Geheugen van de VU cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Geheugen van de VU te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Geheugen van de VU.

Bekijk het origineel

Ad Valvas 1997-1998 - pagina 663

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Ad Valvas 1997-1998 - pagina 663

9 minuten leestijd

AD VALVAS 4 JUNI 1998

PAGINA 9

Jan de Bruijn, Hendrikus Colijn en de vooringenomenheid van de liistoricus -' V^mt^nmét vkts^

De discussie over de Colijn-biografie van Herman Langeveld laait nogmaals op. Deze week reageren Herman Langeveld en Chris Lorenz op liet betoog van prof. Jan de Bruijn dat vorige week werd gepubliceerd in Ad Valvas. Langeveld vindt zichzelf niet vooringenomen en het wereldbeeld van Lorenz is ongeschokt. Herman Langeveld

Na eerdere pogingen daartoe voor de EO-radio (16 april) en in de inleiding op de door hem uitgegeven brieven van Colijn, tracht prof. Jan de Bruijn inAd Valvas van 28 mei opnieuw mijn geloofwaardigheid als historicus aan te tasten. Hij doet dit door mij antipathie tegenover Colijn te verwijten, anders gezegd: door mij te beschuldigen van vooringenomenheid of bevooroordeeldheid. Een dergelijke beschuldiging kan alleen zinvol geuit worden, als zij met concrete voorbeelden wordt onderbouwd. Zo niet, dan wordt de discussie tot een gezelschapsspel dat nog lang volgehouden kan worden: De Bruijn zegt dat ik bevooroordeeld ben tegenover Colijn, en ik zeg dat ik dat niet ben. Laten we dus kijken naar De Bruijns bewijsvoering. Na wat algemeenheden over een tegenstelling die er in mijn boek zou bestaan tussen mijn beoordeling van bepaalde daden van Colijn als "opportunistisch" en mijn constatering, op andere punten, van "dogmatisme" (maar waarom zou er bij Colijn niet zowel van het een als van het ander sprake kunnen zijn?), komt De Bruijn tot zijn enige echte voorbeeld. Hij herhaalt wat hij heeft geschreven in de inleiding op de door hem uitgegeven brieven: ik oordeel (te) streng en suggestief over wat Colijn schrijft in de brief aan zijn ouders van 17 december 1894. Daarin meldt Colijn dat hij als tweede luitenant bij de aanval op Tjakra Negara het commando over de derde compagnie van het tweede bataljon had moeten overnemen van de door ziekte uitgeschakelde kapitein Van den Ende. Met behulp van andere bronnen toon ik echter onweerlegbaar aan (De Bruijn moet dit toegeven), dat kapitein Van den Ende zelf dit commando heeft gevoerd, en Colijn onder

Colijn (midden) inspecteert als minister van oorlog in civiel tenue de troepen, omstreeks

1912.

hem opgetreden is als een van diens pelotonscommandanten. Op zichzelf is dit in de geschiedenis van de verovering van Tjakra Negara een bijkomstigheid; het feit doet bovendien niets af aan Colijns persoonlijke verantwoordelijkheid voor de op zijn bevel uitgevoerde executies. Maar uit biografisch oogpunt is het des te interessanter: wat beweegt een jong officier in een brief aan zijn ouders, die uitdrukkelijk ook voor een breder lezerspubliek bestemd is, om zichzelf ten onrechte zo in de hoogte te steken? Treffen we hier niet het eerste voorbeeld aan van wat ik in mijn boek op diverse plaatsen heb laten zien, name-

lijk Colijns retouchering van de werkelijkheid met het oog op het beeld dat anderen van hem moesten krijgen? Dat alles brengt mij dan tot de ook door De Bruijn geciteerde conclusie: "De brief aan zijn ouders doet Colijn dus kennen als een man die er niet tegen opzag zijn eigen rol als veel belangrijker voor te stellen dan deze in werkelijkheid geweest was." Daarmee is geen woord te veel gezegd, en is De Bruijns beschuldiging van vooringenomenheid op dit punt een losse flodder gebleken. De vraag zou kunnen opkomen of de stelling in mijn openingszin, dat De Bruijn bij voortduring tracht mijn

