Geheugen van de VU cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Geheugen van de VU te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Geheugen van de VU.

Bekijk het origineel

Ad Valvas 2005-2006 - pagina 109

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Ad Valvas 2005-2006 - pagina 109

7 minuten leestijd

)5

1.25

J A A R

V R I J E

U N I V E R S I T E I T

PAGINA 9

Voorpublicatie uit jubileumboek

I

Bètabodem in zicht Hoe moet een universiteit kwaliteit afleveren als de faculteiten keer op keer, jaar op jaar moeten bezuinigen? Professor Van Deursen is er kennelijk niet gerust op. De emiritus hoogleraar laat het in zijn geschiedschrijving van de VU niet bij droge feiten, maar neemt zo nu en dan ook stevig stelling. Als voorschot op 'Een hoeksteen in het verzuild bestel' een fragment uit het laatste hoofdstuk. Over mijlpalen, onverzettelijke onderzoekers en curieuze bezuinigingen. TEKST: A. TH. VAN DEURSEN FOTO: PETER STRELITSKI

W

e zagen al dat het onderwijs door steeds minder docenten gegeven moest worden aan steeds meer studenten. Het heeft de Vrije Universiteit niet belet zich een reputatie op te bouwen als een van de beste onderwijsuniversiteiten van Nederland. D e problemen van het onderzoek waren van dezelfde aard: een grotere werkdruk voor een slinkende staf. Daarmee houden de overeenkomsten op. Onderwijs heeft het gezocht in taakverzwaring voor iedereen. Intensieve begeleiding en verkleining van de groepen vroegen grotere inzet van het hele personeel. Mij zijn geen gevallen bekend dat een docent van het onderwijs werd uitgesloten bij gebrek aan gaven. Met het onderzoek ging het haast precies andersom. Daar was juist schaalvergroting het parool, en toch mocht niet iedereen meedoen.

O

orspronkelijk was dat anders geweest. Toen de voorwaardelijke financiering werd ingevoerd, kregen nagenoeg alle leden van de wetenschappelijke staf hun plaats in een van de programma's, en gold het beginsel van gelijke monniken en gelijke kappen. Ieder kreeg dus evenveel onderzoekstijd toegewezen, bijvoorbeeld 0,3 van de totale werktijd. Zonder risico was die egalitaire opzet niet. Programma's werden na vijf jaar beoordeeld op hun resultaten. Hadden ze dan te weinig opgebracht in de vorm van publicaties, dan werden ze onverbiddelijk afgekeurd. D e betrokken faculteit moest dan dit quantum onderzoekstijd inleveren. Om dat gevaar naar beste vermogen te bezweren, ging men al vrij spoedig over tot een selectiever beleid. De programmaleiders beloonden de productieven met meer onderzoeksuren, ten koste van degenen die weinig of niet bijdroegen tot de publicatiescore. D e faculteiten, en ook het universiteitsbestuur, gingen nog een stap verder. Zij schonken de meest succesvolle onderzoeksgroepen een bevoorrechte positie. Zo besloot het college van bestuur in 1991 tot extra steun voor vijf hoogwaardige onderzoeksgroepen: moleculaire en cellulaire biologie (A.H. Stouthamer), algemene dierkunde (J. Joosse), neurowetenschappen (].C. Stoof), sedimentaire geologie (S.A.P.L. Cloetingh) en ruimtelijke economie (P. Nijkamp).

B

t^i

iologie en economie hadden vanouds sterke posities ingenomen, en in de jaren negentig kwamen ook de neurowetenschappen duidelijk naar voren. In 1998 misten ze op een haar na de aanwijzing als erkend topinstituut. Binnen de medische faculteit waren ze al in 1987 aangewezen als onderzoekszwaartepunt, naast oncologie, endocrinologie, hart en bloedvaten, immunologie en extramurale geneeskunde. Het waren vooral de topspecialismen die het VU-ziekenhuis landelijk een goede reputatie verschaften. Het meest spectaculaire onderzoek werd in deze periode ongetwijfeld verricht bij de faculteit der bewegingswetenschappen, zoals de voormalige interfaculteit voor lichamelijke opvoeding was gaan heten. In 1981 behaalde de toekomstige hoogleraar G.J. Van Ingen Schenau de doctorsgraad met een proefschrift getiteld: A Power Balance Applied to Speed Skating. Zijn werk heeft geleid tot de ontwikkeling van de zogenaamde klapschaats, die een revolutionaire verbetering van de prestaties in de schaatssport teweeg zou brengen.

