Ad Valvas 1996-1997 - pagina 665
A D VALVAS 2 6 JUNI 1 9 9 7
PAGINA 7
'Gedichten zijn meer dan gedacliten' Hoogleraar wijsbegeerte Theo de Boer gaat zich na zijn afscheid concentreren op de poëzie "Bij de Vijftigers denk ik aan Rodenko, Kouwenaar en Lucebert. Gerrit Achterberg was een natuurtalent, wiens werk filosofisch heel relevant is. Ik heb wel eens gezegd dat voor een filosofiestudie twee boeken voldoende zijn: Kritik der reinen Vernunft van Kant en het Verzameld Werk van Achterberg. Ik wil onderzoeken hoe filosofie en poëzie zich in h u n werk verhouden."
Als puber was hij al verzot op gedichten. Die liefde raakte wat ondergesneeuwd tijdens zijn studie wijsbegeerte, maar in z'n werk als hoogleraar dook de poëzie weer op. Nu hij met emeritaat gaat, wil prof.dr. Theo de Boer zich zelfs helemaal gaan storten op de relatie tussen filosofie en poëzie. "Een gedicht is een lens waardoor je beter ziet."
Versierin
Frieda Pruim "Toen ik nog nooit van wijsbegeerte gehoord had, was ik altijd met poëzie bezig", vertelt hoogleraar systematische wijsbegeerte T h e o de Boer (65), die op 27 juni afscheid neemt van de vu. Zijn liefde ging zelfs zover, dat hij als puber elk gedicht dat hij tegenkwam in een schriftje overschreef. D e keuze voor een studie klassieke letteren lag dan ook voor de hand. Maar die studie bracht hem niet wat hij ervan had gehoopt. "Wij lazen bijvoorbeeld Justinus, een van de oudste kerkvaders", vertelt hij. "Die heeft het vaak over de logos. Maar toen ik aan mijn professor vroeg wat dat betekende, kreeg ik te horen: dat moet u maar aan mijn collega van filosofie vragen. Wij zitten hier voor de tekst. Die m a n kon echt enthousiast worden bij het idee dat Erasmus al over een tekst van Seneca gebogen had gezeten, maar over wat Seneca ons te zéggen heeft, repte hij niet. Of een woordje moest eindigen op -et of -es vond hij wel weer erg belangrijk. Ik heb nooit begrepen waar dat gedoe voor nodig was." Toen hij in zijn derde jaar aan z'n vader opbiechtte dat hij geen zin meer had in klassieke letteren en wilde overstappen naar de filosofie, zei die tot zijn verrassing: 'Als ik jou was, zou ik dat al lang hebben gedaan.' "Hij had me blijkbaar zien tobben en net als ik de zinvolheid betwijfeld van dat gedoe", aldus D e Boer. Voor de wijsbegeerte was zijn interesse al gewekt op het gymnasium, toen hij boekjes over filosofie tegenkwam tijdens het grasduinen in de kast van zijn vader, een gereformeerd dominee. "Ik heb laatst nog zo'n boekje teruggevonden", grijnst D e Boer. "Het is geschreven door een totaal onbekend filosoof, prof Griss. Daarin las ik dat de wereld zoals wij die zien subjectief is, een bevmstzijnsverschijnsel, en dat die in werkelijkheid anders is. D a t zette me aan het denken."
