Ad Valvas 1997-1998 - pagina 289
PAGINA 7
AD VALVAS 1 1 DECEMBER 1 9 9 7
s
n a P
Leiderschap
Een Zuid-Afrikaanse deelnemer aan een eenjarige bijspijkercursus na de middelbare school ter voorbereiding van een universitaire studie wisen natuurkunde, georganiseerd door DOS. Pieter Woiff
'We gaan niet van alles doen om maar geld te verdienen' Universitaire ontwikkelingswerkers dreigen in financiële problemen te raken De dienst ontwikkelingssamenwerking van de VU gaat moeilijke tijden tegemoet. Zij krijgt steeds minder opdrachten binnen van vooral de Europese Unie. "Maar we gaan echt geen waterputten slaan, alleen maar om geld te verdienen", zegt directeur dr. J. Van Weeren. "Wat we doen moet wel met de universiteit te maken hebben. Want dat is ons bestaansrecht." Dirk de Hoog "We gaan echt niet van alles doen om maar geld te verdienen. Projecten die we aannemen moeten binnen onze criteria passen", zegt dr. J.H.P. van Weeren, hoofd van de dienst ontwikkelingssamenwerking (DOS) van de vu. Onlangs maakte het college van bestuur bekend dat er een extern adviseur is aangesteld om de dienst door te lichten. " D e reden daarvoor is vrij simpel", aldus Van Weeren. "We verwachten een terugloop van het aantal opdrachten. Omdat we wat inkomsten betreft bijna volledig afhankelijk zijn van externe financiers van projecten gaat DOS een moeilijke periode tegemoet. We moeten ons herprofileren en mogelijk reorganiseren." De dienst, waar 55 mensen werken, had over 1996 nog een licht positief saldo, maar verwacht over 1997 een tekort van een half miljoen gulden, dat bij ongewijzigd beleid de komende jaren verder dreigt op te lopen. Dat hangt volgens Van Weeren voor een groot deel samen met veranderingen op de internationale markt voor ontwikkelingssamenwerking. "Het zal vooral moeilijk worden om nog aan de bak te komen bij de inschrijving op projecten die de Europese Unie financiert. D a t gaat namelijk steeds vaker om grote raamovereenkomsten met een bepaald land en die hebben niet alleen op universitaire zaken betrekking. We zijn eenvoudigweg te klein om voor zulke projecten in aanmerking te komen. Vroeger waren er nog kleine, op onze maat gesneden opdrachten te vergeven. Bovendien neemt de internationale concurrentie tussen de potentiële uitvoerders van ontwikkelingsprojecten toe. W e zullen het steeds meer moeten hebben van deelopdrachten door het aangaan van samenwerkingsverbanden en strategische allianties." Van Weeren schat dat momenteel zo'n derde deel van de inkomsten van DOS bestaat uit opdrachten van de Europese Unie. Een iets groter deel van de inkomsten komt van de
Nederlandse overheid, namelijk zo'n 40 procent. D e tmiversiteit betaalt zelf eentiende van de kosten van DOS. D e rest komt van diverse opdrachtgevers. " D e Nederlandse overheid werkt anders dan de Eu", vertelt Van Weeren. "Er bestaat hier een speciaal programma voor interuniversitaire ontwikkelingssamenwerking. Daarvoor zijn twaalf universiteiten uit diverse ontwikkelingslanden geselecteerd. Die maken hier een rondje langs de instellingen voor hoger onderwijs en kunnen dan zelf kiezen welke aangeboden expertise ze willen gebruiken." Met die expertise is het bij DOS niet slecht gesteld, concludeert Van Weeren uit het feit dat vu naast de universiteiten van Wageningen en Delft een van de belangrijkste uitvoerders is op het gebied van de Nederlandse universitaire ontwikkelingssamenwerking. "Van de algemene universiteiten zijn we zeker de grootste op dit gebied. D e landbouwuniversiteit en de technische universiteiten hebben natuurlijk een streepje voor omdat ze specialismen in huis hebben waar veel vraag naar is. D a t is aan de algemene universiteiten iets minder."
