Geheugen van de VU cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Geheugen van de VU te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Geheugen van de VU.

Bekijk het origineel

Ad Valvas 1996-1997 - pagina 383

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Ad Valvas 1996-1997 - pagina 383

1 minuut leestijd

AD VALVAS 2 0 FEBRUARI

1997

PAGINA 7

'Een goede roman is als vogelgezang' Prof.dr. Hugo Bousset nieuwe hoogleraar literaire kritiek Hij ergert zich aan romans met een boodscliap en leest graag met de ogen van een l<ind of hond. Prof.dr. Hugo Bousset (54) is per 1 februari 1997 als eerste Vlaming benoemd tot bijzonder hoogleraar op de wisselleerstoel literaire kritiek. Hij wil zijn studenten aansporen tot creativiteit. "Ik hou van kritiek die een vorm van terugschrijven is."

ges en een boodschap. D e rest is 'misschien wel goed, maar toch on-Nederlands, een beetje bevreemdend'. In Vlaanderen heb je dat mmder. Recensenten daar zijn meer geporteerd voor dat soort literamur. Dat kan te maken hebben met de grote auteurs die de huidige generaties zijn voorgegaan. In Vlaanderen zijn dat Louis Paul Boon, Hugo Claus en Ivo Michiels. Dat is een ander slag auteurs dan de Nederlandse Hermans en Mulisch. In de boeken van Claus gaat het bijvoorbeeld voortdurend over de onmogelijkheid om te weten te komen wie je bent en hoe de realiteit m elkaar zit. Bij Michiels is de taal zelf thema, de manier waarop mensen langs elkaar heen praten, en Boon schrok er niet voor terug vier romans in elkaar te weven in De Kapellekensbaan. Zij experimenteren meer."

Frieda Pruim

"Het gaat er vrij plechtig aan toe bij die oraties aan de vu, hè?", zegt prof dr. Hugo Bousset aan het eind van het gesprek. "Ik heb een hele reeks richtlijnen gekregen: we moeten een half uur tevoren samenkomen en het schijnt dat we een stoet moeten vormen. Alsjeblieft! Ik moet ook zwarte sokken aan, maar die heb ik helemaal met!" Het typeert de hoogleraar moderne Nederlandse literatuur aan de Katholieke Universiteit Brussel en de Facultés Universitaires SaintLouis, die per 1 februari is benoemd tot bijzonder hoogleraar literaire kritiek aan de vu. Ook zijn opvattingen over romans en de manier waarop hij die overbrengt, zijn onconventioneel. "Ik ben altijd geporteerd geweest voor ongewone vormen van literatuur", vertelt hij. "Niet voor die doorzichtige romans waarbij je meteen doorhebt hoe ze in elkaar zitten, met personages met wie je je kunt identificeren, een begm, een midden en een eind en een boodschap, die de lezer moet proberen te achterhalen. Hij kan bij wijze van spreken bij de auteur gaan checken of hij de boodschap goed begrepen heeft en de auteur kan dan 'ja' of 'nee' zeggen, of 'zoek nog een beetje'. Ik erger me vreselijk aan die boodschappen; ik ken ze intussen allemaal van buiten." In de jaren zeventig, toen Bousset tweewekelijks een literaire kritiek schreef in De Spectator, had hij al een voorkeur voor romans die als vrij marginaal werden beschouwd, maar later vaak populair werden. "In die boeken gebeurde iets speciaals met de taal of de relatie tussen werkelijkheid en fictie werd onderzocht", legt hij uit "Ik hou van romans die open staan, die de lezers aan het denken zetten, hun creativiteit prikkelen en die meer vragen stellen dan antwoorden geven."

