Ad Valvas 2002-2003 - pagina 357
AD VALVAS 20 FEBRUARI 2003
PAGINA 5
Antieke nieuwsprenten namen het met de werkelijkheid vaak niet al te nauw
I Het CNN van prins Maurits
De verovering van Delfzijl, prent van de firma Hogenberg uit 1591
Wie heel vroeger op de hoogte wilde blijven van de toestand in de wereld, keek niet naar de televisie, maar kocht nieuwsprenten. IVIaar zulke prenten lezen is een kunst, zegt kunsthistorica Christi Kiinkert. 'Wat je niet weet, dat zie je niet.'
die van Hogenberg regelmatig partijen van vijfhonderd nieuwsprenten kreeg aangeleverd. Aangenomen mag worden dat Plantijn die zelf ook weer verkocht. "Als je een vast inkomen had, lag het zeker binnen je bereik om zo'n prent aan te schaffen", denkt Kiinkert. "Zoals je tegenwoordig Elsevier of Vnj Nederland koopt, zo kochten mensen vroeger een nieuwsprent."
Hogenberg over de successen van prins Maurits, die de Spaanse bezetter de ene na de andere stad ontfutselde, spreekt dan ook een zekere persoonlijke betrokkenheid. Hogenberg was duidelijk begaan met het lot van de burgers, over wier ruggen de oorlog werd uitgevochten. Of je Spaans- of staatsgezind was, maakte voor de prentenmaker niet uit, de pineut was je even goed. Daarnaast ging het Hogenberg toch vooral om geld verdienen.
Elsevier iJe prenten moeten gretig aftrek hebben gevonden onder de Nederlandse bevolking. Zo staat in de boeken van de Antwerpse boekdrukker Plantijn dat
Smoel
Complete veldtocht
Maar nieuwsprenten werden ook voor propagandistische doelemden gemaakt. Zo werd er zeven jaar na dato een prent gemaakt van de inname van Breda of je echt van een nieuwsprent kunt spreken is dus zeer de vraag -, waarop werd gesuggereerd dat het de Staten-Generaal (zeg maar de regering) van de Nederlanden waren geweest die hadden besloten deze strategisch belangrijke stad te veroveren. "Maar in werkelijkheid hadden Maurits en raadspensionaris Johan van Oldenbameveldt dat besluit volkomen op eigen houtje genomen", zegt Kiinkert. "Er is hier dus sprake van opzettelijke geschiedvervalsing, met als doel de legitimatie van de StatenGeneraal als machthebber." Maurits diende wel als boegbeeld van de Staten-Generaal. Hij gaf dit vrij anonieme orgaan 'smoel', waardoor tegenwoordig onder het grote publiek weer het misverstand heerst dat Maurits de baas was in Nederland, en niet de Staten-Generaal. Uit veel nieuwsprenten zijn ook nuances te halen die in andere historische bronnen ontbreken. Zo suggereert een prent over de verovering van Deventer dat, toen Maurits' soldaten een bres sloegen in de stadsmuur, de Spaanse bezetters bij de verdediging van de stad werden geholpen door de Deventenaren zelf "De idee dat iedereen deel uitmaakte van het Nederlandse volk moest nog helemaal worden gevormd", verklaart Kiinkert. "Voor de meesten maakte het niet uit of de Spanjaarden de baas waren of de Staten-Generaal. Als de ellende van de oorlog maar stopte."
Als je bijvoorbeeld kijkt naar een Hogenbergprent van de inname van Delfzijl, kun je het kanonnengebulder bijna horen; er wordt stevig geweld gebruikt en de actie spat ervan af. Terwijl Delfzijl in werkelijkheid zonder slag of stoot is ingenomen. Kiinkert denkt dat hier sprake is van 'epische verdichting'; een hele serie gebeurtenissen is hier samengeklonken tot een geheel. Bij de inname van een aantal schansen in de buurt van Delfzijl, onmiddellijk na de innname van de stad, is namelijk wel stevig gevochten en dat is wat je op de prent ziet: een complete veldtocht in plaats van een enkele slag. Op de meeste nieuwsprenten werden gebeurtenissen op deze manier verbeeld. Dat was al eeuwenlang, tot in de late Middeleeuwen, een goede gewoonte en dat wisten de mensen toen ook. Ze werden dus niet bedot. Hedendaagse historici dreigen nog wel eens in de val van die epische verdichting te trappen en moeten volgens Kiinkert dus leren om nieuwsprenten juist te interpreteren. "Kijken is een kwestie
Kiinkert is nu tweeëenhalf jaar bezig met haar onderzoek en ze is 'verslingerd' geraakt aan nieuwsprenten. Over tweeëenhalf jaar hoopt ze haar proefschrift te publiceren. Dat moet toegankelijk zijn voor een zo breed mogelijk publiek, maar het moet ook een standaardwerk zijn voor historici, die nieuwsprenten als bron voor h u n onderzoek willen gebruiken. Kiinkert: "Ik zou in Nederland graag dé autoriteit op het gebied van belegeringsprenten zijn."