Solidariteit D e universitaire ontwikkelingssamenwerking is in de jaren zestig ontstaan uit solidariteit met de Derde Wereld. Wegens haar christelijke doelstelling voelde met name de v u zich daartoe geroepen. "Oorspronkelijk was de gedachte dat het wetenschappelijk personeel van de verschillende faculteiten de beschikbare expertise zou overdragen aan collega's in ontwikkelingslanden. Maar de vraag was zo groot dat de faculteiten die niet meer zelf aankonden en zodoende is een aparte dienst ontstaan. Maar bij bijna alle projecten spelen mensen van de verschillende faculteiten nog een rol", aldus Van Weeren, die dan ook nadrukkelijk stelt dat DOS er is ten behoeve van de universiteit. "Natuurlijk is ontwikkelingssamenwerking uit ideële motieven ontstaan, maar er moet wel een link zijn
met de universiteit. Uiteindelijk moet de v u ook iets aan ons h e b ben." Zo helpt DOS mensen die een tijdje aan de v u komen werken met het aanvragen van visa en verblijfsvergunningen en bemiddelt zij bij huisvesting voor gasten uit het buitenland. Maar DOS wil vooral aansluiten bij de kerntaken van de universiteit, namelijk onderwijs en onderzoek. Dat wil zij ook in de toekomst blijven doen. "Bij het aannemen van opdrachten kijken we of deze iets met de universiteit van doen hebben. We gaan niet op grote schaal waterputten slaan. Daar zijn genoeg andere bedrijven voor. Maar we houden ons bijvoorbeeld wel samen met mensen van de faculteit aardwetenschappen bezig met onderzoek naar bodem- en waterbeheer in droge landen in Afrika, want daar is wetenschappelijke kennis voor nodig."
Informatica In 1992 heeft DOS een werkplan opgesteld, waarin staat op welke terreinen de dienst actief wil zijn. Zo lopen in verschillende landen in Zuidelijk Afrika en de Filipijnen projecten om de opbouw van bètafaculteiten te ondersteunen. Dit gebeurt onder meer door het verzorgen van een eenjarige cursus basic science aan scholieren die net h u n middelbare school hebben afgemaakt om h u n niveau zo op te krikken dat ze een universitaire studie in wis- en natuurkunde aankunnen. Hierbij wordt nauw samengewerkt met de universiteit van Twente. Ook lopen projecten o m leraren in de bètavakken bij te spijkeren; en hier en daar krijgen faculteiten hulp bij h u n opbouw. Naast aandacht voor natural resource management is life sciences een van de aandachtsvelden. Hierbij gaat het vooral om kennisoverdracht en onderzoek op medisch gebied. Zo loopt er bijvoorbeeld een project naar de werking van lokaal gefabriceerde geneesmiddelen. Bij DOS is ook expertise aanwezig voor steun aan kleine (familie)bedrijfjes. En natuurlijk gaat informatica een steeds belangrijker rol spelen. N u is de dienst vooral betrokken bij het opzetten van administratieve en managementsystemen, maar in de toekomst zal ook het gebruik van de computer in het onderwijs meer aandacht krijgen. En tot slot biedt DOS ondersteuning bij overdracht van kennis en ervaring op het gebied
van universitair bestuur en beheer. D e keuze voor bepaalde landen is volgens Van Weeren niet het gevolg van een bepaald beleid. "Traditioneel waren we sterk vertegenwoordigd in Indonesië, maar dat is in 1992 vrij abrupt gestopt omdat de regering daar boos was over uitspraken van Nederland over de mensenrechtensituatie. Er lopen nog slechts een paar projecten en in de regio hebben we nieuwe partners gevonden, zoals in de Filipijnen en in Viemam. Ook Zuidelijk Afrika was een aandachtsgebied en sinds de afschaffing van de apartheid in 1990 bouwen we weer contacten in ZuidAfrika zelf op, bijvoorbeeld met de traditioneel zwarte universiteit van het Noorden. Maar er zijn ook contacten in bijvoorbeeld Latjjns-Amerika." De dienst zal niet op eigen kracht projecten aanpakken in OostEuropa en centraal-Azië. "Wij hebben daarvoor niet de goede ervaring in huis. Misschien zullen we zo nu en dan aan bepaalde aspecten van een project meedoen waar wij goed in zijn. Wel zijn er momenteel contacten in Mongolië via een Britse universiteit." Overigens ziet Van Weeren in de toekomst een nieuwe ontwikkeling op zijn dienst afkomen. "Het streven is er natuurlijk op gericht dat er steeds meer gelijkwaardige relaties tussen de verschillende partners ontstaan. N u gaat het nog vaak om asymmetrische verhoudingen, waarbij wij kennis en ervaring overdragen. Maar steeds vaker zullen die in meer symmetrische samenwerking overgaan. Daar ligt dan vooral een taak voor de wetenschappers in dienst van de faculteiten en minder voor de mensen van DOS. N U lopen bijvoorbeeld al met universiteiten in Indonesië gezamenlijke onderzoeksprojecten. En met de universiteit van het Noorden in Zuid-Afrika is dat ook een aspect van de samenwerking. Ach, natuurlijk is het onze doelstelling onszelf ooit overbodig te maken, maar zo snel gaan de ontwikkelingen in de wereld ook weer niet. O p het gebied van ontwikkelingssamenwerking valt nog ontzettend veel nuttigs te doen. Wij willen daar vanuit de v u graag een rol in blijven spelen. D a t is de inzet van onze bezinning op de toekomst. Over wat er concreet gaat veranderen kan ik nog niets zeggen. Daar is juist die extern adviseur voor aangetrokken."
