Geheugen van de VU cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Geheugen van de VU te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Geheugen van de VU.

Bekijk het origineel

Ad Valvas 2001-2002 - pagina 193

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Ad Valvas 2001-2002 - pagina 193

9 minuten leestijd

AD VALVAS 15 NOVEMBER 2001

PAGINA 5

Proefschrift beschrijft de oorsprong en opkomst van nationale symbolen

Op de rand

Typisch Hollands' is eigenlijk collectie exotica

Nooit meer feesten

Peter Strelitski

Het 'typisch Nederlandse' porselein komt in feite uit China

Molens, klompen, oorijzers, pikbroeken en de klompendans. Dat is Holland voor de buitenlandse toerist. Hoe komen we eigenlijk aan dat oubollige en tuttige imago? In een vuistdik proefschrift beschrijft historicus Ad de Jong hoe de Nederlandse volkscultuur is ontstaan. Peter Breedveld Nederlanders vinden het zelf vaak nogal gênant, dat ze in het buitenland worden vertegenwoordigd door Frau Antje in haar Zeeuwse kostuum. Historicus Ad de Jong vindt echter dat ze niet moeten zeuren. "We moeten gewoon accepteren dat we worden geïdentificeerd met klompen en klederdracht. Dat spreekt de buitenlandse toerist aan, die komt hier echt niet naartoe om de moderne luchthaven Schipho! te bewonderen. En heus, er IS niemand die écht gelooft dat we hier allemaal op klompen lopen." Waarom wordt Nederland eigenlijk gezien als het land van klompen, molens en klederdracht? De Jong, wetenschappelijk en beleidsmedewerker bij het Arnhemse Openluchtmuseum, schreef er een proefschrift over, De dirigenten van de herinnering. Wat toeristen zien als typisch Hollands, is dat in werkelijkheid helemaal niet, betoogt De Jong. Meestal gaat het om zaken die bij één bepaalde plaats horen: een Volendammer kostuum, oorijzers uit Walcheren, een Brabantse klompendans. Dat zij symbolen van de nationale cultuur zijn geworden, is het werk van schilders, dichters, journalisten en historici. Deze lieten zich vanaf de Romantiek, aan het begin van de negentiende eeuw, inspireren door het 'ongerepte' platteland en het 'pure' van de vissersdorpen Volendam en Marken. Zij namen elementen uit een lokale cul-

tuur en 'nationaliseerden' die. De Jong: "Op de Balkan had je componisten als Dvorak. Die nam allerlei melodieën die hij hoorde in verschillende dorpen en transformeerde die tot grote symfonieën, die ten slotte als nationale cultuur werden gepresenteerd. Zo ging dat ook in Nederland, al waren het hier vooral schilders als Jozef Israels die een dergelijke rol speelden." De Jong gebruikt het verhaal van de 'Hindelooper Kamer' om het proces van nationalisering van een lokale cultuur te illustreren. De Hindelooper Kamer was een nagebootste woonkamer uit het Friese plaatsje Hindeloopen, die te zien was op een historische tentoonstelling over Friesland in 1877. Een lokale cultuurvorm werd daar dus gepresenteerd als Fries erfgoed. De Hindelooper Kamer werd zelfs een exponent van de Nederlandse cultuur, toen ze een jaar later ook was te zien op de wereldtentoonstelling van Parijs.

Achterlijk "Zo werd de verbeelding van de Nederlandse volkscultuur van bovenaf gedirigeerd", vertelt De Jong. "Gebruiksvoorwerpen werden 'gedecontextualiseerd': ze werden uit hun oorspronkelijke omgeving gehaald en in een nieuwe context geplaatst, waardoor ze ook een compleet andere betekenis kregen, namelijk die van cultuurdragers. In de jaren twintig van de twintigste eeuw begon zich een kentering af te tekenen in het denken over nationale symbolen. Boeren en vissers werden nu als achterlijk gezien en klederdracht als tuttig door Nederlanders die hun land liever zagen als een modem, ontwikkeld land. Er was echter ook een groep mensen die de verdwijnende volkscultuur van het platteland tegen de oprukkende verstedelijking wilde beschermen. Zo werd het idee geboren voor een openluchtmuseum, zoals die in Scandinavië al bestonden. In 1918 werd in Arnhem zo'n museum geopend. Het

