Ad Valvas 1995-1996 - pagina 358
AD VALVAS 1 FEBRUARI 1996
PAGINA 16
Onterechte gêne
Jan Bremmer met zijn huurster Laila van der Wal. 'Alleen de biobak zouden we samen delen'
Bram de Hollander
'Nooit meer in pyjama door het huis...' Hospita's hebben een slechte reputatie. Ze lïeinoelen iteh met het prlvé-leven van de kamerbewoner, vemtoren de prlvaey en slaan bl| het eerste het beste feestje Qp tilt. Mioppen de stereotypen? Deel yier ¥an de serie *de hesplta'. Ellen van Dalen Schichtig kijkt Jan Bremmer (59) om zich heen, blijft even verstild zitten als hij een deur hoort dichtslaan. Zijn toon is opeens fluisterend: "Ze komt net birmen." Hij doelt op de vu-studente rechten Laila van der Wal (21), die sinds twee maanden een kamer van viereneenhalf bij twee meter huurt in zijn eenvoudig ingerichte appartement aan de Nieuwe Keizersgracht. En terwijl Bremmer zijn schommelstoel verschuift, buigt hij zich nog iets verder voorover en lispelt dan: "Dit meisje heeft haar vuilniszak altijd in
^^v^osi^tr^
de keuken staan in plaats van op haar eigen balkonnetje. En laatst zag ik dat ze zelfs haar etensresten in mijn afvalzak had gegooid! Dat is toch echt met de bedoehng. Alleen de biobak zouden we samen delen. Binnenkort hang ik maar weer eens een bnefje op. Want zo kan het niet langer. Toch?" Al meer dan vijfentwintig jaar verhuurt de ongetrouwde Bremmer een kamer aan studenten en buitenlandse jongeren. Elke maand verdient hij daar 325 gulden mee en deze extra inkomsten kan hij goed gebruiken, vooral nu hij sinds anderhalf jaar werkloos is. Het is vooral dit financiële voordeel dat hem deed besluiten een kamer af te staan, vertelt hij. Want nadelen aan het verhuren van een kamer in je eigen appartement zijn er genoeg, aldus de vrijgezel. "Doordat er plotseling een vreemde bi) je in huis woont, ben je toch veel privacy kwijt. Soms heb ik zin om een hele dag in mijn pyjama rond te
lopen, maar dat kan niet, zo ervoer ik eens. Een van de huursters vertelde me dat ze het niet zo'n fris gezicht vond. Sindsdien zorg ik ervoor dat ik er netter uitzie. Dan doe ik bijvoorbeeld mijn trainingsbroek aan." Het voorval met de pyjama deed hem besluiten een korte periode af te zien van het verhuren van een van zijn ruimtes. Maar sinds twee maanden deelt hij de voordeur weer met een studente, die via het kamerbureau van de SRVTJ aan deze kamer kwam. Hij probeert haar zoveel mogelijk met rust te laten en haar zoveel mogelijk te ontwijken. "Als ik haar in de keuken hoor rommelen, omdat ze staat te koken, wacht ik in mijn woonkamer tot ze klaar is, zodat we elkaar niet voor de voeten lopen." Als Bremmer Laila van der Wal iets wil vragen, klopt hij zachtjes op haar deur. Met neergeslagen ogen en een beetje stuntelig zegt Bremmer zijn huurster gedag. Beleefd groet de uit Oostzaan afkomstige studente hem terug en verlegen nodigt ze hem uit binnen te komen in haar stulpje. In de smalle kamer met wastafel hangt nog de geur van grenenhout van het nieuwe bed en het drieladen kastje. Trots toont ze de zachtroze vloerbedekking die ze net zelfheeft gelegd. Aan het verkleurde bruine behang hangt een foto van haar vader en foto's van vakantiekiekjes in de bergen.
