Ad Valvas 1997-1998 - pagina 457
PAGINA 7
Al) VALVAS 5 MAART 1998
En nu dan promoveren Afgestudeerd politicologe Hadewych Hazelzet is, nadat ze een jaar als consultant heeft gewerkt, weer de collegebanken ingeschoven. Zij doet verslag van haar ervaringen als PhD-student aan de European University Institute in Florence, Italië. Deze week deel 12: jachtvergunning. Hadewych Hazelzet Papier vliegt in het rond. Kopieermachines ratelen. Nietmachines klikken. Hoogleraren komen nieuwsgierig om de hoek kijken. Nietsvermoedend loop ik naar brrmen bij de studentenadministratie. "Kun je volgende week terugkomen, de aanmeldingen voor het nieuwe academisch jaar zijn net biimengekomen en die moeten allemaal verwerkt worden." D e aanmeldingen voor het nieuwe jaar? H e t lijkt zo kort geleden dat ik met een zucht mijn dossier in de brievenbus gooide, aangetekend en per expres naar het verre Italië. Het belangrijkste was natuurlijk het onderzoeksvoorstel. Een paar weken had ik er aan zitten schrijven. Het aan verschillende hoogleraren voorgelegd voor commentaar. O m referentiebrieven gebedeld. Mijn cv, pasfoto's, kopieën van diploma's en cijferlijsten had ik er nog net op tijd bijgestopt. Vanaf die dag gefixeerd op het klepperen van de brievenbtas.
Dr. Ansje van Beusekom in de foyer van bioscoop Tuschinsky: 'Ik heb wat stemmen willen toevoegen aan de geschiedenis.'
i
Bram de Hollander
Film is meer dan filmlcunst'
Kunsthistorica schrijft proefschrift over film als kunst Al vrij snel na de opkomst van de film ontstonden ideeën over film als kunst, ontdekte kunsthistorica Ansje van Beusekom, en niet pas met de oprichting van de Filmliga in 1927, zoals vaak wordt beweerd. Van Beusekom promoveerde 3 maart op een proefschrift over de reacties op de opkomst van de film en de vraag of film beschouwd kon worden als kunst. Frieda Pruim "Tijdens mijn studie kunstgeschiedenis vroeg ik me af wat de maatschappelijke positie van kunst was", vertelt dr. Ansje van Beusekom (37), die op 3 maart promoveerde op een proefschrift over film als kunst. "Film hoorde, meer dan musea, bij mijn leven terwijl mijn studie alleen maar over beeldende kunsten ging. Daarom volgde ik een bijvak filmkunde aan de UVA en deed ik bij wijze van stage onderzoek bij de vakgroep film- en televisiewetenschappen." Van het een kwam het ander, en zo begon ze zich in 1991 als aio te verdiepen in de reacties op de opkomst van de film vanaf 1895. Daartoe verzamelde ze kranten- en tijdschriftartikelen uit die tijd waarin de auteurs zich ook uitspraken over de vraag of zi) film als kunst beschouwden. "De opkomst van de film dwong mensen om zich uit te spreken over de vraag of film al dan niet als een vorm van kunst beschouwd moest worden en leidde dus tot een heleboel kunstopvattingen. Dat was voor mij als kunsthistorica interessant, want als een kunstvorm eenmaal gevestigd is, wordt daar nauwelijks meer over geschreven.'* Ze liet haar onderzoek doorlopen tot 1940, omdat de film er toen ongeveer uit was gaan zien zoals wij hem m deze tijd nog steeds kennen: voornamelijk vertoond in bioscopen, avondvullend, met geluid en in kleur. Bovendien waren de verschillende visies op film eind jaren dertig uitgekristalliseerd." De allereerste filmvoorstelling in Nederland vond plaats op 12 maart 1896. In een afgehuurd zaaltje in de Kalverstraat werd een half uur lang een aantal filmpjes vertoond, die stuk voor stuk minder dan een minuut duurden. Een rijdende trein, een ouderpaar dat z'n baby in de tuin te eten geeft, het uitgaan van de fabriek van de gebroeders Lumière
en een bewegende 'cartoon' stonden op het programma. "De filmpjes werden bewegende of levende fotografie genoemd", vertelt Van Beusekom. "Ze begonnen met een stilstaand beeld, dat vervolgens begon te bewegen." Het verhaal dat mensen bij het zien van de rijdende trein die het beeld binnen kwam rijden van angst onder hun stoel kropen, klopt volgens haar niet. "Maar ze vonden het wel verbazend knap gedaan."
