Ad Valvas 2000-2001 - pagina 357
AD VALVAS 1 FEBRUARI 2 0 0 1
PAGINA 9
Bewegingswetenschapper promoveert op de werking van de klapschaats
Een kleinere hefboom doet de truc
Het klinkt tegenstrijdig: je
ontwikkelt een nieuw product, dat product zet de
liele markt op zijn kop en
pas als liet helemaal is
ingeburgerd, ga je onderzoeken waarom het nu eigenlijk
zo goed werkt. Toch is dat
precies hoe het is gegaan
bij de ontwikkeling van de
klapschaats.
Martine Postma
Inderdaad tegenstijdig, maar wel verklaarbaar, vindt bewegingswetenschapper H a n Houdijk, die vandaag
op de werking van de superschaats
promoveert. Want om de hypothese
die aan de uitvinding ten grondslag
lag te kunnen toetsen, waren toprijders nodig. Alleen die zijn immers in
staat om zo stabiel hun rondjes te rijden, dat je kunt meten of het gebruik
van ander materiaal verschil maakt.
Maar de topschaatsers van de KNSB
wilden pas op grote schaal aan zo'n
experiment meedoen, toen zeker was
dat dat ook voor henzelf iets zou opleveren. Een dergelijke zekerheid was er
pas in 1997, toen Tonny de Jong op
klapschaatsen ineens min of meer
vanuit het niets Europees kampioene
allround werd.
"Toen brak een gouden periode voor
het onderzoek aan", vertelt Houdijk.
"Eindelijk hadden we een goeie ploeg
proefpersonen die we onze theorie
konden laten toetsen." Die theorie
hield in dat je op gewone noren minder arbeid kunt leveren met je kuitspieren, omdat je de strekking van je
enkel moet onderdrukken. Maar een
'monsterproject', waarbij de bewegingswetenschappers samen met de
KNSB-rijders naar Inzell vertrokken om
metingen te doen, bevestigde die
hypothese niet. Houdijk: "Bij het testen bleek dat de schaatsers de enkelstrekking helemaal met zo goed
onderdrukten. H u n kuitspieren waren
op gewone schaatsen net zo actief als
op klapschaatsen." Ook bleek het
minder door het ijs krassen van de
klapschaats de wrijving met het ijs
lang niet zo spectaculair te verminderen als van tevoren was gedacht.
Draaipunt
De theorie achter de wonderschaats
bleek dus niet te kloppen. "Dat was
wel even schrikken", herinnert Houdijk zich. Vooral omdat de klapschaats
ondertussen wél werkte: alle proefpersonen reden er sneller mee dan op
conventionele noren. "We dachten:
lijn dat-ie werkt, maar we moesten er
wel even een ander verhaal bij verzinnen "
Er zat niets anders op dan keer op
keer de gegevens uit de testritten te
bekijken en te vergelijken. Houdijk en
2i)n medewerkers staarden urenlang
naar cijfertjes en tabellen. Welk getalletje stond nu precies voor welk punt
m de schaatsbeweging? En wat kon je
daaruit afleiden? Uiteindelijk ontdekten ze waar de meerwaarde van het
ingenieuze mechanisme dan wél in
zat. Niet in de mogelijkheid om de
enkel te strekken, maar in de ligging
van het zogenaamde draaipunt van de
schaats, het punt waaromheen de voet
Anje Kirsch
roteert aan het eind van de afzet.
Bij de gewone noor ligt dat draaipunt
helemaal vooraan het ijzer, waardoor
de hele schaats als hefboom werkt.
Dat betekent dat de schaatser erg veel
kracht moet uitoefenen om zijn hiel
van het ijs te krijgen. Bij de klapschaats daarentegen, ligt het draaipunt
veel verder naar achteren, namelijk in
het scharnier onder de bal van de
voet. Hierdoor is de hefboomwerking
veel kleiner en kan de hiel gemakkelijker van het ijs worden gelicht en de
enkel gemakkelijker worden gestrekt.
De afzetbeweging is dus efficiënter,
waardoor de schaatser harder gaat.
Patent
De schaatswereld met al zijn ontwikkelingen is fascinerend, vindt Houdijk.
