Geheugen van de VU cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Geheugen van de VU te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Geheugen van de VU.

Bekijk het origineel

Ad Valvas 1997-1998 - pagina 441

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Ad Valvas 1997-1998 - pagina 441

1 minuut leestijd

AD VALVAS 26 FEBRUARI 1 9 9 7

PAGINA 7

Prof.dr.

Rients

Rozendal: <We zijn al bezig met onderzoek naar de elleboog, maar dan komen nog de pols en de hand.' Kort wetenschappelijk VU-nieuws onder redactie van Dirk de Hoog

Peter Wolters AVC/VU

Polssteunen Matjes die de polsen moeten steunen bij het typen op een toetsenbord werken averechts. Dat blijkt uit een onderzoek van Ergocare, een aan de faculteit bewegingswetenschappen van de v u verbonden adviesbureau. Veel mensen die vaak met computers werken gebuiken de polssteunen ter voorkoming van een muisarm (RSI). Het adviesbureau onderzocht vier verschillende hulpmiddelen: twee steunmatjes en twee in hoogte verstelbare armsteunen. Ergocare liet de steunen testen door proefjjersonen. Die hadden geen duidelijke voorkeur voor een van de vier geteste voorwerpen. D e onderzoekers keken ook naar de belasting van de neken schouderspieren. Want juist overbelasting van die spieren kan RSI veroorzaken. D e verstelbare armsteunen verlichtten inderdaad de spierbelasting, maar de matjes niet, integendeel. De belasting nam toe. In de prullenmand ermee dus.

'* ga' Prof.dr. Rients Rozendal neemt afscheid van Bewegingswetenschappen Hij werkte vanaf het begin mee aan de opbouw van de faculteit bewegingswetenschappen. Nu moeten anderen zijn werk overnemen want prof.dr. Rients Rozendal gaat tuinieren, wandelen en een beetje reizen. De faculteit kende haar pieken en dalen, maar Rozendal kan tevreden terugkijken. "We zijn veel sterker dan toen we begonnen." Shëila Kamerman Zi)n afscheidsrede op 27 februari heeft de titel 'Ik ga'. Dat is geen poging om mee te doen aan de trend steeds opvallender titels voor oraties of afscheidstoespraken te bedenken. Het is een speelse verwijzing naar zijn eerste openbare les m 1969 over het menselijk voortbewegen, het lopen. Het leek prof.dr. Rients Rozendal mooi om daar zijn carrière aan de faculteit der bewegingswetenschappen ook mee te eindigen. Daarnaast is het een knipoog naar zijn naderende pensionering. D a n hoopt hij tijd te vinden om te tuinieren, te wandelen en een beetje te reizen. Toen in 1971 de Interfaculteit Lichamelijke Opvoeding aan de v u werd opgericht, stapte Rozendal over van de geneeskundefaculteit, vi-aar hij gestudeerd had en gepromoveerd was, naar de vakgroep functionele anatomie. In 1975 werd hl) de eerste hoogleraar op dat vakgebied. De ruim 25 jaar dat hij betrokken was bij bewegingswetenschappen, besteedde hij niet alleen aan onderzoek en onderwijs. Ook de bestuurlijke kant van de faculteit trok hem aan: dertien jaar was hij er decaan.

Clustering Begonnen als piepkleine faculteit met een man of tien, werken er nu ruim honderd mensen. Jaarlijks worden er zo'n 120 eerstejaars verwelkomd. Rozendal kan tevreden terugkijken, al was de kwart eeuw bewegingswetenschappen niet altijd zonder troebelen. Zo waarde er de afgelopen jaren het spook van de clustenng rond. De kleine faculteit bewegingswetenschappen zou moeten samengaan met andere faculteiten. Rozendal heeft daar altijd zeer sceptisch tegenover gestaan en betitelde de clustering destijds als een "in de mode geraakte bestuursideologie". "We waren best bereid tot samenwerking, maar we wilden onze identiteit niet opgeven. Daar moeten we het qua wervingskracht naar buiten toe van hebben," Desondanks voerde hij constructief overleg met decanen en directeuren beheer van andere faculteiten om te kijken in hoeverre ze op één lijn konden komen. Niemand kon de voor-

