Geheugen van de VU cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Geheugen van de VU te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Geheugen van de VU.

Bekijk het origineel

Ad Valvas 1997-1998 - pagina 619

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Ad Valvas 1997-1998 - pagina 619

8 minuten leestijd

AD VALVAS 1 4 MEI 1 9 9 8

Pavlov voor historici Een commentaar bij de recente discussie over Colijn VU-historicus Herman Langeveld stelde onlangs in zijn Colijn-biografie dat het positieve beeld van deze vooroorlogse staatsman bijstelling behoeft. Jan de Bruijn, directeur van het Historisch Documentatiecentrum voor het Nederlands protestantisme, had moeite met deze conclusie omdat Langeveld zijn bronnen verkeerd zou hebben gebruikt. Theoretisch historicus Chris Lorenz legt uit wat er mis is met de redeneringen van tegenstanders van Langeveld en in het bijzonder met die van De Bruijn.

J. de Bruijn: 'Door de betrouwbaarheid van zijn eigen bronnenmateriaal ter discussie te stellen, begeeft Langeveld zich op gad ijs.' Peter Wolters - AVC/VU Chris Lorenz Wanneer historici geconfronteerd worden met bevindingen omtrent het verleden die h u n niet aanstaan, maken ze vaak gebruik van bepaalde redeneringen. En omdat er een vaste relatie tussen h u n onlustgevoelens en deze argumentatiewijzen lijkt te bestaan, kunnen we deze redeneringen beschouwen als een soort pavlovreacties van een wetenschappelijke gemeenschap, die ons iets over haar gebruiken en gevoeligheden vertellen. In de volgende beschouwing zal ik naar aanleiding van de recente reacties op Herman Langevelds Colijn-biografie bij deze standaardreflexen van historici stilstaan. O p deze manier kan dit debat wellicht enigszins verhelderd worden. Zeker nu de vu-historicus Jan de Bruijn zich in een zelfstandige publicatie De slag om Tjakra Negara als fundamenteel criticus van Langeveld heeft aangemeld, kan dat ver-

moedelijk geen kwaad. H e t piece de resistance van de discussie is, zoals wel bekend, Langevelds onthulling dat in 1894 onder Colijns verantwoordelijkheid en in zijn aanwezigheid op Lombok twaalf vrouwen en kinderen zijn geëxecuteerd. Voor degenen die aan een positief beeld van Colijn gehecht zijn - en D e Bruijn is dat kennelijk - was dat natuurlijk minder welkome informatie. In de eerste twee standaardreacties wordt geprobeerd het onwelkome feit in kwestie - de gewraakte executie in dit geval - te ontkrachten door een ander perspectief erop te presenteren. Argument nr. 1 luidt in een notendop: "Dat moet je in z'n juiste context zien!" of "Dat ügt allemaal veel complexer dan het lijkt!" Vervolgens legt de historicus dan uit waarom een onaangename bevinding in een heel ander daglicht gezien moet worden. D e Bruijn bewandelt deze weg met zijn opmerking dat in de publiciteit

H. Langeveld: 'Het gangiiare Coiijn-beeld berust deels op mythevorming en deels op 'lokale' blindheid van zijn eerdere biografen.'

rond de Colijn-biografie "weinig recht werd gedaan aan de historische context waarin het drama zich afspeelde" (p. 6). Hij doelt kennelijk op de omstandigheid dat de executies zich tijdens gevechtshandelingen afspeelden. E n als de Lombokkers een andere conceptie, van oorlogvoeren hadden dan het KNEL - op grond waarvan vrouwen met kleine kinderen hierbij aanwezig waren - dan was dat gewoon d o m m e pech voor hen. D e tweede standaardreactie om ogenschijnlijk onheil te bezweren is: "Dat moet je in z'n tijd plaatsen" of " D a t vinden we n u aUemaal heel akeUg, maar toen vond m e n dat heel gewoon". Er volgt dan meestal een exposé volgens het sjabloon 'andere tijden, andere zeden'. Ook deze reactie zien we bij D e Bruijn, wanneer hij zegt dat "naar hedendaagse maatstaven de wijze waarop in het toenmalige Nederlands-Indië strijd werd geleverd als onaanvaardbaar moge worden

Advertentie

Vul nu uw stembiljet in En stuur 'm terug! Universitaire studentenraad Facultaire studentenraden

