Ad Valvas 1997-1998 - pagina 513
AD VALVAS 2 6 MAART 1 9 9 8
PAGINA 7
'De buren hebben een naam' Het antieke hofje als ouderenhuisvesting van de toekomst Zijn hofjes monumentale overblijfselen uit lang vervlogen tijden? Of bieden ze een concept voor een moderne woonvorm voor ouderen? Sociaal gerontologen van de VU deden onderzoek. "Niemand wil verpieteren in een bejaardentehuis."
a
-:g,(nj-3)ZKJ^ Kort wetenschappelijk VU-nieuws onder redactie van D'itk de Hoog
Nieuwe antibiotica
Sheila Kamerman Ze liggen als een oase van rust in drukke steden: hofjes. Toeristen vergapen zich aan de vaak monumentale geveltjes, de pittoreske huisjes rond een bleekveld, vaak ook nog met een heuse pomp. Niet altijd tot groot genoegen van de bewoners. De populariteit van h u n hof werd de bewoonsters van het Begijnhof in Amsterdam onlangs te veel. Ze dreigden met het sluiten van de poort omdat de nieuwsgierige bezoekers zich steeds brutaler gingen gedragen en ongevraagd hun tuin en soms zelfs h u n huis binnenwandelden. Vooral in de zeventiende en achttiende eeuw werden er hofjes gesticht door welgestelde burgers om hun personeel en eventueel andere behoeftige lieden op leeftijd een onbezorgde oude dag te gunnen. Deze vorm van liefdadigheid kwam veel voor. Behalve hulp bieden aan mensen die het minder hadden, verzekerde de gulle gever zich op die manier van een plekje in het hiernamaals. De hofjes werden bestuurd door een college van regenten en regentessen. De bewoners moesten fysiek m staat zijn om voor zichzelf te zorgen, maar kregen wel allerhande levensbenodigheden in natura zoals brood, boter, vlees en turf Ze betaalden bovendien geen huur. Een portier opende en sloot de poort. Hij of zij fungeerde tevens als een soort intemiediair tussen bewoners en bestuur en zorgde ervoor dat alles ordentelijk verliep. Deze woonvorm heeft eeuwigheidswaarde, zo lijkt het. Het hofje groeide uit tot een particuUere woonvorm voor ouderen, die h u n eigen privacy behielden maar indien gewenst verzekerd waren van nabije hulp. Dergelijke hofjes, zij het sterk verminderd in aantal, bestaan nog steeds. Zelfs de bestuursvorm is in een aantal gevallen in stand gebleven, al zijn er ook hofjes m handen van woningbouwverenigingen gekomen. Zijn het relikwieën uit een ver verleden, of bieden ze juist een prachtig concept voor wonen op maat voor de ouderen in de 21 ste eeuw?