Baarden Theo de Boer werkte bijna 25 jaar als hoogleraar filosofische antropologie op de UVA, alvorens hij vijf jaar geleden een aanstelling kreeg op de vu. Inhoudelijk verschilde zijn werk op beide universiteiten niet zoveel van elkaar, praktisch wel. "Je kunt je niet voorstellen hoe belangrijk het is dat op de v u alles bi) elkaar zit", legt hij uit. "Ik kom hier mensen van allerlei faculteiten tegen. O p de gang veel theologen, maar ik heb ook veel contact met wiskundigen gehad. En ik heb hier meer lezingen gehoord dan in
Prof.dr. Theo de Boer: 'Ik heb wel eens gezegd dat voor een filosofiestudie twee boeken voldoende zijn: 'Kritik der reinen Vernunft' van Kant en het 'Verzameld Werk' van Achterberg.' Peter Woiters AVC/vu
de rest van mijn leven, want daarvoor hoef je hier alleen maar de lift te nemen. O p de UVA moet je altijd met de fiets, een regenjas aan, noem maar op. Daar kom je niet toe." D e Boer kwam de afgelopen dertig jaar drie soorten filosofiestudenten tegen: maatschappijhervormers, studenten die willen weten wat wetenschap is en een groep die is geïnteresseerd in wie ze zelf zijn, de metafysici. "Die zijn er vrij veel tegenwoordig, terwijl er veel minder studenten zijn die op verandering van de samenleving zijn gericht", aldus D e Boer. "Die maatschappijhervormers zagen er ook heel anders uit. Als ik zo'n zaal binnenkwam, dacht ik: ik ben de jongste, want ze hadden zulke baarden. En ze zaten meestal ook een beetje somber te kijken." Het spijt hem dat studenten van tegenwoordig niet meer zo lang kunnen studeren als in zijn eigen studententijd, toen het nog vrij gebruikelijk was om negen jaar over je studie te doen. "Vóór de invoering van de twee-fasenstructuur werkte ik met mijn studenten nog een dikke pil van Paul Ricoeur van vijfhonderd bladzijden over Freud in het Frans door! En je leerde je studenten heel goed kennen. Een werkloze filosoof kost meer dan een student, dus wat voor zin heeft een bezuiniging op filosofie? Bovendien is het een hartstikke goedkoop vak. We hebben geen instrumenten nodig en eigenlijk ook geen ambtenaren die het zaakje besturen." Het irriteert hem mateloos dat er op de universiteit zoveel tijd wordt verdaan met vergaderen en reorganiseren. "Neem nou de voorgenomen clustering met letteren. Als die doorgaat, zijn we weer terug bij af, want ik heb doctoraalexamen gedaan aan de
faculteit der letteren en wijsbegeerte. T o e n is dankzij minister Cals de centrale interfaculteit filosofie opgericht. Dat was een bloeiperiode, maar onder Pais is wijsbegeerte een zelfstandige faculteit geworden, wat in mijn ogen een slechte ontwikkeling was. En nou is er weer sprake van dat we teruggaan naar letteren. D u s na een halve eeuw van ijverig organiseren, zeeën van tijd en hele bossen papier, wordt het weer precies hetzelfde als toen ik begon." Maar als er dan per se geclusterd moet worden, kan hij zich wel voorstellen dat letteren de aangewezen partner is. "Een faculteit als natuurkunde zou al gauw denken: wat moeten we met filosofie, het levert niks op, maar in de faculteit der letteren delen we allemaal hetzelfde lot, namelijk dat we niet bijdragen aan de vooruitgang van de economie."
Zelfkennis Wat zijn de belangrijkste wijsgerige ontdekkingen die T h e o de Boer de afgelopen dertig jaar heeft gedaan? Hij gaat er eens goed voor zitten. "Toen ik bezig was met mijn boek Grondslagen van een kritische psychologie (1980), is het me gelukt om het aloverheersende positivisme, het pure vergaren van feitjes waarin ik ook zelf opgevoed was, van me af te schudden", zegt hij dan. "Ik ben me gaan afvragen wat de zin van de mens- en cultuurwetenschappen is. H e t antwoord was dat ze moeten bijdragen aan een bewuster leven, aan het vergroten van de zelfkennis. Jaren later, bij het schrijven van Tamara A. en andere verhalen Over subjectiviteit ontdekte ik dat de autonomie van de mens niet zo'n centrale rol speelt als ik tot dan toe altijd had gedacht. Ik kwam erachter dat
ervaringen, ontvankelijkheid en inspiratie belangrijker zijn dan intenties en bedoelingen. Vanaf dat moment werd poëzie weer belangrijk voor mij." In Grondslagen van een kritische psychologie duiken voor het eerst weer gedichten op: van Martinus Nijhoff en Ed Hoomik. "Ik weet nog goed dat ik tijdens een college een keer uit m ' n hoofd uit dat gedicht van Ed Hoomik heb geciteerd, terwijl ik niet meer wist waar die regels vandaan kwamen. D e week erop n a m een student het gedicht voor me m e e . " De Boer straalt als hij nogmaals citeert: 'Op school stonden ze op het bord geschreven/ het werkwoord hebben en het werkwoord zijn/ Hiermee was de tijd, was eeuwigheid gegeven/ D e ene werkelijkheid en de andere schijn.' "In Grondslagen dienden de gedichten nog als illustratie, later zijn ze als inspiratiebron gaan dienen", vervolgt hij. "In de stukken die ik de laatste jaren over poëzie heb geschreven, heb ik steeds een gedicht als uitgangspunt genomen en bekeken wat er nou eigenlijk staat." Het was een verademing voor D e Boer om te ontdekken dat hij een stuk van zijn verleden in de filosofie kon integreren. N a dat ene gedicht kwamen ook al die andere dichtregels weer boven uit de schriftjes van weleer. Als hij binnenkort de tijd aan zichzelf heeft, wil De Boer zich helemaal gaan richten op de relatie tussen de Nederlandse filosofie en poëzie vanaf 1880. "Volgens Nijhoff was de Nederlandse poëzie van Europees niveau. Er waren na 1880 in ons land veel dichters met filosofische belangstelling", legt hij uit. Hij somt op: Herman Gorter, Albert Verwey, Boutens. Van Eyck, Leopold, Frederik van Eeden, en natuurlijk Nijhoff zelf.