geloofwaardigheid als historicus aan te tasten, niet wat ver gaat, gezien de waarderende woorden die hij in zijn stuk aan mij en mijn boek wijdt. Hij zegt zelfs uitdrukkelijk dat waardering en kritiek best hand in hand kunnen gaan. Op zichzelf is dat natuurlijk juist, maar in dit geval bewijst hij met zijn positieve woorden slechts lippendienst aan een niet werkelijk bestaande waardering voor mijn boek. Want hoe kan iemand zeggen dat de schrijver van een biografie op grond van antipathie een vertekend beeld van de gebiografeerde geeft, en tegelijk zeggen dat het een knap boek is, zoals De Bruijn doet? Nee, van tweeën een: of

het is een knap boek, of de schrijver ervan heeft gefaald bij wat de eerste taak van de biograaf is: zijn hoofdpersoon recht te doen. Tot De Bruijn zijn negatieve uitspraak teruggenomen heeft, moeten we het erop houden dat die zijn werkelijke mening weergeeft. Eerder heb ik aangetoond dat De Bruijn nalatig gebleven is zijn uitspraak te onderbouwen. Met belangstelling, maar zonder hoge verwachtingen, zie ik een eventuele nieuwe poging tot bewijsvoering tegemoet. De auteur is universitair docent geschiedenis aan de faculteit der letteren van de VU

Professor Pavlov striices back! ofwel: leren lezen voor beginners Chris Lorenz

Mijn analyse van een aantal veel door historici gebezigde argumentatiewijzen ('Pavlov voor historici', Ad Valvas 14 mei j.l.)) heeft twee reacties van collega's in Ad Valvas opgeroepen, die om commentaar vragen. Laten we met vu-collega De Bruijns exposé beginnen. De Bruijn doet (onder meer) de volgende beweringen: 1. mijn analyse komt op neer op "het maken van een karikatuur van je opponent, zodat je hem gemakkelijker onderuit kan halen"; 2. ik "speel op de man en niet op de bal" en dat heeft "alles met demagogie te maken"; 3. het zou mijn streven zijn om mijn "collega Langeveld te hulp te snellen" en "korte metten" met Langevelds critici te maken. Daarbij zou ik er niet voor terugdeinzen om De Bruijns "wetenschappelijke integriteit" in twijfel te trekken en zodoende "elk debat in de kiem te smoren"; 4. hij denkt mijn wereldbeeld (?!) "ernstig aan het wankelen te brengen" met de ontboezeming dat hij ondanks zijn kritiek best wel waardering voor Langevelds werk op kan brengen. Nieuwsgierig geworden naar de basis van deze revolutionaire leeswijze van mijn tekst ging ik op zoek naar de geboden feitelijke argumentatie. Mijn

analyse van typische argumentatiewijzen voor historici aan de hand van het Colijn-debat werd hier immers wel bijzonder curieus geïnterpreteerd. De Bruijn dacht kennelijk dat mijn stukje over zijn persoon ging, terwijl ik alleen een aantal van de door hem gebruikte argumenten als illustratie heb gebruikt. Hij meldt zich vreemd genoeg zelfs als mijn "opponent" aan en meent dat ik het op zijn "wetenschappelijke integriteit" heb voorzien. Zo onverstandig ben ik natuurlijk niet geweest. In de wetenschappelijke discussie is het, voorzover mij bekend, een goede gewoonte om personen en argumenten gescheiden te houden en gescheiden te beoordelen. Ik deed dat zelfs expliciet omdat mijn stuk ging over standaard- ofwel Pavlov-argumenten. De Bruijns "wetenschappelijke integriteit" was en is in dit verband - als persoonlijke kwaliteit - even oninteressant als irrelevant. Even irrelevant voor het wetenschappelijke debat is mijn persoonlijke verstandhouding tot Langeveld, die van Langeveld tot Puchinger en die van De Bruijn tot Langeveld - en dat geldt dus ook voor alles wat De Brui)n daarover beweert. Mi)n "wereldbeeld" wordt dan ook allesbehalve geschokt zoals De Bruijn denkt - wanneer hij naast kritiek ook waardering voor Langeveld uitspreekt. In de mij

