Ad Valvas 1996-1997 - pagina 139
AD VALVAS 24 OKTOBER 1996
Ji
PAGINA 13
t- =U
Hoogleraren moeten wennen aan managersrol Werd een hoogleraar vroeger benoemd wegens zijn wetenschappelijke kwaliteiten, tegenwoordig moet hij of zij ook verstand hebben van management. De VU biedt al zo'n drie jaar een leergang die hoogleraren en universitair hoofddocenten de kneepjes van het leidinggeven bijbrengt. "Sommige dingen doe je van nature goed, maar nu word je je er bewuster van", aldus een van de deelnemers. Peter B o e r m a n
"Er heeft de laatste jaren een verschuiving plaatsgevonden van de hoogleraar als onderzoeker naar de hoogleraar als manager", vertelt prof.dr. W. N o o m e n , voorzitter van het college van bestuur van de vu. "Mensen die m aanmerking komen voor een hoogleraarsfunctie, hebben er daarom zeker baat bij h u n kennis op het gebied van leidinggeven te verfijnen." N o o m e n was drie jaar geleden in zijn toenmalige functie van decaan bij de faculteit sociaal-culturele wetenschappen een van de eerste klanten van de leergang Gestructureerd Begeleiden, een cursus die hoogleraren en universitair hoofddocenten leert hoe ze hun personeel moeten managen. "Ik kan die leergang zeker aanbevelen", vertelt hij n u . "Voor iedereen die in commissies of besturen zit, bevat hij heel belangrijke elementen." Inmiddels hebben bijna honderd hoogleraren de cursus gevolgd. Begin volgend jaar moet weer een nieuwe groep van start gaan. "De cursus doet het goed", vult coUege-van-bestuurlid mr. J. Donner zi)n collega N o o m e n aan. " O p grond van de grote belangstelling stel ik vast dat de leergang zeker in een behoefte voorziet." De cursus neemt in totaal acht dagen in beslag. Eerst wordt anderhalve dag besteed aan hoe de hoogleraar of UHD zichzelf als leidinggevende ziet. D a n volgt anderhalve dag organisatiekunde. De laatste dag van de eerste sessie is een training. In de vier maanden die daarop volgen, wordt elke maand een 'terugkomdag' gehouden. In groepen
van zeven wisselen de cursisten dan ervaringen uit. "Bij de eerste modulen sturen wij nog heel veel aan", aldus drs. M . van Rixtel, een van de begeleidsters van de leergang. "Bij de terugkomdagen, die wij de intervisiedagen noemen, gaat er veel meer uit van de deelnemers zelf." Zowel N o o m e n als Donner vindt het niet vreemd dat de leidmggevenden binnen de universiteit mensen zijn die daar geen opleiding voor gehad hebben. "Ik zou een fel tegenstander zijn van beroepsbestuurders", aldus N o o men. "Iedereen in een faculteit weet nu wat er speelt op het gebied van onderzoek en onderwijs, ook degenen zonder bestuurlijke functie. Bij een beroepsbestuurder is het maar de vraag of hij daarvan op de hoogte is." Donner valt N o o m e n bij: "Een universiteit is een professionele organisatie. Van de mensen die leiding geven, wordt gezag verwacht. Daar heb je soms wat extra vaardigheden voor nodig, maar het is niet de bedoeling hoogleraren door deze leergang om te vormen tot beroepsbestuurders. Er is natuurlijk wel een wisselwerking tussen iemands aanleg en de kans dat hij of zij voor een functie benaderd wordt." Bijna alle betrokkenen zijn het erover eens dat de leergang, zeker voor zittende hoogleraren, niet verplicht kan worden gesteld. Noomen: "Je kunt hooguit zeggen dat iemand zichzelf te kort doet als hij er niet aan meedoet." A. Lemmers, opleidingsadviseur bij Personeelszaken, weet dat ook. " D e mensen die zich n u aangemeld hebben, zijn