Excellente administratieve vaardigheden. Geen Nederlandse werknemer zal dat dé belangrijkste eigenschap van een topmanager noemen. Een Poolse werknemer vindt dat wél de belangrijkste eigenschap van zijn hoogste baas. D a t de eisen die aan leiders worden gesteld per cultuur verschillen, blijkt uit het proefschrift Inspirational Leadership van psychologe Deanne N . den Hartog. In het eerste deel van dat proefschrift schetst zij het profiel van een voortreffelijk leider in Nederland. Ze baseert zich op gegevens van het zogenaamde GLOBE-project, een internationaal onderzoek naar leiderschap in zo'n zestig landen. Vooral 'middelmanagers' uit de financiële sector en de voedselverwerkende industrie zijn ondervraagd. E e n voortreffelijke topmanager moet volgens de Nederlandse respondenten vooral integer zijn: zijn of haar woord houden, betrouwbaar en eerlijk zijn. Een goede leider is daarnaast enthousiast en inspireert zijn medewerkers, door ze bijvoorbeeld aan te moedigen. I n de derde plaats heeft de voortreffelijk leider een vooruitziende blik en een aantrekkelijke visie op de toekomst. Er zijn sekseverschillen in geprefereerde leiderschapskenmerken, ontdekte Hartog. Zo blijken vrouwen meer waarde te hechten aan ondersteunende en diplomatieke leiders. Zij houden niet van dominantie. Mannen vinden overtuigingskracht, rationaliteit en inspirerend gedrag belangrijker kenmerken van goed leiderschap dan vrouwen. (MZ)
Grammatica Nooit meer Duitse grammatica. Welke scholier droomt daar niet van. H e t proefschrift Differential effects of explicit instruction on second language cuquisition van H.C.J, de Graaff geeft scholieren een handvat o m naar de leraar Duits te stappen m e t de mededeling 'Wij hebben de grammatica niet langer nodig'. Taalwetenschapper de Graafï geeft in zijn onderzoek aan dat je een vreemde taal kunt leren zonder iets van de grammatica af te weten. Een peuter leert zijn moedertaal niet uit boekjes, maar door naar zijn omgeving te luisteren. "Alle gezonde kinderen bereiken in principe een perfecte beheersing van en vaardigheid in h u n moedertaal zonder grammaticale uitleg of correctie", meldt D e Graaff. Als een leerling een taal wil leren die niet in zijn omgeving wordt gesproken, liggen de zaken anders. D a n moet alle kennis uit het onderwijs worden gehaald. Maar ook in het onderwijs blijkt het n u d u s niet langer noodzakelijk de leerling te overvoeren met grammatica. De Graaff deed onderzoek onder 110 studenten, die met de computer Spaans leerden dan wel een soort Esperanto. Van beide groepen kreeg een deel grammaticale uitleg, de rest moest het zonder doen. D e Graaffs concltisie: "Kermis over taalstructuirr is geen voldoende noch een noodzakelijke voorwaarde voor taalvaardigheid: kermis over taalstructuur verbetert niet in alle gevallen de taalverwerving, en ook zonder grammaticale kennis is taalverwerving mogelijk." (AiZ)
Natuurkundeonderwijs Leerlingen hebben een aantal verkeerde opvattingen over h u n fysische omgeving; het natuurkundeonderwijs moet die opvattingen rechtzetten. D a t is de meest gangbare benadering in het natuurkundeonderwijs. Volgens het proefschrift van P.J.J.M. Dekkers is die benadering niet zinvol. "Als de leerlingen wordt voorgehouden dat de denkbeelden van de fysica in strijd zijn met h u n begrip van de wereld is er weinig hoop dat ze de relevantie van de fysische denkbeelden leren inzien." Volgens Dekkers hebben leerlingen het vaak wel bij het rechte eind, maar gebruiken ze begrippen die niet wetenschappelijk zijn en beschrijven en verklaren ze een kleiner deel van de wereld dan de fysica. Dekkers vindt het daarom beter om in het natuurkundeon- " derwijs aan te sluiten bij de bestaande kennis van leerlingen. "Het is zinnig ervan uit te gaan dat leerlingen de wereld die ze kennen, voor zover dat voor hen nodig is, correct, coherent, consistent en adequaat beschrijven en verklaren." H e t natuurkundeonderwijs hoeft de denkbeelden van leerlingen dan ook niet recht te zetten, maar alleen te 'herstructureren'. (MZ)
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van maandag 25 augustus 1997
Ad Valvas | 726 Pagina's