Doordat Bremmer een ontmoeting met zijn huisgenoten doorgaans vermijdt, weet hij niet goed wat voor vlees hij nu daadwerkelijk in de kuip heeft. Echt spijtig vindt de voormalige vertaler dat niet. Een kopje koffie drinken of samen televisie kijken heeft hij nog nooit gedaan met een van zijn huursters. "De generatiekloof is te groot tussen ons. We zullen elkaar nooit echt begrijpen", denkt hij. Vragen naar het welzijn van haar familie of haar studieresultaten zal hij dan ook niet doen. "Het interesseert me niet. Het gaat er mij alleen om dat ze betrouwbaar zijn en dat ze op tijd hun huur betalen." Om te kijken of hij iemand kan vertrouwen, vraagt hij tijdens het kennismakingsgesprek altijd naar het beroep of studie van de persoon. "Als iemand secretaresse, stewardess of student is, weet je meestal dat het goed zit." Bij voorkeur heeft de verhuurder een meisje in huis, hoewel ze wel erg "tuttelen in de keuken en vaker een wasje doen". Bremmer geeft een verklaring voor het feit dat hij geen mannelijke huurders wil. "Jongens kurmen homofrel zijn en daar heb je dan alleen problemen mee. Dat zie ik bij mijn twee buurmannen hierboven. Er is daar zoveel inloop van vreemde gasten. Ik geloof niet dat ik dat in mijn huis op prijs zou stellen." Later zou hij eraan toevoegen: "Jongens kunnen agressief of gewelddadig worden. Stel dat ik met hem onenigheid over een vuilniszak zou hebben, dan is de kans groot dat een jongen me in elkaar slaat." Van de meisjes die verkering hebben eist de verhuurder dat ze hun vriendjes niet meer dan twee dagen achtereen bij zich laten slapen. "Een keer heb ik gehad dat een jongen wel heel lang bleef plakken. Ik wUde er wat van zeggen, maar toen hij een kastje voor
vor'^g vaar Vie\^Y^ We , ^
èk'^rèo^
mij in elkaar getimmerd had, heb ik het maar laten zitten." Bremmer heeft in de kwart eeuw dat hij nu hospes is, slechts één keer te maken gehad met een wanbetaler. Het ging nota bene, grinnikt Bremmer, om de broer van de huidige minister van Buitenlandse Zaken, Hans van Mierlo. "Die man was aan lager wal geraakt en was van de een op de andere dag verdwenen. Zijn bed en zijn andere bezittingen had hij laten staan. Ik heb toen zijn zus gebeld en zij beloofde de huur alsnog voor hem over te maken. De meubels mocht ik verkopen als schrale troost. Het geld van de huur heb ik nooit gezien." De anekdote doet het nog altijd goed tijdens feestjes en partijen. Het is bijna twaalf uur in de middag, voor Bremmer tijd om een warme maaltijd te nuttigen in een nabij gelegen verpleeghuis. Bijna dagelijks eet hij buitenshuis. Koken kan hij nog steeds niet. Niet altijd was het nodig om elders een warme hap te halen., "Vroeger verhuurde ik de kamer alleen aan huurders die elke avond een warme maaltijd voor me wilden maken. Dat was ideaal. Meestal deden ze ook nog alle boodschappen voor me. Tegenwoordig zou zoiets onmogelijk zijn. Studenten zijn daar niet meer voor in, denk ik, hoe mooi en centraal de kamer ook gelegen is." Peinzend staart hij naar zijn vitrage waarachter het uitzicht op een brede, bevroren gracht schuil gaat. En terwijl hij zich klaarmaakt om zijn jas, pet en handschoenen aan te doen, mijmert hij: "Of misschien toch wel?"
weooVlerts leuks voor die 2W0rvars!
