Ad Valvas 1996-1997 - pagina 611
AD VALVAS 5 JUNI 1997
PAGINA 5
'Het priesterschap bleek niet mijn weg' Cultuurhistoricus Willem Frijhoff nieuwe hoogleraar Nieuwe Tijd Tot priester gewijd vertrok Willem Frijhoff in 1966 op kosten van de RK Kerk voor verdere studie naar Parijs, waar hij ontdekte dat hij niet geschikt was voor het priesterschap, in plaats daarvan vatte hij een passie op voor de cultuurgeschiedenis. Na dertien jaar hoogleraarschap in Rotterdam, volgt hij nu prof.dr. A.Th. Van Deursen op als hoogleraar Nieuwe Tijd aan de VU. "ik ben geïnteresseerd in de ervaringswereld van gewone mensen."
betekenis ervan kan veranderen", benadrukt Frijhoff. Als voorbeeld noemt hij de kus. "Tegenwoordig kussen we alleen wie we liefhebben op de mond en vrienden bij ontmoetingen op de wang, maar in de zestiende eeuw kusten Nederlanders ook hun vrienden heel actief De kus is dus blijven bestaan, maar de doelgroep en betekenis ervan is veranderd." Samen met vu-hoogleraar Nederlandse letterkunde tot 1770 Marijke Spies is Frijhoff bezig met een boek m het kader van een groot NWO-project over de Nederlandse cultuur in Europese context. Die cultuur moet m beeld gebracht worden door in te zoemen op vier jaartallen, ijkpunten genoemd. Spies en Frijhoff concentreren zich op de periode rond 1650. Anderen hebben 1800, 1900 en de periode van 1950 tot nu voor hun rekening genomen. "Het jaar 1650 is een keerpunt in de zeventiende eeuw, want dan begint de Gouden Eeuw pas echt van goud te worden en wordt ook heel Hollands", vertelt Frijhoff. "Belangrijke kenmerken van de Nederlandse cultuur in die tijd waren de discussiecultuur, grote inventiviteit en tolerantie. De vergaderzucht van de Nederlanders leidde ertoe dat zij betrokken raakten bij hun gewest of land, waardoor de integratie tot een nationale eenheid werd bevorderd. De mventivi^ teit uitte zich in ontdekkingsreizen en technische uitvindingen zoals molens, dijken, de microscoop en de verrekijker. Met de tolerantie was iets vreemds aan de hand. Officieel had alleen de gereformeerde kerk bestaansrecht, maar toch voelden mensen met andere religieuze opvattingen zich niet echt vervolgd, omdat er onder het officiële niveau veel werd getolereerd. Dat was in Europa uniek."
Frieda Pruim
Willem Frijhoff senior vernoemde zijn oudste zoon naar zichzelf in de hoop dat deze te zijner tijd zijn fotozaak zou overnemen. Maar het liep anders. De jonge Willem raakte gefascmeerd door het "lachende" katholieke geloof dat in het gezin Frijhoff werd gepraktiseerd, en koos voor een studie filosofie en theologie op een rooms-katholiek seminarie. Hi) studeerde af in de theologie. "Ik was het beste jongetje van de klas, dus toen ik in juli 1966 tot priester werd gewijd, raadde de toenmalige kardinaal Alfrink mij aan om verder te studeren", vertelt Frijhoff, die deze week begonnen is als hoogleraar Nieuwe Tijd (1500-1870) aan de vu. Frijhoff was geboeid door de Annates, een historische school rond een Frans tijdschrift die pleitte voor een integrale geschiedenis, en besloot in Frankrijk geschiedenis te gaan studeren. Met een beurs van het bisdom op zak, schreef de geestelijke zich in aan de Sorbonne in Parijs, en vond een kamer in een mtemationaal studentenhuis dat hoorde bij een klooster. "Daar heerste een streng regime van acht uur binnen en geen vrouwelijk bezoek", herinnen Frijhoff zich. "Al gauw richtte ik met nog twee Nederlanders een comité op om die regels te veranderen, nog vóór de opstand van mei '68, maar dat mocht niet baten. Na drie jaar werden we eruit gegooid." Ook op andere vlakken ontdekte hij dat hij niet geschapen was voor het religieuze leven: "Omdat de studenten elkaar 's avonds na de werkcolleges altijd naar huis begeleidden, ontdekten ze al gauw dat ik priester was. Nederland had een tolerante reputatie in die tijd, dus gingen ze hun hart bij mij uitstorten in de hoop mijn goedkeuring te krijgen voor gedrag