Ad Valvas 1995-1996 - pagina 496
ADVALVAS 4 APRIL 1996
PAGINA 1 0
Universiteitsraad VU niet in strijd met wetsvoorstel Jasper Schouten, lid van de PKVstudentenfractie in de universiteitsraad, heeft er de wetboeken nog eens op nageslagen: een eventuele invoering van de wet Modernisering Universitaire Bestuursorganisatie hoeft niet te leiden tot afschaffing van de universiteitsraad. Jasper Schouten
tuurregeling van de vu binnen de MUB past. In het nieuwe wetsvoorstel wordt aan de universiteiten de keuze gelaten tussen een ondernemingsraad en een medezeggenschapsraad. Inmiddels is duidelijk geworden dat de bijzondere universiteiten deze keuze niet hebben: als privaatrechtelijke instellingen vallen zij immers onder het regime van de Wet op de ondernemingsraden. De vu heeft - als enige universiteit sinds 1993 een ondernemingsraad die functioneert naast de bestaande imiversiteitsraad. Deze situatie hoeft niet te veranderen. De onthefïingsregeling op grond van artikel 9.76 WHW blijft ook in de nieuwe wet van kracht (het artikel wordt slechts omgenummerd tot 9.51 en blijft inhoudelijk ongewijzigd). Het is een goede zaak dat aan de vu het belang
van een ondernemingsraad wordt erkend. De medezeggenschap van de werknemers met betrekking tot de bedrijfsvoering en de arbeidsvoorwaarden aan de vu is zodoende goed geregeld. De bevoegdheden van een ondernemingsraad beperken zich echter tot de relatie tussen werkgever en werknemer. Er is daarom naast de ondernemingsraad ook een universiteitsraad, die via de vaststelling van de begroting en het instellingsplan de betrokkenheid van de gehele universitaire gemeenschap bij de hooftilijnen van ondervidjs- en onderzoeksbeleid garandeert. Dankzij deze vorm van 'acgdemisch zelfbestuur' voert de vu een evenwichtig beleid met draagvlak op alle niveaus. In 1995 is de structuurregeling van de vu herzien. Daarbij is de positie van dé UR uit-
voerig onder de loep genomen. Zoiets doe je niet elk jaar, maar voor een jaar of tien, heeft het college toen gezegd. Trouwens, er staat de komende jaren van alles te gebeuren aan de vu en de inspraak van de universitaire gemeenschap is daar met de huidige bevoegdheden van de UR het beste bij verzekerd. Alle ophef over meer slagvaardigheid komt er alleen maar op neer dat de invloed van medewerkers en studenten terug moet. Een OR kan nooit de plaats van een UR innemen, al was het alleen maar omdat een OR het belangrijke budgetrecht mist. Jasper Schouten is lid van de universiteitsraad namens de studentenfractie PKV
p de voorpagina van Ad Valvas van vorige week werd aangekondigd dat de universiO teitsraad van de vu mogelijk moet verdwijnen.
Dit ten gevolge van de invoering van de wet 'modernisering universitaire bestuursorganisatie' (MUB), waarover de Tweede Kamer binnenkort een besluit zal nemen. Gesteld kan worden dat het wetsvoorstel helemaal niet zulke verstrekkende gevolgen hoeft te hebben voor de vu. In de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek (WHw) wordt de bestuursstructuur van de openbare universiteiten tot in detail geregeld. Van oudsher bestaat er voor de drie 'bijzondere' (christelijke) universiteiten een onthefGngsregeling: op grond van artikel 9.76 stellen zij in een zogenaamde structuurregeling hun eigen bestuur en inrichting vast. Ze mogen daarbij afwijken van de regels voor de openbare imiversiteiten voor zover "de eigen aard van de bijzondere universiteit" daar aanleiding toe geeft. Gebleken is dat het begrip eigen aard zeer ruim moet worden opgevat. In Nijmegen is in 1993 met een beroep op de eigen aard een structuurregeling totstandgekomen die, met name voor wat betreft de positie van de universiteitsraad, afwijkt van de WHW. Aangezien de minister daarbij niet heeft ingegrepen, heeft ook de vu ruimte voor een eigen beleid ten aanzien van de universiteitsraad, door een beroep te doen op de eigen aard. Het is onwaarschijnlijk dat de minister aan de eigen aard van de Ku-Nijmegen meer waarde zou hechten dan aan die van de vu. Hij zou dan ' immers met twee maten meten. Overigens heeft collegelid Donner vorig jaar reeds in de commissie algemene en juridische zaken van de raad gezegd dat niet te ontkennen valt dat met deze bepaling over de eigen aard de huidige struc-
Zijn de nadagen van de universiteitsraad aangebrolten?