bood een staalkaart van verdwijnende bouwstijlen en tradities van het platteland. Historicus De Jong stelt in zijn boek twee figuren centraal: museumdirecteur August van Erven Dorens en prman Dirk Jan van der Ven. Deze twee hadden een tegengestelde visie op het beleid van het museum. "Van Erven Dorens wilde objecten verzamelen en die zo sec mogelijk aan het publiek presenteren", aldus De Jong. "Van der Ven vond dat het Openluchtmuseum geen conserverend museum moest worden, maar een plek waar de plattelandscultuur weer tot leven werd gewekt."

Centrum Democraten Met Van der Ven kwam er aan de volkscultuur een naar luchtje te hangen. Toen deze namelijk merkte dat klederdracht en dingen als de klompendans oubollig werden gevonden, ging hij op zoek naar kringen waar de nationale mots nog wel werden gewaardeerd. Zo kwam hij terecht onder nationaal-socialisten. Van der Ven probeerde met de hulp van de Duitse bezetter zelfs directeur te worden van het Openluchtmuseum, zodat hij er de door hem gewenste school 'voor een krachtige nationale opvoeding van ons volk' van kon maken. En nog steeds blijft het oppassen met nationale symbolen, waarschuwt De Jong. "Voorstellingen van volkscultuur oefenen kennelijk nog steeds aantrekkingskracht uit op verkeerd gezelschap." Als voorbeeld haalt hij een affiche aan van de inmiddels uiteengevallen extreem-rechtse Centrum Democraten, waarop een molen staat afgebeeld tegenover een moskee. 'U kunt nu nog kiezen', staat erboven. Op deze manier zijn veel typisch Hollandse symbolen in een kwaad daglicht komen te staan. "Al is dat natuurlijk vreemd", tekent De Jong aan. "Het zijn immers niet de voorwerpen die fout zijn, maar de misbruikers ervan. Bij voetbal geeft de scheidsrechter toch ook geen rode kaart aan de bal?"

Na de oorlog was het een van de taken van het Openluchtmuseum om de Nederlandse symbolen te 'demythologiseren', oftewel van hun nationalistische lading te ontdoen. Tegenwoordig staat het museum voor een nieuwe opdracht, betoogt De Jong. Zijn proefschrift moet helpen om de nieuwe koers te bepalen. "We moeten laten zien dat de volkscultuur uit meer bestaat dan boeren- en vissersgemeenschappen, dat Nederlanders ook in steden wonen en in fabrieken werkten", meent de historicus.

Paradoxaal Ook de multiculturele maatschappij zal in het Openluchtmuseum doordringen. "Er zijn plannen om een Molukse barak na te bouwen op het terrein, om te laten zien hoe de Molukkers, die in de jaren vijftig in Nederland kwamen, door de regering werden ondergebracht en behandeld." Zal er ook een moskee verrijzen in het museum? "Dat niet direct", verwacht De Jong, "Ik denk dan eerder aan een interieur van een Hollands huis dat door een Turkse of Marokkaanse familie wordt bewoond." Hollandse volkscultuur is niet iets statisch. "Er komt steeds van alles bij", zegt De Jong. "Denk maar aan de rijsttafel. Die komt uit een andere cultuur, maar wordt aan buitenlanders toch als iets typisch Nederlands gepresenteerd. Wij hebben ons die als Nederlanders toegeëigend." Dat is altijd al zo geweest. Zelfs die zogenaamd typisch Nederlandse Hindelooper Kamer was een voorbeeld van multicultureel eclecticisme. "Er stond porselein in die kamer dat door de voc uit China was geïmporteerd en de klederdracht was gemaakt van sits, Indische katoen. Dat is eigenlijk nogal paradoxaal: wat als typisch Hollands wordt gepresenteerd, is eigenlijk een verzameling bijzonder exotische producten, een soort venster op de wereld." Ad de Jong, De dirigenten van de hennnenng; musealisenng en nationalisering van de volkscultuur in Nederland 181S-I940. De Jong promoveert op 20 november.