Fictie De uitvinders van de film dachten dat de lol er gauw af zou zijn, maar dat bleek allerminst het geval. Films werden al snel langer. Eerst werden er vooral documentaire-achtige beelden vertoond, later verschoof het accent meer en meer naar fictie. "Het onderscheid tussen fictie en non-fictie is eigenlijk pas later gemaakt en is moeilijk toe te passen op de vroege films", legt van Beusekom uit. "Avonturenfilms bevatten bijvoorbeeld veel natuuropnamen of het verhaaltje was zo dun, dat de natuurgetrouwe beelden de boventoon voerden." In de beginjaren waren films een van de attracties op de kermis en in grote steden onderdeel van het variétéprogramma. De eerste films bevatten geen geluid, maar werden door hve artiesten van muziek en uitleg voorzien. "Vertoners zetten filins naar h u n hand door bijvoorbeeld dramatische beelden vertraagd te vertonen en daar h u n eigen commentaar bij te geven." Vanaf 1911 schoten speciale bioscopen als paddestoelen uit de grond, omdat toen op grote schaal langere en dus duurdere films uitkwamen. In de bioscopen werden films vaak nog wel voorafgegaan door levende acts. Het bioscoopbedrijf, dat de films vertoonde, had tot de massale opkomst van Amerikaanse speelfilms
in 1920 het idee dat ze de film het beste als kunst zou kunnen presenteren. Maar daar wilden de culturele elite en de overheid niet aan. Films waren populair en werden daarom niet als kunst gezien. De Filmliga, die in 1927 werd opgericht, zette zich in voor het kleine deel van de geproduceerde films dat ze als kunst beschouwde. Zij was voorstander van een puur filmprogramma in bioscopen en vertoonde tot haar opheffing in 1933 op speciale avonden 'betere films'. D e leden van deze organisatie hadden moeite met het gebruik van geluid, omdat daardoor films steeds meer een reproductie van de werkelijkheid werden, en dat was in de kunst taboe. Ze hielden zich verre van Amerikaanse producties, maar hadden grote bewondering voor de Russische films met h u n ritmische montage (snelle afwisseling van beelden en abrupte overgangen), h u n ernst en h u n duidelijke boodschap, al waren ze van de (communistische) inhoud van die boodschap niet zo gecharmeerd. "Het ging tenminste ergens over, en dat kon volgens hen van de Amerikaanse love stories en huis-tuin-en-keukenverhaaltjes niet worden gezegd", aldus Van Beusekom. Ook bij het grote publiek waren de Russen tot haar verrassing in de tweede helft van de jaren twintig enorm populair. "De Sovjet Unie was een heel andere wereld en daar waren de Nederlanders nieuwsgierig naar", verklaart ze deze belangstelling. "Het aantal aanhangers van de Filmliga was klein, maar zij hadden grote invloed op de filmkritiek, omdat zich onder hen veel publicisten bevonden die al connecties hadden met kranten", vertelt de promovenda. "Bovendien konden zij hun mening goed onder woorden brengen, in tegenstelling tot de vertegenwoordigers van het bioscoopbedrijf." Dat leidde ertoe dat de Nieuwe Rotterdamse Courant in 1929 een rubriek Filmkunst in het leven riep op initiatief van iemand uit de Filmliga. "Dat ze de rubriek 'Filmkunst' en met 'Film' noemden, was op zich al een statement", aldus Van Beusekom. "Het bioscoopbedrijf voelde zich in zijn kuif gepikt, want 90 procent van de films die het uitbracht, werd in die rubriek met besproken. Bovendien ageerde de krant tegen de geluidsfilm, waarop de bioscopen
overwogen over te gaan. Daarom weigerden ze voortaan advertenties te plaatsen in de NRC, maar daar trok de krant zich uiteraard niets van
Nadat de Filmliga m 1933 was opgeheven en de geluidsfilm de zwijgende film had vervangen, ontstonden er twee stromingen op het gebied van filmkritiek: Het Katholieke Filmfront, met Janus van Domburg voorop, bleef voorstander van de Russische filmstijl, terwijl L.J. Jordaan en Hendrik Schölte in het onafhankelijke maandblad Filmliga dat tot 1936 bleef bestaan, steeds meer oog kregen voor de Amerikaanse film. N a de Tweede Wereldoorlog raakte die tweede stroming in de vergetelheid en gingen de dogmatische ideeën van Van Domburg de boventoon • voeren. Pas in de jaren zestig doorbrak Jan Blokker als filmcriticus opnieuw de beperkte blik op film. Daarvoor ontving hij in 1966 de Graad van Roggenprijs, overigens genoemd naar de eerste NRC-criticus. De vraag hoe Van Beusekom zelf meent dat film en kunst zich tot elkaar verhouden, vindt ze moeilijk te beantwoorden. "Film is kunst in de zin dat er heel lang en geconcentreerd wordt gewerkt aan iets heel groots, maar in tegenstelling tot de beeldende kunsten wordt een film niet door één kunstenaar gemaakt en is deze reproduceerbaar. Je kunt film dus eigenlijk niet met bijvoorbeeld schilder- of beeldhouwkunst vergelijken. D e belangrijkste conclusie van mijn proefschrift is dat kunst een te beperkt begrip is om film in te vangen, zoals de Fjlmliga wilde. Film is film." Vaak wordt beweerd dat filmkritiek pas met de Filmliga is begonnen, maar dat bestrijdt Van Beusekom. "Vóór de jaren twintig is er ook al heel veel over film als kunst geschreven, maar omdat de Filmliga zo duidelijk naar buiten trad, zijn andere publicaties op de achtergrond geraakt. Ik vind dat je je als geschiedschrijver niet moet neerleggen bij de propaganda van een club voor zichzelf. In mijn proefschrift heb ik wat stemmen willen toevoegen aan de geschiedenis."