dat door Franse geestelijken werd afgekeurd. Maar het sprak me niet aan om als een soort biechtvader op te treden." In de zomermaanden, als hij geen beurs kreeg, verving hij op het Franse platteland een pastoor om in zijn onderhoud te kimnen voorzien, maar ook daarin vond hij geen voldoening. "Ik at iedere middag bij een ander gezin en vertelde als tegenprestatie over Nederland. Dat was wel leuk, maar het voorgaan in de mis vond ik absoluut niet interessant. Het geloof van de Fransen was in die tijd heel ritueel. De gelovigen vervulden een aantal riten om erbij te horen, maar enige diepgang had dit niet. Ze hadden totaal geen kennis van de bijbel en keken enorm tegen de pastoor op. Dat was niet wat ik me bij religie voorstelde en ik besloot dat dit niet mijn weg was." In zijn studie verdween de religie ook steeds meer uit beeld. "Ik had me in mijn eerste jaar behalve bij geschiedenis ook ingeschreven bij een onderzoeksinstituut waar men zich onder meer bezighield met de geschiedenis van de spiritualiteit. Maar daar bleken ze alleen zeer nauwgezet allerlei grote spirituele geschriften te analyseren. Dat hield ik niet lang vol." Ondertussen werd hij steeds meer gegrepen door historisch onderzoek. Toen zijn afstudeerbegeleider prof dr. Dupront hem vroeg om na zijn studie als assistent te komen werken op zijn kleine onderzoeksinstituut op het gebied van de religieuze antropologie, greep hij die kans dan ook met beide handen
Prof.dr. Willem Frijhoff: 'In
het buitenland
ontdek je dat er voor dezelfde problemen andere oplossingen mogelijk zijn dan in
Nederland.' Bram de Hollander
Uitgekeken
aan. Zo werd hij op het spoor van de cultuurgeschiedenis gezet. Toen hij wilde gaan trouwen, verzocht hij het Vaticaan om hem zijn priesterschap te ontnemen, maar zijn aanvraag werd geweigerd, zodat hij formeel nog steeds priester is.
Mening Om twee redenen is het Frijhoff heel goed bevallen om een periode in het buitenland te verblijven, en hij raadt dan ook alle studenten aan een tijdje de grens over te gaan. "Ze zitten niet op je te wachten, dus je moet je eigen weg gaan en laten zien wat je waard bent", legt hij uit. "Bovendien werkt zo'n uitstapje relativerend en verrijkend: je ontdekt dat er voor dezelfde problemen andere oplossingen mogelijk zijn dan in Nederland." Als voorbeeld noemt hij de verschillende manier waarop Nederlanders en Fransen met elkaar omgaan. "In Nederland is duidelijkheid een deugd. Het wordt gewaardeerd als je elkaar de waarheid zegt. In Frankrijk werkt dat anders. Je gaat formeel met elkaar om en maakt wat je werkelijk denkt via subtiele toespelingen bekend. Je kunt dat hypocriet noemen, maar het heeft ook een andere kant: je krijgt geen ruzie, de sociale relatiepatronen blijven intact. Eigenlijk is dat wel heel slim." Wat de manier van studeren betreft gaat zijn voorkeur daarentegen uit naar de Nederlandse manier van doen. "Fransen zijn meesters in het analyseren, maar ze geven nooit een mening in een stuk, terwijl Nederlandse studenten juist worden aangespoord om een
eigen opinie te formuleren. Zelf vind ik het heel goed als studenten een kritisch oordeel kunnen geven. Als zij tijdens een literatuurtentamen alle feitjes hebben opgelepeld, vraag ik altijd: wat vind je er zelf van?" Na elf jaar bij wetenschappelijke instituten in Parijs te hebben gewerkt, keerde hij terug naar Nederland om in Tilburg te promoveren. Daar doceerde hij vervolgens twee jaar sociale geschiedenis. In 1983 vertrok hij naar Rotterdam om daar de nieuwe leerstoel 'geschiedenis van culturele en mentale aspecten van pre-industriële