Telkens als het erop lijkt dat de top is
bereikt, blijkt het toch weer sneller te
kunnen. Hij toont een tabel uit zijn
proefschrift, waarin de ontwikkeling
van wereldrecords tussen 1970 en
2000 is te zien. Ongeveer om de tien
jaar is er plotseling een periode waarin
veel meer records worden verbeterd
dan in andere jaren. Aan elk van die
periodes ging een doorbraak vooraf,
vertelt de onderzoeker. "In 1975 was
dat de ontdekking van het gladde
schaatspak, in 1987 kreeg je de overdekte schaatsbaan en de jongste piek
ligt na de introductie van de klapschaats."
Houdijk denkt niet dat er ooit een
moment komt dat de top werkelijk is
bereikt. "De tijden zullen altijd
omlaag gaan, al zal dat wel steeds
langzamer gaan." Zo sluit hij niet uit
dat op de 500 meter, waarop het
wereldrecord momenteel iets boven
de 34 seconden ligt, ooit de dertigsecondengrens wordt doorbroken.
Het onderzoek naar de klapschaats
gaat ook na de promotie van Houdijk
door. Inmiddels heeft de universiteit
patent aangevraagd op twee nieuwe
technieken, die de schaats verder
moeten verfijnen. De eerste is een
schaats met twee scharnieren in plaats
van één, de tweede is de zogenaamde
'scheve schaats', een schaats met een
schuine as. Houdijk zal het verdere
onderzoek hiernaar niet zelf doen, al
blijft hij waarschijnlijk wel behouden
voor de vu. Hij heeft van de faculteit
Bewegingswetenschappen het aanbod
gekregen om universitair docent te
worden. In die functie zal hij zich
bezig gaan houden met "bewegen in
een bredere context". Maar het
schaatsen zal hij nooit helemaal uit
het oog verliezen. Als plaatsgenoot
van Gianni Romme (beiden komen
oorspronkelijk uit het Brabantse
Made) is dat misschien ook niet
mogelijk.
De klapschaats als molensteen
Zeg je bewegingswetenschappen, dan zeg je klapschaats. Geen enkele andere
activiteit van de vu-bewegingswetenschappers is zo bekend als het klapschaatsonderzoek. Ook rond de promotie van Han Houdijk is het een waar mediacircus: Nova, Netwerk, radioprogramma's, de kranten, allemaal willen ze de promovendus spreken.
Leuk voor de faculteit, maar er zit ook een keerzijde aan al die aandacht. Aangezien je zelden iets anders leest over Bewegingswetenschappen, zou je kunnen
denken dat de klapschaats het enige is waarmee de faculteit zich bezighoudt.
Journalist Bert Wagendorp vroeg zich in de Volkskrant van 16 november in elk
geval af of "de bewegingswetenschappers van de vu niks beters te doen hebben
dan dat eeuwige gepruts aan klapschaatsen". "Kennelijk niet", beantwoordde
hij zijn eigen vraag. De klapschaats als molensteen om de nek van de faculteit.
Het bewegmgswetenschappersblad FBWeetjes liet het er niet bij zitten: "Als
Wagendorp even de aankondigingen op de FBW-site had geraadpleegd, had hij
kunnen zien dat er de komende tijd een groot aantal promoties op de rol staat",
schrijft de redactie in het jongste nummer. "Want er gebeurt meer op de FBW!"
Zo promoveerde Karin Gerrits half december op een onderzoek naar spieraanpassingen bij dwarslaesiepatiënten. Gerrits begrijpt we! dat de klapschaats het
grote publiek meer aanspreekt, maar toch had ze iets meer media-aandacht voor
haar eigen onderzoek wel op zijn plaats gevonden. "Het is namelijk maatschappelijk heel relevant. Wij hebben bijvoorbeeld een aantal dwarslaesiepatiënten
laten fietsen op een soort hometrainer die hun spieren kunstmatig stimuleerde.
Sommige van die mensen zaten al twintig jaar in een rolstoel; ze vonden het
fantastisch. Maar veel artsen zijn niet op de hoogte van alle mogelijkheden voor
dwarslaesiepatiënten. Meer aandacht van de media zou dat kimnen veranderen."