Rotnanopvatting Deze verschillen tussen Nederlandse en Vlaamse romans worden volgens Bousset uitvergroot door de manier waarop de critici erover schrijven. "In Nederland verschijnen ook flmk wat zogenaamde afwijkende romans, maar de kritiek heeft daar moeite mee. Auteurs als Gerrit Krol, Jacq Vogelaar, Willem Brakman, maar ook Marie Kessels, M. Februari en de piepjonge Désanne van Brederode worden een beetje verwrongen behandeld, waardoor je een vervormd beeld krijgt van de Nederlandse literatuur." Over de literaire kritieken van Rob Schouten en Carel Peeters, zijn twee Nederlandse voorgangers als hoogleraar literaire kritiek, oordeelt hij genuanceerd. "Peeters is een model-criticus. H I J bouwt zijn kritieken op zoals je dat op school kunt leren: eerst een informatief gedeelte, dan een descriptief deel en ten slotte een evaluatie. Zijn stukken beginnen niet met 'wat heb ik mij gisteren rotverveeld met dit boek'. Dat vmd ik wel goed: hij laat de lezer de tijd om zelf te beoordelen of een boek hem wel of niet bevalt en komt pas aan het einde zelf tevoorschijn. Maar hij heeft duidelijk een andere romanopvatting dan ik." M e t Schouten heeft Bousset wel gepraat en hij heeft ook recensies van hem gelezen, maar die gaan vaak over poëzie, een gebied waarvoor andere criteria gelden dan voor prozakritiek. "Ik heb wel de indruk dat hij openstaat voor wat ongewonere vormen van poëzie. Daar herken ik me wel een beetje m."

Prof.dr. Hugo Bousset: 'Zelfs Connie Palmen is niet aan mij besteed.'

Mare Cels

Pure fictie Gevraagd naar voorbeelden van auteurs met een boodschap, noemt hij na enige aarzeling Willem Frederik Hermans en Harry Mulisch. "Dat zijn schrijvers van betekenis", benadrukt hl), "maar het is niet mijn type auteur. Ik zat m de jury die de Grote Prijs der Nederiandse Letteren aan Mulisch heeft toegekend. D a n ga ik op een hogere verdieping zitten en zeg: wacht eens even, dat is toch een belangrijk auteur Maar een boek als De ontdekking van de hemel is niet mijn smaak, omdat het de ambitie heeft om zonder ironie of relativermg alle kermis die nu voorhanden is te combineren tot een sluitend systeem. Als dat pure fictie zou zijn, zou ik zeggen: wat een vreemd ding heeft hij daar gemaakt, maar hij maakt voortdurend duidelijk dat hij realiteitsgehalte toekent aan zijn systeem. Zijn boodschap is: zo zit de wereld m elkaar. Ik heb daar moeite mee, en ik niet alleen. Onderlegde wetenschappers fronsen ook de wenkbrauwen als je ze vraagt dit boek te le^en Dan lees ik liever een boek van een van die wetenschappers. Ik heb ook moeite met romans waarin een personage een probleem heeft en dat gaandeweg oplost door een ontmoeting of door op reis te gaan, je kent dat wel. Het is zo voorspelbaar! D a n denk ik: zo simpel zit het leven niet in elkaar Maarten 't Hart is daar een voorbeeld van, of Nelleke Noordervliet Maar zelfs Connie Palmen is met echt aan mij besteed." Een schnjfster als Chariotte Mutsaers daarentegen bejubelt hij in alle toonaarden "ZIJ schrijft zelf: een roman is met zomaar een beetje correcte politiek, een beetje seks erbij, een beetje

tijdgeest. Zij vergelijkt een boek meer met vogelgezang. Dat vind ik prachtig. Ik heb niks tegen een story, maar als ik zoiets wil beleven, kijk ik liever televisie. Het gaat sneller, is minstens even goed gemaakt en je hoeft je er minder voor m te spannen. D e soap heeft de functie van de roman voor een deel overgenomen. Mutsaers schrijft een heel ander soort boeken. Zij geeft een visie op de wereld waar je niet echt raad mee weet. Bij haar krijg je het

verlangen om onvolwassen te worden. Dat is het omgekeerde van de romans waar we het net over hadden. M u t saers laat haar lezers naar de wereld kijken als een kind. Of als een hond! Dat zit ook duidelijk m haar werk. Bij haar denk je bij elke zin: hé, hé, geweldig wat ze allemaal ziet door de ogen van dat kind of zelfs van die hond! Het is ongelooflijk origineel." Dit soort boeken inspireert Bousset tot het schrijven van literaire kritieken, die de laatste tijd steeds meer de vorm beginnen aan te nemen van essays.