Straatje De regenten van het hofje Codde en Van Berensteyn in Haarlem hadden de euvele moed om het functioneren van het hun toevertrouwde cultuurgoed door een aantal sociaal gerontologen van de v u te laten evalueren. "Ze waren benieuwd naar de waarde van het hofje voor de moderne ouderenzorg", zegt Gert Leene, een van de onderzoekers en verbonden aan de vakgroep sociologie en sociale gerontologie. "Bovendien verzochten ze ons te kijken naar het functioneren van het hofje in de afgelopen jaren." Het hofje Codde en Van Berensteyn, dat aan het begin van de zeventiende eeuw in Haarlem werd gebouwd, bestond aanvankelijk uit twee hofjes. Ze boden onderdak aan 'arme oude luijden tsij mans ofte vrouw' en 'van rooms catholijcke rehegie'. In de jaren zestig moesten de hofjes voor stadsherindeling wijken en werden vervangen door één nieuw hofje. Door de nieuwbouw ziet dat er nogal m o d e m uit. De traditionele bestuursstructuur is goeddeels in tact gebleven, al zijn strenge regels afgeschaft. Zo hebben de regenten, in dit geval drie echtparen, nog steeds de touwtjes in handen: zij bepalen bijvoorbeeld wie er mag komen wonen als er een plaats vrijkomt. Ze hebben ook een zorgende taak: de regentessen maken af en toe een praatje met
^[^k^Bè
Het hofje Codde en Van Berensteyn in Haarlem, onderzocht door sociaal gerontologen van de VU. de bewoners, zodat ze op de hoogte blijven van h u n wel en wee. H u n echtgenoten zorgen ervoor dat kleine klusjes in en rond het huis worden gedaan, zoals het repareren van een lekkende kraan of het vastspijkeren van een losliggende plank. De portierster, in de persoon van zuster Ancilla, is het aanspreekpunt voor de bewoonsters. Zij is tevens de bindende factor binnen het hof doordat ze regelmatig bijeenkomsten organiseert ter gelegenheid van een verjaardag of Sinterklaas. JVlaar zij is niet verantwoordelijk voor extra zorg die de bewoonsters eventueel nodig hebben: voor een werkster, een maaltijdservice of verpleging moeten ze zelf zorgen. D e bewoonsters van het hofje Codde en Van Berensteyn, nog steeds alleenstaande vrouwen van katholieke huize, weten zich dus ingebed in een comfortabele 'zorg op afstand'. Leene: "Er wordt naar hen omgekeken, de buren hebben een naam. Maar er wordt ook bewust afstand gehouden: ze komen zeker niet dagelijks bij elkaar over de vloer en tutoyeren elkaar doorgaans niet. Als ze elkaar op straat tegenkomen dan is het: 'Dag mevrouw de Vries, hoe gaat het vandaag met u?' Iedereen doet zijn uiterste best om het contact niet te laten omslaan in bemoeizucht." De driehoek regenten, portierster en bewoonsters functioneert goed op dit hof. Maar er zit ook een risico aan vast, stelt Leene's collega en mede-onderzoekster Norma SchuijtLucassen, verbonden aan de stichting toegepaste gerontologie van de vu. "Iedereen moet zich namelijk min of meer schikken in zijn of haar rol binnen die structuur." De 'hofdames' betalen geen huur. Enerzijds is dat een groot voordeel, anderzijds hebben ze geen huurdersrechten en geen huurcontract. "Eigenlijk getuigt die constructie van de aloude ondernemersgeest van de regenten", zegt Leene. "Die willen geen huurdersinspraak en al helemaal geen schoonzoon die komt vertellen wat er allemaal eventueel aan schort." Leene verwijst naar de afstudeerscriptie van sociaal gerontologe Conny Veltman. Die concludeerde aan de hand van een onderzoek naar een aantal Leidse hofjes dat een evenwicht tussen onderlinge zorg van de bewoonsters en bemoeienis van de kant van regenten de beste
formule is voor het goed functioneren van een hofje. " O m dat te bereiken moeten de bewoners en regenten aandacht voor elkaar hebben maar tevens op gepaste afstand blijven", zegt Leene. "Beide partijen dienen elkaar in evenwicht te houden: alleen regentenbemoeienis leidt tot dociele bewoners. Maar als alleen de bewoners actief zijn, leidt dat op de langere duur tot een kwetsbare woonsituatie." D e bewoonsters van Codde en Van Berensteyn zijn een tamelijk homogene groep: ze hebben een vergelijkbare culturele en sociale achtergrond. Schuijt-Lucassen: "Het is belangrijk dat ze er enigszins dezelfde levensstijl op nahouden. Anders voelen de bewoners zich niet betrokken bij elkaar en wordt het soepel samenleven lastig."