delen zien van een samengaan met de faculteiten sociaal-culturele wetenschappen en pedagogiek en psychologie. Rozendal: "We lagen inhoudelijk veel te ver uit elkaar." Samenwerken met Biologie leek meer voor de hand te liggen, omdat de opzet van beide studies redelijk overeen kwam. Maar ook dat liep stuk omdat de mogelijk moest openblijven dat de biologen zouden deelnemen aan een faculteit exacte wetenschappen. Het college van bestuur bleef volhouden dat de kleine faculteit bestuurlijk te zwak was, en opperde een samengaan met Geneeskunde. Daartegen kwam het faculteitsbestuur krachtig in verweer, bang om opgeslokt te worden door die grote faculteit. Rozendal: "Het was geen koudwatervrees, maar identiteitsverlies lag te veel voor de h a n d . " D e oplossing werd recentelijk gevonden in de aanstelling van twee extra hoogleraren met grote bestuurlijke capaciteiten. Daarmee was de clustering van de baan en kon Rozendal opgelucht ademhalen. Minder tevreden kijkt hij terug op de conflictueus verlopen reorganisatie halverwege de jaren tachtig. "Er moesten mensen ontslagen worden en dat is natuurlijk nooit leuk." Hij heeft een veel positiever gevoel over de tweede reorganisatie die hij meemaakte en die inmiddels praktisch is afgerond. Ondanks de wrange bijklank van dat woord, is het een geslaagd project geworden, vooral omdat gedwongen ontslag ditmaal voorkomen kon worden. "Het hele onderwijsprogramma ging op de schop: het is gestroomlijnder en consistenter geworden. Vroeger konden de verschillende vakgroepen tamelijk autonoom hun afstudeerprogramma's samenstellen. Daarbinnen waren weer allerlei subrichtingen waardoor de studenten door de bomen het bos niet meer zagen. N u zijn er vijf duidelijk afgebakende afstudeertrajecten." De nieuwe vakgroepen moeten verantwoording afleggen aan een onderwijsdirecteur die erop toeziet dat ze elkaar aanvullen in plaats van beconcurreren. "We zijn er veel sterker uitgekomen dan toen we begonnen." Hoewel hij zijn carrière is begonnen en eindigt met een verhaal over het menselijk lopen, heeft hij zich daar

niet al te veel mee beziggehouden. Met groot genoegen vertelt hij over het onderzoeksproject waarbij hij de afgelopen dertien jaar nauw betrokken was: dat van de rolstoelaandrijvmg. "Er kwam een moment dat de faculteit meer onderzoek wilde doen met maatschappelijk belang," N a wat wikken en wegen werd in 1985 onder meer gekozen voor rolstoelaandrijving. Z o ' n vijftig- tot zestigduizend Nederlanders bewegen zichzelf voort in een rolstoel. Die zien er weliswaar heel wat flitsender uit dan honderd jaar geleden, maar er valt nog heel wat te verbeteren. D e meeste rolstoelen hebben een hoepelaandrijving, waarbij de rolstoeler met de hand de wielen ronddraait. Rozendal: "Gemiddeld gebruikt de berijder 8 procent van zijn krachten efficiënt. T e r vergelijking: bij fietsen is dat 20 procent of meer. Andere aandrijfmethoden zoals de hefbomen die de berijder heen en weer moet bewegen of de 'koffiemolen', waarbij er met de handen wordt 'gefietst', zijn effectiever. Maar de rolstoel is dan moeilijker stuurbaar en bovendien te groot voor binnenshuis. "Een uitdaging dus om te kijken op welke manier de rolstoel het beste kan worden aangedreven."

Spierslinger Rozendal heeft al die jaren naar eigen zeggen veel energie gestoken in het rolstoelonderzoek. Niet alleen omdat er nauwelijks onderzoek was gedaan naar de armbeweging en hij die pioniersrol bijster interessant vond, maar ook omdat de bewegingen van een rolstoelgebruiker uiterst gecompliceerd zijn. Eigenlijk is de menselijke arm niet gebouwd voor een dergelijke manier van voortbewegen. De arm is een veel ingewikkelder mechanisme dan het been. Het zit niet direct vast aan de romp zoals het been, maar via een bot, het schouderblad, en een spierslinger. "Een houtje-touwtjemechanisme", betitelt Rozendal het schoudergewricht. Bovendien zit alles diep verstopt onder een laag huid en spieren, waardoor het moeilijk is om de beweging waar te nemen en je noodgedwongen moet werken met modellen. "We hebben samen met de Ttj Delft een prachtig schoudermodel ontwikkeld", zegt Rozendal trots. "We waren de eersten in de wereld. Daarna is de concurrentie in Zweden en Amerika opgestaan, zo gaat dat." Vele promovendi werken mee aan het onderzoek. Zij bekijken niet alleen de mechanische kant van de werking van de arm en de manier waarop die de rolstoel voortbeweegt. Ook de conditie van de rolstoelgebruiker wordt onderzocht. Zo volgde

Lasers promovenda Annet Dallmeijer mensen die na een ongeluk in een rolstoel terecht waren gekomen tot meer dan een jaar na de revalidatieperiode. Diegenen die denken dat nu, na dertien jaar, de hele rolstoelaandrijving gesneden koek is, komen bedrogen uit. Voor wetenschappelijk onderzoek is een lange adem nodig. "Na de schouder en de bovenarm komt de elleboog. We zijn al bezig met onderzoek naar de elleboog, maar dan komen nog de pols en de hand", doceert Rozendal. "Pas als we echt alle eigenschappen van de arm in kaart hebben gebracht en het model compleet is, kunnen we werkelijk adviseren hoe de rolstoelaandrijving verbeterd zou kunnen worden. N u kunnen we eigenlijk alleen maar nieuwe modellen testen op h u n functionaliteit."

