Ad Valvas 2002-2003 - pagina 563
Éa^m
AD VALVAS 19 JUNI 2003
PAGINA 7
Weetjes
Soepschildpadden aan de Maas Ooit krioelde het in Limburg van de zeeschildpadden, krokodillen en andere exoten. Paleontoloog Eric IVIulder onderzocht wat er allemaal over die prehistorische beesten bekend is. Daarbij deed hij onhullende ontdekkingen. Bijvoorbeeld dat nogal wat mede-wetenschappers liever lui dan moe zijn.
Dyslexie Vermoedelijk kun je bij kinderen al op kleuterleeftijd aantonen dat ze dyslectisch zijn, ontdekte promovenda Sietsia Smit-Glaudé. Ook kan dan al duidelijk zijn wat voor type dyslexie ze zullen ontwikkelen. Er zijn er twee: het P-type, dat nauwkeurig maar traag leest en het I^type, dat snel maar onnauwkeurig leest. Smit-Glaudé deed langdurig onderzoek bij honderdveertig kinderen van -mt de leerkracht uit groep 1 vermoedde dat zij dyslectisch waren. Op basis van neuropsychologische tests bleken inderdaad negentig van hen latente dyslectici te zijn. In hun tweede kleuterjaar kregen deze kinderen verschillende behandelingen aangeboden waarbij een van beide hersenhelften werd gestimuleerd. In hun verdere schoolcarrière bleken veel van hen leesachterstanden te hebben, maar per type dyslexie waren er verschillen. Ook hadden de kinderen verschillend gereageerd op de diverse behandelingen. De rechter hersenhelft bleek bij het leesproces de belangrijkste rol te spelen. (YN)
Maagkanker Er zijn veelbelovende resultaten geboekt met gentherapie tegen maagkanker. Promovenda Danielle Heideman onderzocht het effect van de zogenaamde NK4-therapie op muizen. Bij de proefdieren bleek de therapie de tumorgroei effectief te remmen. Bij gentherapie wordt DNA ingebracht in tumorcellen. Dit erfelijke materiaal moet de tumorcellen bestnjden zonder gezonde organen te beschadigen. Heideman experimenteerde met het therapeutische gen NK4. Bij de overdracht van het gen op de cellen maakte ze gebruik van het gegeven dat het eiwit EpCAM alleen op maagkankercellen zit en niet op normale maagepitheelcellen. De NK4therapie remt bij muizen de ongecontroleerde groei van de tumorcellen en blokkeert plaatselijk de vorming van bloedvaten, waardoor de tumorcellen sterven. (YN)
Aandacht Deze Allopleuron hofmanni werd voor het eerst beschreven in 1 8 3 1
Peter Breedve d
Luiwammesen heb je overal en in de wetenschap is dat met anders. Ze schrijven klakkeloos andere onderzoeksverslagen over en zo kan het gebeuren dat in een standaardwerk over uitgestorven zeereptielen. Ancient Manne Reptiles van de zeer gerenommeerde wetenschappers Jack Callaway en Elizabeth NichoUs, een bepaalde zeeschildpad in het ene hoofdstuk een soepschildpad (Chelonia mydas) en in het andere een lederschildpad (Dermochelys coriacea) wordt genoemd. Alleen een kniesoor ziet het verschil, nietwaar? Een ander voorbeeld: in een Amerikaans museum ligt een fossiel van een mosasaurus ofwel maashagedis met de soortnaam Mosasaurus maximus, waarvan al tientallen jaren wordt aangenomen dat het om een andere soort gaat dan die in het natuurhistorisch museum in Maastricht, de Mosasaurus hofmanni. Paleontoloog Eric Mulder, medewerker van het natuurhistonsch museum Natura Docet in Denekamp, vergeleek de beide mosasaurièrs echter en ontdekte dat ze identiek zijn. Eén van beide soortnamen kan dus worden geschrapt. "Zo zie je maar dat je maar beter altijd zelf even kunt gaan kijken", stelt Mulder nuchter vast. In het proefschrift over prehistorische zeemonsters waarop hij op 24 juni aan de VU promoveert, weerlegt Mulder een aantal algemeen aanvaarde opvattingen. Daarmee zet hij een aantal belangrijke wetenschappers behoorlijk voor schut. Hadden ze maar de moeite moeten nemen om eens een fossiel van dichtbij te bekijken, in plaats van blind te varen op andermans beschrijvingen. "Je moet zo'n fossiel zelf in je handen hebben gehad", zegt Mulder. "Zodat je het kunt draaien en van alle kanten bekijken."