Scamele luijden D e vraag naar zorgvoorzieningen voor ouderen groeit. Het aantal ouderen in Nederland neemt snel toe. Was in 1990 13 procent van de bevolking ouder dan 65, in 2015 zal hun aandeel gestegen zijn naar 17 procent en in 2035 zelfs tot 23 procent. De ouderen zijn bovendien langer gezond en individualistischer dan de vorige generatie. Ze willen met verpieteren in een verpleeg- of bejaardentehuis, maar zolang mogelijk zelfstandig blijven wonen. Daarbij wensen ze wel een zekere bescherming. Wat dat betreft was de vraagstelling van het onderzoek naar het hofjesmodel zeer actueel en van groot maatschappelijk belang. Het traditionele hofje heeft wel degelijk toekomstwaarde, concluderen de onderzoekers. "Maar", benadrukt Leene, "dan moet er wel aan een aantal voorwaarden worden voldaan. Mensen moeten zelfstandig kunnen wonen en voor zichzelf kunnen zorgen." Dat is altijd de regel geweest op een hofje. Als een hofdame hulpbehoevend werd, ging ze naar het oudeliedenhuis. Schuijt-Lucassen: "Maar de regenten van het hofje hadden ons gevraagd te kijken of de bewoonsters ook dan niet zouden kunnen blijven. Wij hebben dat afgeraden. Het hof zou dan een verkapt verpleeghuis worden, een soort imitatie verzorgingsunit. Dat zou de sfeer en het karakter van het hofje schaden." Daarnaast, zo bleek uit het onder-
zoek, moet de structuur van het hof worden aangepast aan de tijd. D e bewoners van nu zijn mondiger en laten zich niet meer alles aanleunen. Ze willen meer inspraak, bijvoorbeeld bij het kiezen van een nieuwe bewoonster. "Daardoor wordt de onderlinge betrokkenheid en samenhang groter", aldus Schuijt-Lucassen. De rol van de intermediaire figuur - zeg maar een zuster Ancilla is belangrijk. Via de portierster, als het goed is iemand met grote sociale vaardigheden, worden afstanden tussen iedereen die met het hof te maken heeft, overbrugd. Een hof met een portierster met bewoners die voor zichzelf kunnen zorgen en die meer inspraak hebben in beslissingen die h u n directe woonomgeving betreffen zou ook in de toekomst kunnen functioneren. Al tekenen de onderzoekers daarbij aan dat ook de oorspronkelijke doelgroep aan de moderne tijd moet worden aangepast. Anno 1998 vinden we 'scamele en behoeftige luijden' allang niet meer alleen onder alleenstaande vrouwen of weduwen. In het onderzoek wordt gewezen op een groeiende groep oudere allochtonen - Surinamers, Turken, M a rokkanen, Chinezen, Viemamezen, Molukkers. Zij hebben het over het algemeen niet erg ruim en hebben vaak een grote belangstelling voor groepswonen. Met enige assistentie van derden zou het hofjesmodel bij hen wellicht aanslaan. "Het nieuwe van dit onderzoek was", zegt Leene, "dat er nu eens niet naar de monumentale geschiedenis van het hofje werd gekeken, maar naar de functionaliteit. En daar hebben we wel wat over kunnen zeggen." Het wetenschappelijk rapport werd later omgevormd tot een boek. In de tekst sijpelt hier en daar de officiële taal van de wetenschap door, hetgeen de lezer soms wat ophoudt. De inhoud daarentegen is overzichtelijk gebracht en gelardeerd met prachtige foto's en afbeeldingen. Zagen alle wetenschappelijke rapporten er maar zo uit. N Y Schuijt-Lucassen, G J F Leene, P P.J Houben, H M Nelissen (bewerking) Hofjes met perspectief Al eeuwen een moderne woonvorm voor ouderen, uitgeverij Coutinho, Bussum, 1997, ƒ34 50, ISBN 90 6283 076 5
