen computer hebben, snuifje onwillekeurig toch iets op van het AUe Menschen uierden Brüder-gevoel dat Internetters om zich heen ver< spreiden. Het-is net alsof het I leven nu pas gaat beginnen; nu iedereen met iedereen ongestoord intiem kan worden. ' Wat een opluchting dat je je niet , meer nachtenlang hoeft te pijnigen met de vf'aag hoe je in Godsnaam tussen vijf miljard mensen die ene, unieke soulmate moet vinden... Wat een ver' ademing dat je geen genoegen meer hoeft te nemen met iemand uit je eigen sociale klasse, taalgebied en leefomgeving! Waarschijnlijk was dat toch maar een door het noodlot aangedragen tweede-keusje geweest, iemand die hooguit de eenzaamheid van al die Intemetloze momenten wat zou kiuinen verzachten, zonder daarmee echter het predikaat 'Ware Liefde' waardig te zijn. Wie nu nog blijft plakken bij een oud-studlegenoot, zijn vroegere buurmeisje of de broer van haar beste vriendin, heeft de ellende aan zichzelf te danken en moet niet zeuren als het even tegenzit. Dankzij het World Wide Web is het eeuwige geluk voor iedereen toegankelijk. Zelfs voor pokdalige, vetharige, humorloze, aardsverlegen onanisten opent zich een flonkerende sterrenhemel, bezaaid met hoogstpersoonlijke ' fantasietjes en koosnaampjes die ' voor de verandering nu ook eens op hen van toepassing zijn. Als dat niet strelend is... NOT.' Hoewel ik de bekoringen van verleiderspoëzie wel ken en echt niet vies ben van mentale erotiek, wantrouw ik liefde zonder handen en voeten en ogen. Beloftes zijn er om waar te maken, hoe stuntelig en onbeholpen ook. En woorden zijn er om uitgesproken te worden. Pas door de stem en de blik van die onvolmaakte ander, weet je dat je echt bestaat: Eén stom 'Ik hou van jou' streept al je virtual realities door. Daar kan geen " breed- en beeldspraak tegen op. , DÉSANNE VAN BREDERODE
Betrokkenheid
Berichthus, het blad van studentenvereniging Ichthus, staat vol tips om evangelisatie te doen slagen: je moet met ongelovigen praten, hen waarschuwen voor de dwalingen van de new age en je moet een lichtend voorbeeld zijn voor iedereen om je heen. "Je moet met je zoutende invloed ook aanwezig zijn op plaatsen waar geen ontzag is voor God. Dit kan overal zijn. In de collegezaal, in een studentenhuis, in de trein, noem maar op." Evangelisatie blijkt een vak apart, want "in een samenleving die weinig meer heeft staan aan christelijke waarden en geloofwaardigheid, volstaat het niet (langer) om mensen met woorden te bereiken. Onze woorden moeten in het verlengde liggen van ons leven. Precies zoals Jezus het heeft bedoeld. Dat vraagt aan de ene kant dat ons leven te begrijpen is door mensen om ons heen. Dat we niet van een andere planeet komen. Maar dat we hun dialect spreken, hun mode dragen." Even verderop lezen we dat 'geloofsheld' Moeder Teresa "een jurk ter waarde van een dollar" draagt. Daarmee heeft zij zich in ieder geval aardig aangepast aan de mensen waarvoor zij werkt: de allerarmsten in de sloppenwijken van Calcutta. In Berichthus wordt duidelijk dat de Ichthianen Moeder Teresa's voorbeeld proberen te volgen. Ichthianen worden opgeroepen om drugverslaafden en daklozen te helpen. Verder adopteren ze kinderen in de Derde Wereld. Daar kunnen andere studentenverenigingen nog een puntje zuigen. BLADLUIS
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 24 augustus 1995
Ad Valvas | 674 Pagina's