Detective Mulders proefschrift On Latest Cretaceous Tetrapods from the Maastnchtian Type Area bevat een inventaris van alle zeereptielen die zo'n zeventig miljoen jaar geleden rondzwommen m Limburg. Toen die provincie nog deel uitmaakte van de Krijtzee, natuurlijk. Die zee was bevolkt door reuzenzeeschildpadden waarvan een prachtexemplaar van twee meter te zien is in Maastricht - en Maashagedissen, die daar
in het zeegras lagen te loeren tot er een sappig schildpadje langskwam waann hij dan zijn tanden zette. Als een detective heeft Mulder de gaten in de rugschilden van prehistorische schildpadden bestudeerd, de aard van de misdaad vaststellend en ook de dader: de Mosasaurus hofmanni. In het geval van een ander schild, met onregelmatig verdeelde rugplaten, toonde Mulder aan dat er juist géén sprake was van een mosasaurusbeet, zoals in brede kring werd aangenomen, maar van een natuurlijke afwijking die zelfs nu nog veel voorkomt bij zeeschildpadden. Mulder beschrijft ook de ontdekking, in de omge-
"Je moet zo'n fossiel zelf in handen hebben gehad om echt te kunnen oordelen"
ving van Maastricht, van een tot voor kort onbekende mosasaurus, de Prognathodon saturator, groter dan alle andere mosasaurièrs, met een enorme kop en massieve kaken. Hij beschrijft een Maastrichtse versie van het monster van Loch Ness en een prehistorische krokodil. "Een dolfinarium aan reptielen" noemt Mulder het. "In mijn proefschrift heb ik geprobeerd een aantal vragen écht te beantwoorden."
Natuurhistorisch Museum Maastncht
Ook ten aanzien van de maashagedis kwam Mulder tot een verrassende conclusie. Bepaalde woekeringen rond de staartwervels die door paleontologen werden toegeschreven aan infecties als gevolg van bijvoorbeeld een beet van een andere mosasaurus, blijken te zijn veroorzaakt door veelvoorkomende rugklachten onder mosasaurièrs. Mulder ontdekte dit door fossielen van mosasaurièrs m het ziekenhuis in Enschede onder het röntgenapparaat te leggen. "Mosasaurièrs kregen deze rugklachten doordat hun wervels te zwaar werden belast", legt Mulder uit. "Net als bij walvissen waren bij mosasauners alle lichaamsspieren namelijk aan die wervels gehecht, waardoor er enorm vee! kracht op werd uitgeoefend." Hij zag hier tegelijkertijd een extra bewijs in voor zijn stelling dat maashagedissen zich als zeeslangen door het water bewogen en hun flippers gebruikten om zich voort te stuwen. Volgens andere theorieën zouden die flippers hoogstens hebben gediend voor het bewaren van het evenwicht. Mulder verbaast zich over de slordigheid van veel van zijn collega-paleontologen. "Sommige vragen worden niet eens gesteld", zegt hi). "Ik wilde bijvoorbeeld weten of de staarten van sommige zeeschildpadden zo lang waren omdat ze uit een groter aantal wervels bestonden of omdat de wervels langer waren dan die van de huidige zeeschildpadden. Maar dat bleek nooit iemand te hebben onderzocht."
Rugklachten Zoals bijvoorbeeld de vraag tot welke groep de Maastrichtse reuzenschildpadden nu eigenlijk behoorden. Waren het soepschildpadden of lederschUdpadden? Mulder bestudeerde de schedels en het bekken van schildpadfossielen. "Alle onderzoekers hebben die tot nu toe over het hoofd gezien", aldus Mulder. Hij stelde vast dat het om soepschildpadden gaat. Bovendien ontdekte hij dat het schild van deze schildpadden niet hard was, maar hun hele leven zo zacht bleef als dat van een babyschildpadje.
Onder- en bovenkaakfragmenten van de maashagedis IVIosasaurus hofmanni
Aandachtsproblemen zijn erfehjk, toont promotieonderzoek van Marjolein Rietveld aan. Rietveld onderzocht de resultaten van een doorlopend onderzoek naar gedragsproblemen onder jonge kinderen. Zij berekende dat bijna driekwart van de mdividuele verschillen tussen de kinderen wordt verklaard door genetische invloeden. Ouders van een- en twee-eiige tweelingen vulden vragenlijsten in rond de derde, zevende, tiende en twaalfde verjaardag van hun kinderen. Bij alle leeftijdsgroepen werden de verschillen m overactief gedrag en aandachtsproblemen voomamehjk verklaard door verschillen in erfelijke aanleg. Ongeveer een op de drie kmderen die op driejarige leeftijd ernstig overactief gedrag vertonen, ontwikkelt later ernstige aandachtsproblemen. Jongens vertonen de problemen vaker dan meisjes (1,5 : 1). (VN)
Nieuw Nederland Albany, de tegenwoordige hoofdstad van de Amerikaanse deelstaat New York, was oorspronkelijk een nederzetting met Nederlandse trekken. De plaats werd gesticht vanwege de bonthandel tussen Nederlandse kooplieden en lokale indianen en heette vanaf 1652 Beverwijck. Historica Jarmy Venema deed promotieonderzoek in Nederlandse en Amerikaanse archieven en ontdekte dat de bronnen een goed beeld geven van het alledaagse leven in de kolonie. De aanwezigheid van het Nederlandse gerecht, de gereformeerde kerk en de tussen Nederland en Amerika heen en weer reizende kooplieden zorgden ervoor dat Beverwijck een volwaardige Nederlandse samenleving werd. Maar de bijna dagelijkse bezoeken van de indianen, de aanwezigheid van slaven en het feit dat bevers en kralen fungeerden als geld, maakten ook dat er zich een nieuwe orde ontwikkelde. UiteindeUjk had het dorp, dat in 1664 door de Engelsen werd veroverd, een geheel eigen karakter. (YN)
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 22 augustus 2002
Ad Valvas | 588 Pagina's