Dankzij een toevallige ontdekking tien jaar geleden van een werkzame stof bij kikkers, komt binnenkort een heel nieuwe generatie antibiotica op de markt. En dat is maar goed ook, want steeds meer bacteriën raken resistent tegen de bestaande middelen, stellen drie onderzoekers van de vakgroep orale biochemie in het maandblad Natuur en techniek. D e stoffen waar het om gaat heten antimicrobiële peptiden. "Doordat de meeste zo klein zijn, zijn ze pas recent door eiwitchemici ontdekt", aldus de auteurs. Het zijn korte eiwitten die een celmembraam kurm.en vernielen. Ze prikken een ongewenste bacterie letterlijk lek. D e stoffen blijken in allerlei vormen in de natuur voor te komen, bij nagenoeg alle planten, dieren en ook bij de mens, bijvoorbeeld in het speekselvocht. "Er zijn tal van primitieve dieren die voor h u n afweer tegen ziekteverwekkende organismen volledig afhankelijk zijn van antimicrobiële peptiden. Deze zijn al miljoenen jaren werkzaam zonder dat resistentie is opgetreden", schrijven de onderzoekers hoopvol. Ook bij laboratoriumproeven bleken de nieuwe antibiotica geen resistentie te veroorzaken. Probleem is echter de stoffen zo samen te stellen dat ze selectief werken en niet het menselijk lichaam zelf aanvallen. Dat lijkt te lukken, want zeer binnenkort komen nieuwe geneesmiddelen op de markt die op deze kennis zijn gebaseerd. H e t betreft onder meer een zalf tegen hardnekkige zweren bij mensen met suikerziekte en een middel tegen hersenvliesontsteking. Ook lijken bestaande resistente bacteriën met peptiden bestreden te kunnen worden.
W e r k n e m e r s als radertjes "Veel bedrijven prediken dat hun medewerkers hun meest belangrijke en waardevolle bezit zijn. Maar de praktijk is vaak anders. Organisaties worden ingericht als machines waarin de medewerkers als radertjes een bijdrage leveren aan het eindresultaat", stelt psycholoog J.A.P. Hoogervorst, die 19 maart promoveerde op een onderzoek naar de plaats van werknemers binnen een organisatie. H e t proefschrift toont aan dat in een bedrijf een sterke samenhang bestaat tussen de cultuur, het management en de organisatorische structuren. Die moeten in samenhang worden aangepakt om bij medewerkers gedragsveranderingen tot stand te brengen. Dit is de conclusie uit onderzoek bij 75 bednjven. "Het idee is dat hoe meer men zich gedraagt volgens het afgesproken patroon, hoe meer succes de organisatie heeft", aldus Hoogervorst. "Toch heeft deze mechanistische inrichting een grote beperking. Ze veronachtzaamt dat haar omgeving complex, djmamisch, onzeker en chaotisch is. Beter zou zijn de creativiteit van de medewerkers aan te boren waardoor ze goed kunnen inspelen op steeds veranderende omstandigheden."
Vrouwelijke dominees Anne Zemike was in 1911 de eerste vrouwelijke dominee van Nederland. Dat was mogelijk omdat de Doopsgezinde Broederschap in 1906 vrouwen toeliet tot de opleiding aan haar seminarie. De doopsgezinden waren de eersten in Nederland die vrouwen toelieten tot het ambt van dominee. In naam belijdt de broederschap dan ook de gelijkheid van de broeders en zusters binnen de kerkgemeenschap. "Het principe van het priesterschap van alle gelovigen", noemen de doopsgezinden dat. Die titel kreeg ook het rapport van de wetenschapswinkel mee waarin het principe aan de praktijk wordt getoetst. "Gelijkheid tussen man en vrouw wordt in de Doopsgezinde Broederschap niet in de praktijk gebracht. Hoewel tweederde van de leden van de Broederschap vrouw is, wordt eenderde van de bestuursfiancties door vrouwen vervuld", concludeert studente Leonie de Quelerij die het onderzoek naar de seksegelijkheid binnen het kerkgenootschap uitvoerde. D e ongelijkheid is niet theologisch gefundeerd maar is volgens de kerk een gevolg van de rolverdeling tussen mannen en vrouwen in de maatschappij. Het rapport wordt 3 april gepresenteerd.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van maandag 25 augustus 1997
Ad Valvas | 726 Pagina's