y/w^ Illustratie: Berend Vonk
degenen die zich ervan bewust zijn dat leidinggeven lastig kan zijn." D e meeste hoogleraren die de cursus achter de rug hebben, kijken met voldoening terug. N o o m e n is "over het algemeen positief'. Van h e m had het alleen allemaal wat sneller gemogen. "Het is op deze manier een fikse aanslag op de agenda." Hoogleraar sociale gerontologie prof.dr. C. Knipscheer is dat niet met zijn voormalige collega eens. "Als je je dit al niet kunt veroorloven, zit er iets echt fout." Knipscheer schreef zich drie jaar geleden in voor de cursus om bij de reorganisatie van zijn faculteit meer in te brengen te hebben. Later bleken ook andere aspecten van de leergang van pas te komen. Zo gebruikt Knipscheer in functioneringsgesprekken nu altijd het model dat hij op de cursus geleerd heeft. Ook in andere gevallen pakt hij het cursusboek er nog wel eens bij. Bovendien heeft Knipscheer n o g regelmatig contact met zijn intervisiegroep. " W a t mij alleen nuttig zou lijken is dat de begeleiders minstens één keer op de werkplek zouden komen kijken tijdens de leergang. D a n hebben ze beter zicht op wat er speelt. E n voor de deelnemers is
het een extra push om de stof te laten beklijven." Ook prof.dr. J. Rauwerda, die zo'n d n e jaar geleden de leergang volgde, heeft nog wel eens contact met leden van z'n intervisiegroep. Hij denkt dat dit soort leergangen zo nuttig zijn, dat ze eigenlijk verplicht zouden moeten worden. " D e briljante wetenschapper die niet kan managen heeft het op de moderne universiteit moeilijk", meent de medicus. " D e leergang zou daarom een must moeten zijn." Hij kent ook de beperkingen van de leergang. "Het is net als met een rijbewijs. Als je dat gehaald hebt, ben je ook nog geen volleerd chauffeur. M a a r h e t geeft je wel handvatten om je in het verkeer staande te houden." Rauwerda denkt wel dat de leergang hem meer heeft opgeleverd dan hij aanvankelijk vermoedde. Dat geldt ook voor prof.mr. A. Soeteman. " D e kosten/batenanalyse is natuurlijk moeilijk te maken. Maar als je me vraagt: heb je er wat aan, dan zeg ik zeker: ja." D e
jurist begon een jaar geleden aan de cursus omdat hij decaan van de rechtenfaculteit werd. Voor die functie dacht hij de leergang wel te kunnen gebruiken. Hij is er niet in teleurgesteld. "Je leert hoe je een analyse van de organisatie moet maken. Dat had ik anders niet gauw zo gedaan. Je leert ook hoe je met lastige medewerkers om moet gaan en hoe je een organisatie in beweging krijgt. D a t zijn dingen die je soms van nature goed doet, maar nu word je je er in ieder geval bewuster van." Soeteman denkt wel dat enig managementtalent onontbeerlijk is voor de leergang. "Als je bestuurlijk onhandig bent, dan helpt zo'n cursus je daar echt niet vanaf. Je kunt er alleen bepaalde kleine dmgen mee aan- en afleren." Wat de decaan er zelf het meest van geleerd heeft, is alert te blijven. "Juist als het prima lijkt te gaan, moet je uitkijken. Tevredenheid is het grootste risico voor een organisatie. O p je lauweren rusten mag je doen als je met pensioen bent, maar als organisatie kim je je dat nooit veroorloven."
I k ben een echte puzzelaar' in de meeste hotels bestaat kamer dertien niet. De VU is minder bijgelovig. Ad Valvas onthult wie er schuilgaan achter dit geheimzinnige kamernummer. Deze maand: Koos Herscheid, die werkt op kamer B-13 en lab C-13 in het Radionucliden-centrum.
