Ad Valvas 1995-1996 - pagina 619
AD VALVAS 6 JUNI 1996
PAGINA 9
Studeerbaarheid is geen gebakken lucht 'Bij evaluaties worden sommige vakken (per ongeluk?) overgeslagen' De Vrije Universiteit iieef t de Hoger Onderwijsprijs 1996 ter waarde van 200.000 gulden gewonnen. iVlinister Ritzen gaf de prijs voor de uitvinding van een onderzoeicsinstrument waarmee lian worden vastgesteld hoe het zit met de kwaliteit van het onderwijs. De bedenkers van de onderzoeks methode, drs D. Schinkelshoek en ir drs P.J. Tack, zien nog concrete punten waarop het onderwijs kan worden verbeterd. Concrete punten, want studeerbaarheid is geen vaag begrip.
D. Schinke shoek P.J. Tack
Eind 1993 bedacht het college van bestuur dat het goed zou zijn om een management review (een doorlichting) te doen van de kwaliteit van het onderwijs. Per slot van rekening sieren we ons onderwijsbeleid met de fiere leus 'Noblesse Oblige' (adel verplicht) en dan moeten we de hand in eigen boezem durven steken om te zien wat we er werkelijk van terechtbrengen. De review zou niet gaan over de inhoudelijke kwaliteit want daar kijken de visitatiecommissies van de VSNU al naar. Wij wilden vooral kijken naar de manier waarop de kwaliteit van het onderwijs in de organisatie is veran kerd. Kwaliteitsborging heet dat m het vakjargon van kwaliteitsdeskundigen. Onderwijskwaliteit is kwetsbaar als ze te veel afhangt van goedwillende enkelingen. Er moet een gezonde voe dingsbodem voor zijn in de organisa tie. Om nu te analyseren hoe het staat met de organisatorische bodem onder de onderwijskwaliteit hebben we het EDUQUA^vumodel ontwikkeld. Dat is gebaseerd op de zogenaamde 'iso 9000 systematiek', een internationaal erkende verzameling normen voor kwaliteitsborging die ooit in de indus trie is opgesteld maar die steeds meer navolging heeft gevonden in dienstver
lenende bedrijven en in de publieke sector. Het EDUQUA/vumodel brengt een achttal organisatorische factoren in kaart die invloed hebben op het onderwijs. Om te beginnen de sturen de factoren: onderwijsbeleid, onder wijsmanagement en onderwijsvernieu wing. En verder voorlichting /instroom, nazorg/uitstroom, materiële voorwaarden, personele voorwaarden en onderwijsadministratie (de onder steunende factoren). Het directe onderwijsproces, dat wil zeggen het spel tussen docent, laboratorium assistent, secretaresse en de student, wordt dus gevoed (of afgeknepen) door die inbeddende factoren.
B
ij elk van die factoren stelt het EDUQUA/vumodel vier kritische vragen: welke concrete instrumenten worden bij de onderscheiden factoren ingezet? Zijn die instrumenten formeel geregeld? Hoe worden ze feitelijk gebruikt? Wat is hun effect? Het zijn juist deze vragen die een hel der beeld geven van de omstandighe den die mede de 'studeerbaarheid' bepalen van het programma van een faculteit, een studierichting of een cursus. Bij de factor onderwijsmanagement hoort het instrument 'onderwijsevalu
atie'. Uit ons onderzoek bleek: op de vu vindt op iedere faculteit evaluatie van het onderwijs plaats. Dit instru ment is dus overal aanwezig. De momenten en de wijze waarop deze evaluaties worden afgenomen zijn bij de verschillende faculteiten niet overal even duidelijk vastgelegd. Faculteiten die onderwijsevaluaties wel formeel en expliciet hebben geregeld houden zich daar soms toch niet aan. Bijvoorbeeld: er is afgesproken dat ieder vak ten minste eens per twee jaar wordt geë valueerd en dat het evaluatierapport eerst tussen docent en onderwijscom missie wordt besproken en dan met conclusies aan de faculteitsraad wordt voorgelegd. In werkelijkheid worden vakken (per ongeluk?) overgeslagen. Of er wordt wel geëvalueerd maar de resultaten verdwijnen snel in de kast.