waarin hij in tegenstelling tot vroeger ook vergelijkingen trekt met buitenlandse romans en met andere artistieke uitingsvormen zoals schilderkunst, film en fotografie. Zijn kritieken worden ook minder academisch en nemen zelfs enigszins de vorm van fictie aan. Deze essays zijn gebundeld in De Gulden Snede (1993) en Geritsel van papier (1996). "Ik hou van kritiek als een vorm van terugschrijven, een term die Jacq Vogelaar heeft bedacht en waarom ik hem benijd", zegt Bousset. "Mijn proefschrift over Ivo Michiels heet Lezen om te schrijven. Dat gaat een beetje in dezelfde richting: lezen dat ertoe aanzet om zelf creatief te worden. D a t gebeurt nog te weinig naar mijn smaak. Je moet een tekst niet tot één betekenis herleiden, zoals veel critici en docenten doen, maar 'm juist laten uiteenspatten: betekenissen toevoegen." Een goede roman heeft volgens de hoogleraar evenveel betekenissen als er lezers zijn. "Dat is juist het prachtige ervan. Een boek bestaat uit het boek zelf en alle reacties daarop. Dat vind ik geweldig! Die creatieve, meer essayistische vorm van kritiek is duidelijk in opmars, maar het gaat nog traag. Ik beschouw het als een van mijn taken om de studenten op de vu een beetje in die richting te leiden. Je kunt je afvragen waarin het evaluatieve van een recensie nog zit als iemand zomaar z'n eigen betekenis aan een boek gaat toekennen. Mijn antwoord daarop is, en daarover zal ook mijn oratie op 6 juni gaan, dat er wel degelijk sprake is van evaluatie, want romans die mij niet de gelegenheid geven om erop te reageren, vallen uit

de boot. Hoewel ik soms ook wel eens met kwade bedoelingen een roman bespreek die mij uitermate verveelt. Dat ligt soms aan kleine details: iemand die geneest, iemand die zijn identiteit vindt of plotsklaps de zin van het leven ziet, maar ook de stijl kan ergerlijk zijn. Bijvoorbeeld de

beieher-ü'Sen ofs er lezers zijn'

manier waarop dialogen worden weergegeven: van 'zei hij verontwaardigd' of 'antwoordde hij boos' krijg ik helemaal de kriebels. Dat moet daar niet staan. Dat moet blijken en je moet ook een beetje aan het twijfelen worden gebracht: is hij wel kwaad, of doet hij of hij kwaad is?" Het is hem opgevallen dat Nederlandse critici meer moeite hebben met "open" romans dan Vlaamse recensenten. "Men heeft het bijvoorbeeld over een on-Nederlandse roman, waarbij ik me afvraag: wat zouden ze bedoelen? Ik ben tot de conclusie gekomen dat een Nederlandse roman volgens hen een verhaal is met een realiteitsgehalte, herkenbare persona-

Een kleine groep gezaghebbende Nederlandse schrijvers, zoals Hermans, Mulisch en Reve enkele decennia terug in Nederland, kennen we in deze tijd niet meer, maar daarmee is volgens Bousset nog niets gezegd over de kwaliteit van de huidige generatie auteurs. "Een auteur als A.F.Th, van der Heijden vind ik bijvoorbeeld duidelijk de allure hebben van een heel groot auteur. Ik zou niet weten wat hij niet ter sprake brengt in De tandeloze tijd, maar op een heel open manier. Hij ondergraaft eerder opvattingen dan dat hij ze verkondigt, maar hij spreekt over politiek, over de tijdgeest van de jaren vijftig tot 1985, psychologische problemen en filosofische kwesties en hij heeft een prachtige barokke stijl die je meesleurt - en die trouwens ook een beetje on-Nederlands IS." Maar ook Gewassen vlees van T h o m a s Rosenboom en het onlangs met de ECl-prijs bekroonde boek De opdracht van Wessel te Gussinklo vindt Bousset meesterwerken. "De opdracht heeft mij bijzonder getroffen en ontroerd. De schrijver is afgedaald m het personage van een jonge kerel die overhoop ligt met zichzelf en die naar een zomerkamp fietst op de Veluwe. Je blijft de hele tijd is het bewustzijn van die jongen, die niet wordt aanvaard door de groep. Hij wil erbij horen, maar dat lukt niet. Hij repeteert zmnetjes die hij moet zeggen om erbij te horen en hij trekt grimassen: als ik zo lach, zullen ze me accepteren. Het is gruwelijk en prachtig tegelijkertijd. Honderden bladzijden lang gebeurt er mets, maar ik heb m e geen moment verveeld."

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 29 augustus 1996

Ad Valvas | 674 Pagina's

Ad Valvas 1996-1997 - pagina 383

Bekijk de hele uitgave van donderdag 29 augustus 1996

Ad Valvas | 674 Pagina's