sa's, wat voor symbolen en rituelen hebben ze en hoe sluit dat aan op de voorstellingen die ze in hun hoofd hebben, dus bijvoorbeeld: hoe denken ze over de dood en hoe komt dat tot uiting in hun grafcultuur. Zeker als je de Nieuwe Tijd bestudeert, is religie een sleutel tot het begrip dat mensen van de werkelijkheid hadden en voor een deel ook tot hun handelen, want cultuur was in die periode heel erg met religie doordesemd. Cultuurgeschiedenis gaat dus over de onderlaag waarop de samenleving drijft. Grote figuren uit de geschiedenis boeien mij niet zo, want het is moeilijk om de beeldvorming die om hen heen ontstaan is door te prikken. Ik ben vooral geïnteresseerd in de ervaringswereld van gewone mensen." De Nieuwe Tijd boeit Frijhoff omdat deze niet zo ver weg IS dat we ons er niet meer in herkennen, maar anders genoeg dan nu om er met een zekere distantie naar te kunnen kijken. "In die periode liggen de wortels van wat wij nu zijn. Wij zijn gevormd door het proces van reformatie en tegenreformatie, door de Verlichting, door allerlei ontwikkelingen op kunstzinnig gebied en door het nationalisme in die tijd." Een aantal rituelen en gewoonten uit die periode bestaan nog steeds. Het "vergaderregime" is daar volgens Frijhoff een goed voorbeeld van. Ook bij bijzondere gelegenheden zoals geboorte, huwelijk, verjaardagen en Sinterklaas zijn rituelen ontstaan die al een paar eeuwen meegaan. "Maar ook al blijven die rituelen qua vorm gelijk, de
'Fransen zijn meesters in het analyseren, maar ze geven nooit een mening in een stuk' samenlevingen' te bezetten. Een hele mond vol, maar volgens Frijhoff is het simpeler dan het lijkt. "Ik was daar in feite hoogleraar cultuurgeschiedenis van de Nieuwe Tijd. Bij de oprichting van maatschappijgeschiedenis bepaalde men dat er docenten zouden worden aangezocht per maatschappijtype - pre-mdustrieel, industrieel en agrarisch-metropolitair - en met een culturele, sociale of economische invalshoek. Ik werd verantwoordelijk voor cultuur pre-industrieel." Frijhoff hanteert een antropologische opvatting van cultuur. "De cultuur van het dagelijks leven, van het omgaan met elkaar, alle gedragingen, en de manieren waarop voorwerpen worden gebruikt", legt Frijhoff uit. "Maar ook: wat geloven brede mas-
De eerste keer dat Frijhoff door de gangen van de vu dwaalde, deed het hem deugd te zien dat er activiteiten van allerlei faculteiten hingen aangeplakt. "Als er m Rotterdam iets te doen IS, kun je er donder op zeggen dat het georganiseerd is door Geneeskunde of Economie." Verder verheugt hij zich erop m Amsterdam deel uit te gaan maken van een brede letterenfaculteit, die hij in Rotterdam altijd erg heeft gemist. De overstap van maatschappijgeschiedenis naar geschiedenis lijkt hem een minder grote: "In Rotterdam werkten we in de praktijk ook met perioden, en de Rotterdamse aandacht voor cultuur is door steeds meer universiteiten overgenomen." Frijhoff was "een beetje uitgekeken" in Rotterdam. "Ik vind tien jaar ergens zitten lang genoeg, en in Rotterdam zat ik al dertien jaar." Maar ook de bezuinigingen op zijn oude werkplek hebben meegespeeld. "De faculteit maatschappijgeschiedenis is in 1978 opgericht en heeft toen een aantal jonge docenten aangetrokken. Nu, twmtig jaar later, is iedereen een stuk ouder, maar er zijn nog geen gepensioneerden in zicht. Toch moet er een aantal mensen weg. Dus mijn vertrek lost ook een probleem op." Het ligt voor de hand dat Frijhoff met zijn opleiding m de filosofie, de theologie én de letteren voorstander is van clustering tussen letteren, wijsbegeerte en godgeleerdheid, zoals die het college van bestuur voor ogen staat. Maar de nieuwe vu-hoogleraar reageert voorzichtig: "Ik wil er eerst wat meer over lezen. A prion ben ik niet tegen, want ik vind dat de universiteit een kritische, maar brede blik moet verschaffen. Maar dat moet er niet toe leiden dat ik colleges moet gaan geven die voor iedereen begrijpelijk zijn, want dan worden we een soort cafetaria zonder enige diepgang. En een sociale wet leert dat het geen zin heeft om te groot te worden, want dan treedt er in de praktijk toch weer een of andere opsplitsing op."
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 29 augustus 1996
Ad Valvas | 674 Pagina's