bekende wetenschap is dat namelijk normaliter het geval, omdat volkomen onfeilbaarheid daar even zeldzaam is als de volstrekte idiotie. Het verbaast mij alleen wel wanneer een collegawetenschapper mij met dit inzicht denkt te shockeren. Slechts ten aanzien van twee van De Bruijns beweringen heb ik'een feitelijke argumentatie kunnen ontdekken. De eerste bewering is zijn ontkenning dat hij met zijn kritiek op Langeveld de gewraakte executies onder leiding van Colijn ter discussie heeft willen stellen. Deze bewering is aantoonbaar onjuist want De Bruijn schrijft letterlijk in De slag om Tjakra Negara: "Door Colijns verslag weinig betrouwbaar te noemen ondergraaft hij [Langeveld] dus het bewijs voor zijn stelling, dat Colijn zich op Lombok aan wreedheden schuldig heeft gemaakt" (p.7-8). In een EO-interview zegt De Bruijn dan ook veelbetekenend dat "ook de passages over de executie misschien overdreven zijn". De tweede feitelijk controleerbare bewering van De Bruijn is dat het "tumult" rond Colijn door opgewonden, demagogische en populistische types als ondergetekende en Jan Blokker is veroorzaakt. Ook die bewering is aantoonbaar onjuist, want het "tumult" is uiteindelijk veroorzaakt door de 'ontdekking' van Langeveld

dat de vroegere Colijn-biografen nogal selectief te werk waren gegaan zonder dat de coUega-historici dat ooit hadden opgemerkt. Dit brengt me bij de tweede reactie op mijn analyse van collega Martin Bossenbroek van de RU Leiden. Net als De Bruijn had hij kennelijk het liefst de discussie over Colijn in de kring van 'vakhistorici' gevoerd en journalisten, geschiedtheoretici en ander canaille graag buiten de deur gehouden. (Ook hier is overigens een Pavlov-reactie in het geding, waarbij niet de geldigheid maar de herkomst van een bewering wordt beklemtoond: "Argumenten van niet-historici over het verleden hoef je niet serieus te nemen.") Bossenbroek maakt zich opmerkelijk vrolijk over het feit dat een geschiedtheoreticus de euvele moed heeft om historici en hun werk tot object van analyse te maken. Dat geschiedtheoretici daarmee weinig anders doen dan historici met hun object van onderzoek, is Bossenbroek kennelijk ontgaan. Tenzij historici natuurlijk klakkeloos hun bronnen of elkaar overschrijven... Hoe dit ook zij, dit kon natuurlijk nooit goed gaan, en zie daar. Bossenbroek legt moeiteloos twee koeien van fouten in mijn analyse bloot. Ik heb het over "Lombokkers' waar het "Balinezen' betreft en ik heb bovendien

zijn leeftijd verkeerd ingeschat. Nu was mijn stukje niet als handboek in de geschiedenis van Lombok of als biografie van dr. Bossenbroek bedoeld, dus deze ormauwkeurigheden lijken in deze context betrekkelijk onschuldig. Interessanter was het geweest als hij had aangetoond dat deze onnauwkeurigheden de geldigheid van mijn beweringen hadden ondergraven, maar Bossenbroek denkt kennelijk - als echte historicus! - dat het roepen van 'Foutje!' in een debat volstaat om een opponent te vloeren. (Dat is nog een Pavlov-reactie van historici. Het inzicht dat interessante fouten waardevoller zijn dan oninteressante waarheden is niet aan iedereen besteed). Het is jammer voor Bossenbroek dat hijzelf tijdens zijn 'Lombok-expeditie' ook nog stevig in de fout gaat. Zijn zorgvuldig geconstrueerde anachronisme-verwijt aan mijn adres ("Multatuli kan niet geschokt geweest zijn door de executies in 1894, want hij overleed in 1887") schiet hoog over omdat Multatuli überhaupt niet in mijn stuk voorkomt. Kan onze doctor uit Leiden - onze Meester in De Feiten - soms niet lezen? Waar haalt dr. Bossenbroek het toch allemaal vandaan? De auteur doceert filosofie en methodologie van de geschiedenis aan de Vrij Universiteit en aan de RU Leiden

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van maandag 25 augustus 1997

Ad Valvas | 726 Pagina's

Ad Valvas 1997-1998 - pagina 663

Bekijk de hele uitgave van maandag 25 augustus 1997

Ad Valvas | 726 Pagina's