te, maar feitelijk onjuiste associatie van radioactiviteit met kernafval zit h e m dwars. "Dat is een heel ander verhaal. Ik ben dan ook geen voorstander van kernenergie zolang je niet precies weet waar je met je afval naar toe kunt." Herscheid leidt de geïnteresseerde bezoeker m e t overgave rond in de gewelven van het gebouw, trap op, trap af, door de vaak zelfgebouwde proefopstellingen en de opslagruimtes heen, de sporadische onderzoeker die hier tegen het lijf kan worden gelopen
Peter B o e r m a n
Het bestaan ervan wordt door velen niet vermoed, maar in de onderaardse gangen van het Wis- en Natuurkundegebouw bevinden zich vele onderzoekslaboratoria. Al het onderzoekswerk met radioactieve materialen dat op de vu wordt verricht, gebeurt hier, m het Radionuclidencentrum
(RNC),
dat in totaal 24 laboratoria omvat. Iedereen die hier rondloopt, krijgt een witte jas aangemeten en gele schoenen om mogelijk besmettingsgevaar te weren. Weer bovengronds moeten de handen gewassen en wordt direct de radioactiviteit gemeten. " W e zijn eigenlijk een hotel", vertelt Koos H e r scheid. " M e t als gasten de onderzoekers van verschillende faculteiten." Herscheid houdt kantoor op kamer B-13. Onderzoek voert hij uit m de kelder op lab c-13. "Gelukkig ben ik met bijgelovig", zegt hij lachend. D e chemicus IS m 1981 bij het nu 22 jaar oude centrum terechtgekomen na een scheikundestudie in Leiden en een promotie in Nijmegen. Tegenwoordig is hij hoofd van de eigen onderzoeksgroep van het RNC. Die groep, tien man sterk.
Koos H e r s c h e i d : 'Te w e i n i g tijd o m z e l f m e t potten e n pannen in d e w e e r t e z i j n . '
houdt zich bezig met radiofarmaca, radioactieve geneesmiddelen. " H e t is belangrijk dat een patiënt de radioactiviteit zo snel mogelijk weer kwijtraakt. We gebruiken hier radioactieve uitgangsstoffen m e t een halfwaardetijd van zo'n twintig minuten. D a t betekent dat je na twintig minuten al de helft van de straling kwijt bent. Veel van dat spul wordt hier in de v u geproduceerd bij het Cyclotron. We hebben een geformaliseerd samenwerkingsverband: RNC, Cyclotron en de afdeling
nucleaire geneeskunde van het ziekenhuis. Voor onze opdrachten zijn we erg afhankelijk van het ziekenhuis. We kunnen niet een nieuwe verbmdmg samenstellen en daar vervolgens een ziekte bij zoeken. D a t moet andersom." De omvang en gevarieerde apparatuur maken het BUMC tot een uniek centrum in Nederland, volgens Herscheid zelfs in Europa. Nergens anders vind je zoveel faciliteiten om onderzoek met radioactieve stoffen te doen op één
Peter Welters - AVC/VU
locatie bij elkaar. Gevaarlijk is dat niet. "We hadden ooit een bezorger van de l?TT die per se met verder dan de voordeur wilde. Hij zei dat hij niet de eerste lichtgevende postbode wilde zijn", grapt de scheikundige. "Maar straling kun je juist heel goed meten. Werken met giftige stoffen is veel gevaarlijker. Er hangt nog steeds de mythe rondom radioactiviteit dat werken ermee onveilig zou zijn. Terwijl veel afval hier relatief onschuldig is, omdat het maar kortlevend is." Vooral de vaak gemaak-
vriendelijk groetend. "Het mooie van m ' n vak is dat je de hele ontwikkelmg van een product meemaakt, van het prille begin met de productie van het isotoop, via het maken van de verbinding en het dierexperimenteel onderzoek, tot aan het patientenonderzoek." Herscheid betreurt het dat hij momenteel zoveel op kamer dertien verblijft en zo weinig op het lab. Door de geringe omvang van z'n onderzoeksgroep is hij veel tijd kwijt aan organiseren en houdt hij "helaas te weinig tijd over om zelf met potten en pannen in de weer te zijn. Research doen is toch een beetje puzzelen. En ik ben een echte puzzelaar." Ook in zijn spaarzame vrije tijd besteedt hij daar veel aandacht aan. Naast bridgen en stijldansen cryptogram! Herscheid menig vrij uurtje vol. Al met al een druk programma. "Ik kan inderdaad niet echt zeggen dat ik me verveel."
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 29 augustus 1996
Ad Valvas | 674 Pagina's