name aan ondenvijscongressen. Ander voorbeeld: een faculteit kent jaarlijks een prijs toe aan 'de docent van het jaar'. Dit idee is inmiddels overgeno men door het college van bestuur die een jury van studenten jaarlijks een prijs van ƒ10.000 laat toekennen aan 'de vu-docent van het jaar'. Ook wordt het wiel nog te vaak opnieuw uitgevonden. Er kan geleerd worden van de ervaringen van anderen. Voorbeeld: Ad Valvas publiceert een speciale katern met een geslaagde onderwijsvemieuwingsprojecten die zijn gefmancierd uit het Onderwijskwaliteitsfonds van de vu. Ander voorbeeld: een faculteit heeft een serie lezingen georganiseerd met gastsprekers uit zusterfaculteiten die de ervaringen met hun opzet en organisatie van het onderwijs presenteren. Die faculteit gebruikt dit bij de herziening
A
ls onderwijsevaluaties wel formeel zijn geregeld èn ook feitelijk zo worden uitgevoerd, kunnen de uitein delijke effecten behoorlijk verschillen. Bij sommige faculteiten hebben evalu aties een zichtbaar en positief effect, bij andere is weinig tot geen effect merkbaar. Hoe weten wij dat nu? We hebben het EDUQUA/vumodel gebruikt om de gehele vu en de facul teiten afzonderlijk tegen het licht te houden. Daartoe zijn alle onderwijsge venden van de vu geënquêteerd en is er een ronde groepsinterviews langs alle faculteiten gehouden. Daaruit is een rapport voortgekomen over de vu als geheel en een rapport per faculteit. Het algemene rapport is openbaar gemaakt. Daarnaast ontving elke faculteit apart haar 'eigen' rapport. Uit het algemene rapport blijkt dat onderwijskwaliteit op de vu behoorlijk veel aandacht krijgt maar dat het nog veel beter kan. Er zijn nog te weinig materiële prikkels om aandacht voor kwaliteit echt te belonen, maar ze beginnen langzaam maar zeker te komen. Voorbeeld: er is een faculteit die een deel van het reisbudget uit drukkelijk heeft geoormerkt voor deel
kan in zijn eigen rapport precies zien hoe haar kwaliteitszorg scoort in vergelijking met de andere faculteiten: gemiddeld dan wel boven of beneden de maat. De faculteit moet in staat worden geacht om het eigen beeld waar nodig 'uit te vergroten' en te verbijzonderen naar vakgroepen of studieonderdelen. Ze kurmen daar het EDUQUA/vu-model weer bij gebruiken.
O
ns onderzoek was eind 1994 gereed. Hoe is het verder gegaan? De facultaire rapporten zijn in de loop van 1995 per faculteit apart door de rector magnificus met de direct verantwoordelijken voor het onderwijs besproken. In die overlegronde zijn conclusies getrokken en aanzetten voor de verdere vergroting van kwaliteitszorg gegeven. Tenslotte kwam in datzelfde jaar de jury van het ministerie van ocw onder voorzitterschap van prof. dr W.H.F.W. Wijnen (de geestelijke vader van de 'studeerbaarheid') tot de conclusie dat de vu voor haar management review de Hoger Onderwijsprijs verdiende om twee redenen: de ontwikkeling van het EDUQUA/VU-
van haar eigen onderwijsprogramma. In veel gevallen blijkt dat de spelregels nog veel duidelijker moeten worden vastgelegd en nageleefd. Voorbeeld: elke faculteit is verplicht de studievoortgang van haar studenten te registreren. Sommige doen daar weinig mee, andere gebruiken deze informatie door de student 'op maat' te bedienen met periodieke feed back over zijn of haar studieprestaties en door aanvullend onderzoek te doen naar redenen voor vertraging. Ander voorbeeld: de ene faculteit hanteert eenduidige spelregels voor het afstudeerwerk; in een andere zijn de studenten afhankelijk van de docent die zijn eigen - soms willekeurige - gang gaat. Dit alles is maar een globaal beeld. De facultaire rapporten laten een veel scherper plaatje zien: elke faculteit
model en de manier waarop het over de volle breedte van de vu is toegepast. Concluderend: 'studeerbaarheid' wordt wel eens schouderophalend afgedaan als het zoveelste 'buzz-word' dat niet meer zou zijn dan gebakken lucht. Wij hebben aangetoond dat dit vage en wollige begrip behoorlijk concreet is te maken met behulp van de EDUQUA/vu-aanpak en dat studenten, docenten en bestuurders er werkelijk handen en voeten aan kunnen geven. D. Schinkelshoek is werkzaam bij het bureau bestuursondersteuning van de vu P.J Tack is als bedrijfskundige verbonden aan de economiefaculteit. Ze waren respectievelijk secretaris en tweede voorzitter van de projectgroep management review onderwijskwaliteit