Bram de Hollander
'Benoem lioogleraren voor vijf jaar' Het kennisdebat is van start gegaan. Minister Ritzen zal het komend jaar het volk raadplegen over de vraag waar het heen moet met de 'kennisproduktie' in Nederland. Jeroen van Spijk, universiteitsraadslid namens de studentenfractie PKV weegt de pro's en contra's van een marktgestuurde universiteit af en komt met voorstellen. Jeroen van Spijk
fgelopen week gooide minister Ritzen van A Onderwijs de knuppel in het hoenderhok. "De universiteit is geen ambtelijke organisatie:
onderwijs en onderzoek zijn geen ambtelijke taken", stelde hij op de jaarconferentie van de vereniging van samenwerkende universiteiten, de VSNU. Deze stelling kan als eerste stellingname van de minister in het kennisdebat worden beschouwd. Voor de bestuurders van de universiteiten en de vsNU zijn deze opmerkingen koren op de molen, want het huidige ambtenarenreglement wordt door hen als knellend ervaren. Ook de Progressieve Kiesvereniging, de PKV, ziet voordelen in een flexibel salarissysteem voor ambtenaren. Er kleven echter aan een op de marktwerking gericht beloningssysteem voor wetenschappers ook een groot aantal bezwaren. In de landelijke politiek staat de afbouw van de verzorgingsstaat centraal en ook op de universiteiten wordt aan het sociale vangnet van de werknemers getornd. Een recent voorbeeld daarvan is het voornemen van het college van bestuur van de vu om het bursalenstelsel in te voeren. Dit betekent dat de promovendus slechts een beurs krijgt (onder het minimumloon) zonder arbeidsvoorwaarden. Uit de opmerking van Ritzen blijkt dat het mogelijk is dat het gehele contract dat het personeel met de universiteit heeft, op de helling komt te staan. Als de werknemers van de universiteiten de ambtenarenstatus verliezen, wordt
immers ook een streep gezet door een aantal secimdaire arbeidsvoorwaarden. Een voorbeeld daarvan betreft de wachtgeldregeling. Deze regeling zorgt er voor dat ontslagen werknemers na hun ontslag een uitkering (wachtgeld) kunnen krijgen van de universiteit. De universiteitsbestuurders willen vanwege de kosten van deze wachtgeldregeling af. Als er door bijvoorbeeld een dalend aantal studenten op een faculteit minder inkomsten uit Den Haag komen, moet er bezuinigd worden op de personele budgetten. Met de huidige wachtgeldregeling is het ontslag van een aantal personeelsleden nauwelijks lonend. Immers de faculteit moet na ontslag voor een groot deel opdraaien voor de wachtgelduitkering. Vanwege dit probleem durven de verschillende bestuurders niet te gaan reorganiseren. De wachtgeldregeling leidt er volgens de bestuurders toe dat de universiteiten niet flexibel kunnen reageren op wat de omgeving van hun verlangt. en tweede argument voor de bestuurders voor een marktconforme salariëring is uiteraard in het belang van de bestuurders zelf. Als de beloning van ambtenaren wordt vergeleken met het bedrijfsleven kan worden geconstateerd dat vooral de managers van het bedrijfsleven meer verdienen dan de managers van de imiversiteiten. Het lager personeel verdient overigens meer in de universiteiten dan in het bedrijfsleven en voor de grootste groep, het middenkader, maakt de beloning nauwelijks uit. Als de ambtenarenstatus op de universiteiten verdwijnt, betekent dit een denivellering van inkomens. Een gevaar bij het volledig markconform uitbetalen van wetenschappers is dat de financiële beloning de drijfveer wordt om wetenschap te bedrijven. Omgekeerd hoeft het deelnemen aan een wetenschappelijke organisatie ook niet op zuiver altruïstische gronden plaats te vinden zoals Plato die in gedachten had: het salarissysteem dat nu bestaat, vindt een evenwicht tussen beide uitersten. Tenslotte is er nog het bezwaar dat veel wetenschappelijk onderzoek geen direct verband heeft met het functioneren van de markt. Het gevaar bestaat dat dit type onderzoek ondergewaardeerd wordt ten opzichte van onderzoek dat zich wel in geld laat uitdrukken.