Peter Breedveld In de zestiende eeuw had je nog geen CNN of Trouw, maar de mensen bleven wel graag op de hoogte. Als iemand een verre reis naar de Oost ondernam, ergens een monsterlijke baby was geboren of een veldslag had plaatsgevonden, dan werd daarover een nieuwsprent gemaakt; een afbeelding van het nieuwsfeit met een stuk tekst erbij. "Vergelijkbaar met een krant", zegt kunsthistorica Chnsti Kiinkert, die onderzoek doet naar zulke nieuwsprenten. "Al moet je daar voorzichtig mee 2i)n, want zo'n nieuwsprent had een zekere artistieke waarde en een krant heeft dat niet." Ook hadden de makers van nieuwsprenten andere motieven dan alleen het brengen van nieuws. Achter de Keulse firma Hogenberg, die dergelijke prenten maakte, zat bijvoorbeeld een familie die tijdens de Tachtigjarige Oorlog de zuidelijke, katholieke Nederlanden was ontvlucht. Uit de prenten van
van weten", vindt Kiinkert. "En wat je niet weet, dat zie je op zo'n prent niet."
Kiinkert onderzoekt ongeveer honderd nieuwsprenten, gemaakt tussen 1590 en 1600, toen Maurits op 'bevrijdingstocht' door de Nederlanden trok. Die toch begon met de inname van Breda, door middel van een slimme list, waarbij zijn marmen de stad werden binnengesmokkeld in een turfschip, en eindigde met de slag bi) Nieuwpoort. De onderzoeksgroep waarvan Kiinkert deel uitmaakt houdt zich bezig met de rol van cultuur, kunst en religie bij het ontstaan van de 'Nederlandse identiteit', maar ïGinkert richt zich vooral op de analyse van de nieuwsprenten. Ze kijkt wat er op de prenten is te zien, en in hoeverre dat in overeenstemming is met andere historische bronnen. Hoe betrouwbaar was zo'n nieuwsprent?
Op de rand Kafka Vorige week moesten alle redactieleden van Ad Valvas htm sleutel inleveren omdat we een nieuw slot kregen. Terwijl het oude slot nog prima voldeed. Kort daarvoor was er op onze redactie, die uit vier ruimtes bestaat, al iemand beziggeweest bordjes aan de deuren te schroeven waarop precies staat wie van ons zich in welke ruimte bevindt. Volkomen overbodig, want we zijn met z'n negenen en kennen elkaar erg goed. Als ik onze eindredacteur wil spreken, hoef ik echt die bordjes niet allemaal af om te zien waar ze zit. Ik zie haar vanaf mijn plek zo zitten, net als al mijn andere collega's. Ik besloot eens uit te vissen wie zulke beslissingen neemt en waarom. N u is er birmen de dienst communicatie, waarvan Ad Valvas deel uitmaakt, een meneer die altijd dit soort zaken regelt, dus die heb ik maar eens gebeld. Met enige tegenzin, want met die meneer had ik eerder al hele surrealistische gesprekken gevoerd. Ik vroeg hem waarom we een nieuw slot moesten. "Omdat de dienst communicatie is verhuisd naar het noodgebouw op de campus en we daarbij onze sloten in het hoofdgebouw hebben achtergelaten", antwoordde hij. Ik begon te zweten. "Daardoor zaten de sleutels van de dienst niet meer in dezelfde range als die van Ad Valvas." Ik probeerde er nog achter te komen waarom onze sleutels in dezelfde range moeten zitten, maar raakte wederom in een absurdistische dialoog verzeild. Daarom besloot ik van onderwerp te veranderen en vroeg naar de bordjes. "Zijn die bordjes niet goed?", vroeg hij. Nee, ik vwlde alleen maar weten waaróm er opeens iemand die bordjes was komen bevestigen. "Oooh, ik begrijp het", zei hij. "Die man had natuurlijk eerst even een afspraak moeten maken. Ja, zo ben ik zelf ook, hoor. Je kan natuurlijk niet zomaar komen binnenlopen en dan bordjes gaan staan bevestigen." Hij begreep niets van mijn vraag. Ik bleef erop hameren dat ik wilde weten wie die beslissing had genomen en waarom, maar het drong niet door. Op een gegeven moment verwees hij me naar de facilitaire dienst, want daar werd over bordjes beslist. D e facilitaire dienst verwees mij door naar de gebouwendienst en die stuurde mij weer terug naar de facilitaire dienst. Een vriendelijke mevrouw probeerde m e ook nog onze man biimen de dienst communicatie aan te smeren, maar die had ik al gesproken, zei ik en lachte gemeen: "Ik heb u door, trucje mislukt." D e mevrouw lachte ook: "Ik kon het toch proberen." Bij de facilitaire dienst wilde iemand dat ik het stukje, dat ik over de affaire zou gaan schrijven (dit stukje, dus) aan het hoofd van het bedrijfsbureau zou laten lezen zodat die daarover weer bepaalde beshssingen kon nemen. Ik heb toen heel snel de hoorn erop gegooid. Peter Breedveld In Op de rand staan voorvallen in de marge van het universitaire nieuws
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 22 augustus 2002
Ad Valvas | 588 Pagina's