vrj/e Univeisitctt

amsterdam

beschouwd", maar dat "het historisch gezien evident is dat de publieke opinie in ons land er honderd jaar geleden anders over oordeelde". D e Leidse historicus Peter Klein had dit type reactie al voorzien. Bij de boekpresentatie merkte hij terecht op dat je dit argument nooit hoort wanneer het Eichmann of Mladic betreft. Maar D e Bruijns redenatie op dit p u n t is nog vreemder omdat Jan Blokker in de Volkskrant en Elsbeth Etty in NRC Handelsblad de feitelijke basis hiervan al hadden ontzenuwd. Beiden hadden er - in navolging van Langeveld zelf - terecht al op gewezen dat er tijdgenoten van Colijn waren die net zo geschokt waren over dit soort executies als de meesten van ons nu. D e derde tot en met vijfde standaardreactie zoeken het heil niet in de context, maar in de status van de bevinding zelf. D e derde pavlovreactie komt neer op debunking avant la lettre en maakt gebruik van argumenten in het genre: " D a t klinkt wel nieuw en spectaculair, maar au fond wisten we het allemaal al." Er volgt dan vaak een geleerde verwijzing naar vakgenoten die de gewraakte constateringen eerder hadden geformuleerd. D e Leidse historicus Martin Bossenbroek argumenteerde bij de boekpresentatie op deze manier. Hij merkte op dat ieder die met de KNiL-praktijken van die tijd vertrouwd was, executies ä la Colijn had kunnen verwachten. Niets aan de hand dus, aldus deze hard boiled KNiL-historicus: als door de wol geverfde realist werd hij hier noch sadder, noch wiser van. D e vierde standaardreactie is erop gericht om de bevinding te neutraliseren door de status ervan te problematiseren. Dat gebeurt met opmerkingen ä la: "Maar dat is helemaal geen historische bevinding, maar een ethisch/normatieÊ'politiek waardeoordeel!" D e portee hiervan is dat de onaangename bevinding bij de historici op het verkeerde bordje is gedeponeerd. D e Leidse historicus Jan Bank ging in NRC Handelsblad deze kant op met zijn typering van Langevelds boek als een "ethische biografie" - en dus geen historische. Maar Bank had op dit p u n t zelf boter op z'n hoofd, omdat hij in zijn Colijn-boek de gewraakte executie helaas over het hoofd had gezien (in NOVA verdedigde hij deze 'omissie' met het opmerkelijke argument dat "hij er ook niet naar had gezocht". Misschien een tip voor de collega's in het voormalige Joegoslavië!). T o t slot rest dan de vijfde standaardreactie, die beoogt langs een andere weg het feitelijke tapijt onder de bevinding vandaan te trekken. Dit gebeurt door het fiindament van de constatering te ondergraven. D e betrouwbaarheid van de onaangename informatie wordt dan in twijfel getrokken evenals de samenhang ervan met andere informatie, die als beter/betrouwbaarder/systematischer etc. wordt gepresenteerd. Dit is D e Bruijns kernargument. Wat is er volgens hem aan de hand? D e executie wordt door Colijn in twee brieven beschreven - aan zijn vrouw en zijn ouders - die onderling kleine verschillen vertonen. Op grond van de gangbare regels van de historische bronnenkritiek had Langeveld de conclusie getrokken dat de brief aan zijn ouders aantoonbare onjuistheden bevatte en dat de brief aan zijn vrouw

waarschijnlijk de meest betrouwbare is. Historical business as usual, maar kennelijk niet voor D e Bruijn. Hij werpt Langeveld namelijk voor de voeten dat deze, door "de betrouwbaarheid van zijn eigen bronnenmateriaal ter discussie te stellen" (p. 7), . zich "op glad ijs waagt": "Door Colijns verslag weinig betrouwbaar te noemen ondergraaft hij dus ook het bewijs voor zijn stelling, dat Colijn zich op Lombok aan wreedheden heeft schuldig gemaakt." (p. 7-8). Q.E.D., Langevelds Colijn ruste in vrede en we kunnen met D e Bruijn weer rustig gaan slapen. D e meest onrustbarende implicatie van D e Bruijns redenering is zijn suggestie dat wie de betrouwbaarheid van bepaalde passages in Colijns brieven ter discussie stelt, zich verder niet op deze brieven kan beroepen en tot een totale scepsis veroordeeld is. Wie de twijfel eenmaal heeft toegelaten, is volgens D e Bruijn dus als historicus reddeloos verloren. Deze naar dogmatiek riekende, dichotomiserende redeneertrant (die een opvallende gelijke-

nis met vulgair-postmoderne argumentatiewijzen vertoont) biedt historici echter weinig soelaas. Het draait in de geschiedwetenschap immers nóóit om onomstotelijke 'bewijzen', waardoor we met zékerheid weten wat er in het verleden is gebeurd. Elke historische bewering kan in principe in de toekomst opnieuw ter discussie worden gesteld. Daarom is Geyls typering van de geschiedenis als "een discussie zonder einde" zo raak, hoe weinig daar in de praktijk ook van kan blijken. En het is evenmin zo in de geschiedwetenschap, dat vanwege het feit dat onomstotelijke 'bewijzen' ontbreken, historici simpelweg alles permanent moeten betwijfelen en alle versies van het verleden dus even twijfelachtig of plausibel zijn. Deze redenatie is de geseculariseerde variant van het argument, dat als God dood is, alles is toegestaan en gaat voorbij aan de wetenschappelijke rationaliteit (hoe ook gedefinieerd). Zo argumenteren is overigens niet alleen onjuist, maar ook praktisch gezien riskant gegeven het feit dat Holocaust-deniers zich hierop baseren. D e wetenschappelijke geschiedbeoefening wordt echter sinds jaar en dag beoefend voorbij de tegenstelling tussen totale zekerheid en totale scepsis. Zij bedient zich van rationele argumenten, waarbij verschillende reconstructiemogelijkheden op basis van bronnenkritiek in termen van plausibiliteit tegen elkaar worden afgewogen. Herman Langeveld heeft langs deze weg bijzonder plausibel gemaakt dat het gangbare Colijn-beeld deels op mythevorming en deels op 'lokale' blindheid van zijn eerdere biografen is gebaseerd. D e discussie rond zijn boek heeft daarnaast zonneklaar gemaakt dat het ook historici veel moeite kost om van h u n favoriete mythen afscheid te nemen. Kennelijk is niets menselijks de historicus vreemd. De auteur doceert wijsbegeerte en methodologie der geschiedenis aan de Vrije Universiteit en de Rijksuniversiteit Leiden

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van maandag 25 augustus 1997

Ad Valvas | 726 Pagina's

Ad Valvas 1997-1998 - pagina 619

Bekijk de hele uitgave van maandag 25 augustus 1997

Ad Valvas | 726 Pagina's