Politiek z o i ^ voor ruis over studeerbaarheid Tweede Kamer - bemoeide zich er vorige week opnieuw nadrukkelijk mee. De Kamer stemde in met het De commissie die in 1992 het wetsvoorstel dat de grondslag moet begrip 'studeerbaarheid' bedacht, vormen voor het studeerbaarheidswas destijds "vooral beducht voor fonds. En ze worstelde weer eens het gevaar dat het politiekopzichtig met de koppeling die ze zelf bestuurlijke circuit zich het thema vorig jaar legde tussen deze wet en de zou toeëigenen." Dat is inmiddels collegegeldverhoging: als de studeergebeurd, en de gevolgen ervan baarheidsprojecten van universiteiten komen met de week duidelijker en hogescholen niet deugen, mag het collegegeld niet verder verhoogd woraan het licht. den. De Tweede Kamer heeft echter geen De Lsvb presenteerde vorige week het boekje Werken aan kwaliteit en studeer- flauw idee hoe zo'n besluit uitgewerkt zou moeten worden. D66 had geopbaarheid. In het voorwoord daarvan perd dat er verschil in collegegeld zou schetste O. Brouwer, bestuurder aan moeten ontstaan tussen instellingen de Hogeschool van Arnhem en Nijmet slechte plannen (een laag collegemegen, nog eens de voorgeschiedenis. geld) en die met goede plannen Brouwer was lid van de commissie(hoog). Maar minister Ritzen liet in Wijnen die in 1992 een lijst van 83 het kamerdebat weten dat geen goed tips opstelde om het hoger onderwijs idee te vinden: misschien zouden er te stroomlijnen. wel instellingen zijn die maar al te Aanvankelijk hield het 'politiekgraag een laag collegegeld willen vrabestuurlijke circuit' zich verre van die studeerbaarheidstips, en de commissie gen, om zo extra studenten te trekken. Dat zou dus betekenen dat ze een was daar niet rouwig om. Politieke beloning voor slechte plannen zouden inmenging "zou als bijna onvermijdelijk gevolg hebben dat de mensen voor krijgen. wie het rapport in de eerste plaats Ritzen zei nog niet te weten hoe hij bedoeld was - zoals docenten en slechte plannen dan wel wilde bestrafopleidingscommissies - er lak aan zou- fen. Maar in één adem voegde hij den hebben", aldus Brouwer. daaraan toe dat het zover waarschijnMaar vorig jaar maakte de politiek lijk niet zou komen: hij had de indruk zich alsnog meester van het thema dat het met de projecten die aan de studeerbaarheid, en de gevolgen zijn commissie-Wijnen voorgelegd waren nauwehjks te overzien. Er zijn hele en met de overkoepelende kwaliteitsmachinerieën opgetuigd om vijfhonplannen (waarover de inspectie oorderd miljoen gulden uit het zogeheten deelt) "voortreffelijk liep". 'studeerbaarheidsfonds' te verdelen. Wijnen zelf nuanceerde dat beeld een Universiteiten en hogescholen hebben dag later bij de presentatie van het zo'n duizend 'studeerbaarheidsprojecLsvb-boekje. "De minister zegt dat er ten' opgesteld waarmee ze een gooi erg veel goede projecten zijn, de LSVb doen naar dat geld. En er is een nieuzegt dat er erg veel slechte projecten we commissie-Wijnen ingesteld die al zijn. Ik weet alleen dat er erg veel prodie projecten moet toetsen. jecten zijn", zei hij. Later voegde hij 'De politiek' - dat wil zeggen: de daaraan toe dat zeventig a tachtig van Hanne Obbink
HL'' Prof. dr W. Wijnen, voorzitter van de commissie die in 1 9 9 2 e e n lijst van 8 3 tips opstelde om het hoger onderwijs t e stroomlijnen Bram de Hollander
de projecten de toets der kritiek kon doorstaan. Het was duidelijk te merken, zei hij ook, dat sommige instellingen pas laat in de gaten hadden gekregen dat ze serieus werk van hun projecten moesten maken. Wijnen hekelde overigens de politiek vanwege de koppeling die zij gelegd heeft tussen studeerbaarheid en de hoogte van het collegegeld. "Een koppeling tussen studeerbaarheid en de tempo- of prestatiebeurs kan ik me nog wel voorstellen", aldus Wijnen. "Maar studeerbaarheid en de college-
geldverhoging, dat heeft echt niets met elkaar te maken." Het werk van de "studeerbaarheidstoetsingscommissievoorzitter" - zoals Wijnen zichzelf noemde - zal desondanks toch weer een rol gaan spelen in de politiek. Halverwege deze maand hoopt Wijnen rapport uit te brengen aan minister Ritzen - de deadline van 1 juni bleek onhaalbaar en die zal vervolgens de Tweede Kamer op de hoogte stellen. In het najaar moet de Kamer ten slotte beoordelen of de collegegeldverhoging
door mag gaan. Wijnen legde er een dag na dat debat nog maar eens de nadruk op dat het echte werk - het uitvoeren van alle plannen - dan nog moet beginnen. Dan heeft de politiek waarschijnlijk al lang weer andere zaken aan haar hoofd. (HOP) Toon van de Put (red.), Werken aan kwaliteit en studeerbaarheid Uitgeverij VUGA in samenwerking met de usvb.
ilf
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 24 augustus 1995
Ad Valvas | 674 Pagina's