Bagageband Naast het onderzoek vond Rozendal het begeleiden van studenten het leukst. "Vooral bij het maken van h u n scriptie of bij hun praktijkstage omdat ze dan de kennis die ze tijdens h u n studie hebben opgedaan ook daadwerkelijk gebruiken." Soms komen daar heel leuke dmgen uit. Zo begeleidde Rozendal twee studenten bij hun afstudeerproject die voor de luchthaven Schiphol een bagageband hadden onderzocht waarvan de hoogte en de hoek die de band met de vloer maakte, verstelbaar waren. Het kostte de luchthaven een ton om het bagagebandmodel te laten maken - maar ze vonden het onderzoek belangrijk genoeg. Het ging erom dat de rapers de mannen die de koffers van de band halen - minder hun rug zouden belasten. D e meeste koffers wegen zo'n tien ä twintig kilo en regelmatig proppen toeristen er veel meer in. Het werk is slopend voor de rug, zo bleek uit het ziekteverzuim van de rapers. "Schiphol heeft de bagageband in de nieuwe aankomst- en vertrekhallen gebouwd volgens de bevindingen van die twee studenten", zegt Rozendal trots. Onderzoek dat bij bewegingswetenschappen gedaan wordt, is vaak spectaculair. De triomf van de klapschaats kan zelfs aan de grootste schaatshater niet ongemerkt voorbij zijn gegaan. Maar er is zoveel meer. Er is onderzoek gedaan naar zwemmen, jongleren, bewegingssturtng bij mensen met letsel aan het zenuwstelsel en tillen, om maar wat te noemen. "Veel bewegingswetenschappers zijn op zoek naar verbetering van het menselijk bewegen en als dat lukt, heb je altijd een opmerkelijk resultaat."

Van lang niet alle medische toepassingen met een laserstraal staat de doelmatigheid en effectiviteit vast, stelt dr. H . Vondeling. D e onderzoeker bij de faculteit geneeskunde aan de VU promoveerde vorige week in Maastricht op dit onderwerp. Sinds 1960 heeft de laser snel en op grote schaal zijn intrede gedaan in de geneeskunde. Maar lang niet altijd is dat een verbetering, aldus Vondeling. Soms staat de werking helemaal niet vast, soms zijn er schadelijke bijwerkingen en soms is een methode zonder laser beter. Maar in heel vee! gevallen is de laser in het ziekenhuis geïntroduceerd zonder dat er evaluatieonderzoek is gedaan. Momenteel bestaan er ruim honderd toepassingen van de laser in de geneeskunde, variërend van oogoperaties tot het verwijderen van tatoeages. Lasers worden tegenwoordig bijvoorbeeld toegepast om vernauwing van de kransvaten van het hart tegen te gaan. Maar volgens Vondeling komen bij de traditionele dottermethode minder complicaties voor en zijn de resultaten even goed. Ook bestaan er twijfels bij een recente toepassing van de laser. Door een miniem stukje van het hoomvlies weg te branden zou bijziendheid definitief verholpen ktmutien worden. Of deze methode veilig en werkzaam is, is echter de vraag. Zeker bij mensen op jonge leeftijd zou de methode beter niet toegepast kunnen worden. T o c h maar een brilletje kopen.

Dik en ongelukkig T e dikke kinderen voelen zich vaker ongelukkig dan kinderen zonder overgewicht. Vooral jongens tussen de tien en dertien jaar en meisjes tussen de veertien en zestien jaar lijden onder h u n dikte. D a t wordt erger naarmate de ouders zich bezorgder tonen over de vetroUetjes van h u n kroost. Dat blijkt uit het onderzoek waarop Margreet Stradmeijer op 26 februari promoveert. Ze volgde voor haar onderzoek een groep van 73 te dikke kinderen en zeventig kinderen met een normaal gewicht. Bovendien sprak zij met ouders en leraren. T e zware kmderen hebben vaker gedragsproblemen en minder zelfwaardering dan h u n lichtere leeftijdgenootjes. Jongens hebben daar meer last van aan het begin van de puberteit als ze meer aan sport gaan doen. Meisjes vinden het vooral vervelend als ze iets ouder zijn en de eerste vriendjes krijgen. Dikke meisjes vinden h u n eigen lichaam vaker lelijk dan dikke jongens. Ouders kunnen maar beter hun bezorgdheid onderdrukken en zich niet te negatief uitlaten over het overgewicht van hun kinderen. Dat vergroot enkel de problemen. H e t aantal te zware kinderen neemt toe. Volgens TNO-cijfers was in 1991 nog 8 procent van de kmderen tussen de vijf en de zestien jaar te zwaar. Vier jaar later was dat percentage gestegen tot 14. Het overgewicht wordt vastgesteld aan de hand van de Quetelet-index (het gewicht gedeeld door het kwadraat van de lengte). Een index van 25 of hoger betekent overgewicht; met een index van 30 of hoger is er sprake van vetzucht.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van maandag 25 augustus 1997

Ad Valvas | 726 Pagina's

Ad Valvas 1997-1998 - pagina 441

Bekijk de hele uitgave van maandag 25 augustus 1997

Ad Valvas | 726 Pagina's