D e Boers nieuwste boek, dat op 27 juni op een symposium ter ere van zijn afscheid wordt gepresenteerd, draagt als titel Pleidooi voor interpretatie. " H e t maatschappelijk debat vindt tegenwoordig plaats in de vorm van interpretatie in plaats van op basis van rationele principes, zoals in de Verlichting", licht de wijsgeer alvast een tipje van de sluier op. "Neem bijvoorbeeld het debat over euthanasie. De uitgangspunten van de euthanasiewetgeving liggen niet van tevoren vast, die worden al interpreterend gevonden. Er zijn geen evidente uitgangspunten voor het vragen om of uitvoeren van zelfdoding, en ook niet voor het tegendeel. D e enige manier om hieruit te komen is door het uitwisselen van verschillende gezichtspunten. Emancipatie van de mening noem ik dat." Op het gebied van de moderne kunst signaleert hij een soortgelijke ontwikkeling, die hij emancipatie van de stijl noemt. "Daar bedoel ik mee dat de twee dingen die de dichtkunst méér heeft dan de wijsbegeerte, namelijk beeld en klank, ook van betekenis zijn. Daarom moeten deze elementen ook een rol spelen in de interpretatie van een gedicht. Je kvmt dus niet volstaan met: ik haal de gedachte eruit." Deze visie staat haaks op die van grote filosofen uit de geschiedenis, benadrukt D e Boer. "Plato heeft over poëzie gezegd dat die niets anders is dan de dichterlijke aankleding van ideeën, waarbij de ideeën centraal stonden. Dat gedachtengoed is tweeduizend jaar alsmaar herhaald, maar ik ben van mening dat de zegswijze ook een bron van betekenis is. Je kunt gedichten vergelijken met metaforen, die door sommigen ook alleen maar als versiering worden gezien, maar volgens mij brengen ze iets over dat je anders niet zou zien. Ze vormen een lens waardoor je beter ziet." Eigenlijk hebben alle filosofen er een handje van gedichten te reduceren tot gedachten, heeft De Boer ontdekt. "Tot aan Schopenhauer en Spinoza toe vind je de degradatie van de dichtkunst en van het verhaal. Literatuur is voor de dommen, menen zij, de wijsgeer gaat het om het begrip. Zo lezen ze ook de bijbel. D e theologie heeft dat ook eeuwenlang gedaan: ze heeft de bijbel gebruikt om er theologie uit te halen, maar de bijbel is literatuur. Het Oude Testament is de hele literatuur van een volk. Volgens mij is er in Israël niets geschreven dat niet in de bijbel gekomen is, maar kijken wat voor gedachten daar uit te halen zijn, is in Israël nooit opgekomen. Dat is een uitvinding van de Grieken." D e enige filosoof die de poëzie wel serieus neemt, is Kant, stelt de scheidende hoogleraar. "Die zegt weliswaar dat de aanschouwing nooit zover reikt als de idee, omdat we ons een idee kunnen vormen van het oneindige maar er geen voorstelling van kunnen maken, maar als hij het over de poëzie heeft, beweert hij het omgekeerde. D a n zegt hij: er zijn dichters die zo'n grote rijkdom aan beelden en associaties oproepen, dat we die nooit in begrip kunnen vatten."
Prof dr. Theo de Boer houdt op 27 juni om 15.45 uur in de aula zijn afscheidsrede Hieraan voorafgaand vindt vanaf 10 30 uur in het Auditorium een symposium piaats, getiteld 'Langs de gewesten van het zijn'.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 29 augustus 1996
Ad Valvas | 674 Pagina's