E
Een meer op de markt gericht beloningssysteem heeft ook een aantal voordelen. Een daarvan is al genoemd, namelijk dat het mogelijk is op faculteiten en diensten waar minder vraag naar is (door bijvoorbeeld dalende studentenaantallen) het personeelsaantal in overeenstemming te brengen met de financiering uit Den Haag. Het gevaar hierbij is overigens wel dat kleinere 'verliesgevende studierichtingen' worden opgeheven door een te lage studenteninstroom. Gewezen moet worden op de maatschappelijke functie die een imiversiteit heeft. Deze verantwoordelijkheid mag niet verdwijnen. Een tweede voordeel is, dat docenten en onderzoekers die niet of behoorlijk onder de maat functioneren, kunnen worden ontslagen. Een flexibeler beloningssysteem voorkomt het bezwaar dat het niet aantrekkelijk is voor een faculteit iemand te ontslaan vanwege de hoge wachtgeldkosten. Als iemand slecht functioneert op het gebied van onderwijs of onderzoek (of zelfs allebei) kan dan gedeeltelijk of in sommige gevallen volledig ontslag worden aangezegd. Een universiteit heeft wat dat betreft geen maatschappelijke functie: ze mag van haar personeel verwachten dat ze op him taak berekend zijn. Ze is geen sociale werkplaats. Een universiteit moet capabele mensen in dienst hebben om haar twee hoofdtaken, het verzorgen van kwalitatief goed onderwijs en onderzoek, te kurmen uitvoeren. Een minder star personeelsbeleid kan leiden tot een verhoging van de kwaliteit. verigens hangt kwaliteitsverbetering niet alleen samen met een meer marktconforme salariëring in het onderwijs. Ook kleine aanpassingen in het personeelsbeleid kunnen al substantiële kwaliteitsverbeteringen teweegbrengen. Te denken valt aan mobiliteitsbevordering en leeftijdsbewust personeelsbeleid. Dit wil zeggen, dat voor werknemers die niet helemaal naar tevredenheid functioneren, binnen de organisatie wordt gezocht naar een beter passende functie. Ook kan worden gedacht aan een wijziging in de benoeming van hoogleraren. Bijvoorbeeld door de benoeming van een hoogleraar te koppelen aan een termijn van vijf jaar. Wetenschap is vergelijkbaar met topsport. De titel van hoogleraar geldt in dit nieuwe systeem niet voor het leven,
O
maar moet steeds door de ontwikkelingen in de .wetenschap worden bevestigd. Dit maakt het hoogleraarschap uitdagend. Als blijkt dat jongere onderzoekers hogere prestaties leveren, wijkt het oude talent voor het nieuwere talent. Zo kan een nieuwe dynamiek in de wetenschap ontstaan. Bovendien heeft dit als voordeel dat het vrouwelijke toponderzoekers meer dan nu het geval is de gelegenheid geeft om hoogleraar te worden. Op deze manier kan de grote achterstand die vrouwen hebben op dit terrein worden ingelopen. verigens moet voor een hoogleraar die twee jaar decaan is geweest, de benoeming worden opgerekt naar zeven jaar, want het belang van een goede bestuurder op de faculteit moet niet worden onderschat. Afrondend kan worden gesteld dat ten aanzien van een meer op de marktgerichte werking van universiteiten toch enige scepsis op zijn plaats is. Het grote voordeel van een meer flexibel beloningssysteem is dat het een kwaliteitsverbetering van het onderwijs en onderzoek kan brengeh. Dit voordeel moet goed tegen de nadelen worden afgewogen. Het verlies aan secundaire arbeidsvoorwaarden in ruil voor mogelijk extra loon is een zaak waarover het personeel zich moet uitspreken. Voor studenten geldt dat ze moeten toezien dat de universiteit blijft handelen naar haar maatschappelijke verantwoordelijkheid. Voor studenten is het immers niet zo zeer van belang dat de universiteit via de markt opereert. Wel is het voor de kwaliteit van het onderwijs van belang dat de universiteiten midden in maatschappij blijven staan. Een manier om dit te bereiken is de stellingname van Ritzen in het zogeheten kennisdebat. Het kennisdebat is nog in een te pril stadium om een definitief oordeel te hebben over de weg die Ritzen en de vsNU willen inslaan. Wel hoop ik te hebben aangetoond dat kleinere wijzigingen in het personeelsbeleid ook tot een kwaliteitsverbetering van het onderwijs en onderzoek kunnen leiden.
O
Jeroen van Spijk is universiteitsraadslid namens de progressieve kiesvereniging (PKV)
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 24 augustus 1995
Ad Valvas | 674 Pagina's