Volgens de decaan van Bewegingswetenschappen, Peter Hollander, doet de FBW
zijn best om het imago van 'klapschaatsfaculteit' te veranderen: "Het zou aardig
zijn als ander onderzoek ook eens wat aandacht kreeg. Maar doorgaans zijn we
toch wel blij met de aandacht voor de klapschaats." (MP)
Hein Vergeer
vond de
klapschaats
maar een
raar ding
Nog maar een paar jaar geleden was
de Noor Johann Olav Koss de snelste schaatser van de wereld. Hij
reed de tien kilometer bijvoorbeeld
in 13.30 minuten. Maar de dagen
dat je met zo'n tijd aan kop stond,
zijn voorbij. Als je nu de ranglijst
van de snelste schaatsers allertijden
bekijkt, kom je Koss tegen op de
32e plaats. De nieuwe nummer één
is Gianni Romme, met een tienkilometertijd van 13.03. Was Koss achteraf eigenlijk wel zo goed? Jawel,
maar zijn schaatsen niet. Koss reed
namelijk op traditionele noren, terwijl de toppers van nu allemaal op
klapschaatsen rijden.
Het idee van de schaats die bij het
afzetten half loskomt van het ijzer,
werd midden jaren '80 bedacht
door Gerrit Jan van Ingen Schenau,
hoogleraar bij Bewegingswetenschappen aan de vu. Die bekeek
onder meer het principe van afzetten. Zowel bij schaatsen als bij bijvoorbeeld hoogspringen is de afzet
cruciaal. Om zo hoog mogelijk te
springen, zak je door je knieën om
vervolgens je benen te strekken.
Ook je voet gaat in die strekking
mee: de enkel rekt zich helemaal
uit, terwijl je met je voorvoet afzet.
Maar schaatsers, dacht Van Ingen
Schenau, hadden op de traditionele
schaats bepaald geen baat bij die
beweging. Als zij hun enkel strekten,
krasten ze met de punt van htm
schaats door het ijs, waardoor ze
afremden. Schaatsers moesten dus
de enkelstrekking onderdrukken.
Wat zou er gebeuren, dacht de
hoogleraar, als ook een schaatser
kon toegeven aan de impuls om zijn
enkel te strekken? Dan zou hij soepeler en krachtiger kunnen afzetten.
En dus harder schaatsen.
Vanuit dit idee ontwikkelde Van
Ingen Schenau de klapschaats. Het
leek een geniale vondst, maar de
toenmalige toppers wilden er niet
aan. Hein Vergeer en Ron Ket, die
de klapschaats in 1984 kregen aangeboden, vonden het maar een raar
ding.
De omslag kwam in de jaren '90.
Bij Bewegingswetenschappen studeerde toen Erik van Kordelaar, die
naast zijn studie schaatstrainer was
van een jongerenselectie in ZuidHolland. Hij hoorde op college over
de klapschaats en besloot de vinding
uit te testen op zijn junioren. Het
werd een groot succes: na een jaar
hadden de jongeren die op klapschaatsen reden, veel meer vooruitgang geboekt dan hun leeftijdgenoten op traditionele schaatsen.
T o e n werden ook andere jeugdtrainers nieuwsgierig, zoals Sijtje van
der Lende, die in Friesland de meisjesjunioren coachte. Haar pupillen
zorgden uiteindelijk voor de revolutie. Begin 1997 verschenen T o n n y
de Jong, Barbara de Loor en Carla
Zijlstra met klapschaatsen op het
Europees kampioenschap allround.
Het leidde tot een ongekend resultaat: T o n n y de Jong won het EK
door de Duitse Gimda Niemann te
verslaan, iets wat bijna onvoorstelbaar was gezien eerdere prestaties
van de beide vrouwen.
Daarna vvdlden steeds meer rijders
de klapschaats proberen. Met de
Olympische Spelen van Nagano
voor de deur kwam de wonderschaats, die een seconde winst per
rondje zou opleveren, als een
geschenk uit de hemel. Tegen de
tijd dat de Spelen van start gingen,
was de klapschaats volledig ingeburgerd. Rijders die hem niet gebruikten, telden niet meer mee.
Sceptici kurmen zich afvragen wat
de waarde van steeds snellere tijden
is, als die slechts zijn toe te schrijven
aan beter materiaal. Maar zo simpel
is het met. Terug naar Koss en
Romme. Als je bij de 13.03 van
Romme 25 seconden optelt (tien
kilometer is 25 rondjes), kom je op
13.28. En dat is nog altijd twee
seconden sneller dan de 13.30 van
Koss. CMP)
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 24 augustus 2000
Ad Valvas | 692 Pagina's