Het woord 'arrogant' rukt op. Een paar jaar geleden werd iemand pas arrogant genoemd wanneer a) deze eigenschap onmiddellijk van zijn gezicht viel af te lezen en b) bepalend leek te zijn voor al zijn andere eigenschappen. Je zou kunnen zeggen dat arrogantie een soort geaardheid was, een funderende grondhouding of - blablabla - een 'wezenskenmerk*. De arrogante kwal was een duidelijk type, een eenvoudig benoembare karikatuur van zichzelf. Als je het over arrogante mensen had, wist iedereen precies wat je bedoelde. Inmiddels is de typering 'arrogant' ernstig gedevalueerd. Zelfs de meest vriendelijke, zachtaardige collega of medestudent kan als 'ie niet oppast 'een beetje arrogant' gevonden worden. Waarbij arrogantie dan niks meer met structurele hoogmoed te maken heeft, maar met een iets te zichtbare vlaag van blijdschap-metjezelf. Gevolg: niemand durft meer hardop te zeggen dat het de laatste tijd zo goed met 'm gaat. Wie tevreden is met zijn leven, een bijzondere prestatie of een onvermoed talent loopt het risico arrogant gevonden te worden. Ja, het is zelfs zo sterk dat degene die zich openlijk verwondert om plotseling geluk in de liefde, vooral niet moet gaan geloven dat hij dat aan zichzelf te danken heeft... Natuurlijk niet! Houd al je lol maar wijselijk voor je, lijkt het devies. En dus dekken ook je beste vrienden zich tegenwoordig al bij voorbaat in, zodra het gesprek op hun persoonlijke succesjes komt: 'De bedoel het echt niet arrogant hoor, maar...' Ik word daar erg somber van, van al die onterechte gêne. Wat is er nou leuker voor de mensen van wie je houdt, dan dat het geweldig met ze gaat? Mensen worden pas zichzelf wanneer ze hun potentieel leren kennen en ontplooien. En dat dat gepaard gaat met trots, hoort de meest normale zaak van de wereld te zijn. Elkaar die trots misgunnen, dat noem ik pas ondankbaar arrogant. DÉSANNE VAN BREDERODE
Parlementje spelen
Ronald Plasterk, moleculair bioloog aan het Nederlands Kankerinstituut en bijzo'nder hoogleraar geneeskunde aan de vu poneert in Publiek domein, het maandblad van de stichting Publiek, Wetenschap en Techniek (PWT), een leuke stelling. "Je moet universiteiten hun geld afpakken", zegt hij, want dat is de enige manier om een eind te maken aan de universitaire bureaucratie en het "parlementje spelen". Het geld moet voortaan direct vanuit de overheid via NWO naar kwaliteitsonderzoekers gaan. Daarmee kan de dolgedraaide democratie, waarin vertegenwoordigers "geen vergadering kunnen missen omdat anders de poten onder hun vakgroep vandaan gehaald worden" ten grave worden gedragen. Op de vraag waarom er nog geen collectief verzet is tegen het 'parlementje spelen', antwoordt Plasterk: "Er zijn mensen die met plezier in die raden zitten, die er carrière mee maken en uiteindelijk in het college van bestuur terechtkomen. Die roepen niet 'Bezuinig ons maar weg'. Daarnaast: onderzoek verrichten is verrekte lastig. Twee van de drie proeven mislukken, althans bij mij, en dat frustreert voortdurend. Soms is het dan prettig om m het vergadercircuit de indruk te wekken dat je hard werkt. Een enkele keer IS dat ook wel zo, maar je zit toch lekker in een verwarmde kamer heen en weer te praten met een kopje koffie." Plasterk biecht overigens op dat onderzoekers zich weinig gelegen laten liggen aan het parlementje. De onderzoeker levert braaf op tijd een plan in, maar "tegen de tijd dat je daar het geld voor krijgt, ben je al bijna klaar". En dus besteedt hij het geld aan ander onderzoek dan waarvoor het parlementje het heeft geoormerkt. Plasterk: "Dat vind ik overigens niet erg." (EE)
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 24 augustus 1995
Ad Valvas | 674 Pagina's