Het onderzoeksvoorstel het belangrijkst voor de felbegeerde toelating? Dat had ik gedacht. Je moet het met verve verdedigen tijdens je sollicitatiegesprek, maar daarna? Uit een survey onder vierhonderd studenten blijkt dat slechts een op de drie studenten een duidelijk idee heeft over inhoud en onderwerp van zijn of haar onderzoek op het moment van aanmelding. Een vage notie over het onderwerp en de richting van het onderzoek heeft iedereen, maar hoe, wat, waar precies? Sommigen houden vol overtuiging vast. Anderen zitten met de handen in het haar: h u n dissertatie blijkt al door iemand anders te zijn geschreven. Ze kloppen bij tijd en wijle op de deur van h u n supervisor, enthousiast over weer een nieuw idee. De goeroe van het instituut helpt ons weer op het rechte pad. Een jaar na dato doceert hij proposal writing en research design. Een paar uur per week hangen de nieuwkomers aan zijn lippen. Stel je nu voor dat je stapels en stapels met aanmeldingen voor je hebt liggen, zegt hij. No way dat je ze allemaal van a tot z kunt lezen. De eerste paragraaf moet het 'm doen. Als de eerste paar regels helder, crisp en fascinerend uiteenzetten waarom het belangrijk is een bepaald fenomeen te onderzoeken, en als uit de literatuurUjst een grondige kennis van het vakgebied spreekt, dan komt zo'n voorstel op de shortlist. Of zo iemand nu precies voor ogen heeft hoe het het beste onderzocht moet worden of niet doet er nog niet zoveel toe. Mensen op de shortlist krijgen gewoon een 'jachtvergunning'. Trappelende voeten, schuivende stoelen. Uitgelaten verspreiden we ons weer over het gebouw na het seminar. We zijn op jacht. Een hele nieuwe dimensie aan het bestaan als onderzoeker. Op jacht naar de causale nexus, de crucial case, de loopholes in de dominante theorieën. Aan het einde van het jaar wordt onze jachtvergunning geëvalueerd. Wie dan nog niet grondig het terrein heeft verkend en afgebakend, kan ergens anders zijn of haar neus in gaan steken. Die is niet langer het doelwit van het instituut. M e n verwacht een zorgvuldig uitgetekende landkaart waar de resterende tweeënhalf jaar op gebouwd kan worden. Geen losse flodders. Terwijl in de bibliotheek de kopieermachines draaien, papieren ritselen, databestanden worden gescreend en boekenkasten worden omgekeerd, spoedt de goeroe zich naar zijn collega's. In het kantoor van de studentenadministratie klinkt een gesmoord geroezemoes. Gretige vingers. Op jacht naar de ideale kandidaten voor het volgende academisch jaar. Terwijl de kandidaten zich in den vreemde 's nachts met schrik bedenken dat ze een voetnoot beter anders hadden kunnen formuleren, zijn hier de onderzoeksvoorstellen terzijde gelegd. Men buigt zich over de cv's en referentiebrieven. Er wordt gespeurd naar vroegere oogappels uit Vlaanderen, Deutschland, Espana. Raak. Een referentiebrief van professor Hotemetoot himself, dat klinkt veelbelovend. Kijk eens waar deze kandidaat allemaal heeft gestudeerd. E n die lijst publicaties. H m , wat dacht je van de foto van deze kandidaat? D e voorselecties zijn begonnen.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van maandag 25 augustus 1997
Ad Valvas | 726 Pagina's