Mijn eerste werkdag aan de Vrije Universiteit beloofde meteen al niet veel goeds. Eigenlijk had ik nog een paar dagen kerstvakantie gepland, maar mijn baas vond het wel verstandig als ik naar de nieuwjaarsreceptie zou komen. Zo kon ik in één keer met veel nieuwe collega's kennismaken. Daar zat wat in. Het werd een cultuurschok: een praatje in het auditorium, een kopje koffie met een minuscuul koekje en daarna weer aan de slag. "Typisch Hollands", zouden ze gezegd hebben bij mijn vorige werkgever, de Universiteit Maastricht. Daar werd het nieuwe jaar gevierd met een borrel aan het einde van de middag, met meer dan voldoende bier, wijn en hapjes van de cateraar. En na afloop schoof het grootste deel van het gezelschap gewoon door naar het dichtstbijzijnde café voor een afterparty. Eigenlijk had ik na die receptie al kunnen weten dat de vu niel veel voorstelt als het aankomt op het organiseren van feestjes. Maar natuurlijk wilde .ik mijn nieuwe werkgever niet beoordelen op mijn eerste ervaring. Nieuwe rondes, nieuwe kansen. Totaal blanco ging ik twee maanden later naar A wednesdaynight at the Free University. Dat was de pakkende naam voor de opening van de nieuwe tentoonstellingsruimte van het Exposorium op de begane grond van het hoofdgebouw. De aankleding was veelbelovend: de ruimte was verduisterd, een pad van grastegels toonde de weg ernaartoe en een professionele disejockey draaide plaatjes. Maar de vu-bevolking bleef massaal weg. Niet meer dan dertig belangstellenden waren er aan het eind van de middag en de sfeer kwam er dan ook niet in. N a een paar pilsjes hield ik het voor gezien. Ik gaf de moed nog niet op. "Laten we er gezellig met de hele redactie naar toe gaan", zei ik toen in juni de uitnodiging voor de zomerbarbecue binnenkwam. De helft ging mee. Een redelijke opkomst, gezien het totale aantal belangstellenden. Zeker tweederde van de banken op het büinenplein bleef leeg. Het eten week weinig af van wat de mensa normaal serveert en veel feestgangers stapten op zo gauw ze het achter de kiezen hadden. Net als bij mijn vorige feest kon de plaatjesdraaier al ruim voor het einde zijn spullen inpakken. Sinds vorige week donderdag weet ik zeker dat ik de vu-feesten voorlopig zal mijden. Het herfstfeest was een dieptepunt. Door mijn eerdere ervaringen had ik er al niet veel zin in, maar toen twee collega's na het werk wel enthousiast bleken, vond ik dat ik niet weg kon blijven. Er was nog wel een probleem. Het eigenlijke feest zou pas om zeven uur beginnen. Om de tussenliggende anderhalf uur te doden gingen we naar het noodBruine Café, dat open is zolang het oude verbouwd wordt. Maar van alcohol drinken in de hoek van een helverlichte, galmende hal wordt een mens alleen maar triester. Beide collega's haakten al voor het begin van het feest af Ik ging nog een uurtje werken. Toen ik rond acht uur op het feest kwam, zag ik een tafereel dat treuriger was dan alles wat ik voorheen op de vu aan feesten had aanschouwd. Nog geen procent van alle vu-medewerkers was naar de foyer gekomen. Acht mensen zaten op de bankjes aan de kant, zestien stonden aan de Stehtische naar de zeskoppige band Oud West te kijken. Ik bedacht dat ik nog net mijn trein zou kunnen halen en sprintte het gebouw uit. Voor mij geen vufeestjes meer. Jan Buevink In Op de rand staan voorvallen m de marge van het universitaire nieuws. Wie vindt dat Ad Valvas ergens aandacht aan moet besteden, kan suggesties mailen naar redactie^advalvas.vu.nl.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 23 augustus 2001

Ad Valvas | 596 Pagina's

Ad Valvas 2001-2002 - pagina 193

Bekijk de hele uitgave van donderdag 23 augustus 2001

Ad Valvas | 596 Pagina's