I

n het algemeen gesproken school de kracht van het onderzoek vooral bij de bètawetenschappen. Naar het oordeel van internationaal samengestelde visitatiecommissies waren aan de Vrije Universiteit natuurkunde (in 1996) en informatica (in 1997) de beste van Nederland. Aan de informaticus A.S. Tanenbaum viel in 2004 uit handen van de K N A W een benoeming als academiehoogleraar toe, zodat hij zich vijf jaar ongestoord aan de wetenschap zou kunnen wijden. Diezelfde onderscheiding was een jaar eerder te beurt gevallen aan de hoogleraar sociale psychologie G. Semin. Ook kende de KNAW in 2002 de Koninklijke Shell-prijs toe aan de econoom J.C.J.M. van den Bergh, en de Akademiepenning in 1996 aan de historicus G. Puchinger. De gouden regen op het onderzoek die Spinozaprijs genoemd wordt, is door N W O onder meer toegekend aan de VU-hoogleraren P. Nijkamp (ruimtelijke economie), H . M . Pinedo (oncologie) en D. Boomsma (biologische psychologie).

I Het Wis- en Natuurkundegebouw

H

et waren dus niet louter de natuurwetenschappen, die de laureaten in hun midden herbergden. Het aantal promoties steeg gestadig in alle faculteiten, en kwam in 2002 voor het eerst boven de tweehonderd uit. In de cursus 2003-2004 waren het er 236, namelijk 35 in de geesteswetenschappen, 103 in de medische wetenschappen, 64 in de natuurwetenschappen, 34 in de gammawetenschappen. Daarmee week de Vrije Universiteit niet af van de nationale trend. De invoering van het aio-stelsel had overal een stimulerende werking uitgeoefend, en de keurgroep van gedoctoreerde onderzoekers een flinke uitbreiding gegeven. H u n vooruitzichten namen niet naar evenredigheid toe. Wie in de jaren zestig van de twintigste eeuw een redelijk proefschrift had afgeleverd, en niet bekendstond als moeilijk van karakter, maakte een royale kans de rang van hoogleraar te bereiken. Omstreeks het jaar 2000 mocht een jonge doctor blij zijn als hem een volgende tijdelijke onderzoeksopdracht werd verleend, ofwel zoals het heette, een aanstelling als 'postdoc'. De eerste maal kon zo'n verlenging van het onderzoekersbestaan nog als een onderscheiding opgevat worden. Bij de vierde of de vijfde maal was het bij alle erkentelijkheid voor de gebleken waardering toch een enigszins twijfelachtige eer. Postdocs van boven de veertig waren bij de alfafaculteiten geen zeldzaamheid. Als dus de wetenschap al bloeide, dan konden de beoefenaars van de wetenschap dat niet onvoorwaardelijk toepassen op hun eigen persoon.

E

n voortduur van de bloei was afhankelijk van de beschikbare middelen. De nooit eindigende bezuinigingen dwongen telkens weer tot keuzen. Hoe meer er ingeleverd moest worden, hoe drastischer de oplossingen. Toen de Vrije Universiteit in 2004 wederom voor enkele miljoenen werd aangeslagen, besloot het college van bestuur de rekening neer te leggen bij de faculteiten geneeskunde en wis- en natuurkunde. De gammafaculteiten werden ontzien omdat ze veel studenten trokken, en de alfafaculteiten omdat ze essentieel waren voor het academisch niveau. De argumenten zijn meer curieus dan overtuigend. Bètafaculteiten zijn niet minder essentieel voor het academisch niveau, en als ze in de laatste tijd minder studenten trekken, is dat juist een zorgelijke omstandigheid die om stimulerende maatregelen vraagt. Die kunnen dan pijnlijk zijn voor de andere wetenschappen. Maar dat het instandhouden van een natuurwetenschappelijke faculteit geld kost, was al sinds 1930 bekend. "Het is niet genoeg," zei de fysicus R.P. Griessen over de snoeimaatregelen, "ons te dulden als een hobbyclubje harde bèta's. D a n is het beter om te besluiten er maar mee te stoppen." De bodemvoorzieningen voor deze wetenschappen liggen op een hoger niveau dan voor alfa en gamma. Beneden dat minimum verdwijnt elke garantie van solide kwaliteit, laat staan topkwaliteit.

Een hoeksteen in het verzuild bestel, De Vnje Universiteit, 1880-2005, Prof. dr. A.Th. Van Deursen, Uitgeverij Bert Bakker, € 25,-.

Hoeksteen Een hoeksteen in het verzuild bestel. Zo typeert professor Arie van Deursen 'zijn' Vrije Universiteit. In meer dan vierhonderd bladzijden geeft hij de geschiedenis van de VU weer, vanaf de oprichting in 1880 tot nu. De opdracht, verleend door de Historische Commissie 2005, die met het oog op het naderend jubileum al in 1997 werd ingesteld, luidde: 'Schrijf een wetenschappelijk verantwoorde, moderne en integrale geschiedenis.' Binnen deze voorwaarden was de emeritus hoogleraar nieuwe geschiedenis vrij. Onder hoofdstuktitels als 'Dienende wetenschap', 'In de schaduw van Marx' en 'Privatisering van het geloof beschrijft Van Deursen de ontwikkelingen die studenten, wetenschappers, bestuurders én de grondslag van de VU in die 125 jaar hebben doorgemaakt. Soms voorzien van zijn hoogstpersoonlijke commentaar. Aanstaande donderdag, 20 oktober, zal dit gedenkboek tijdens de dies natalis worden gepresenteerd.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van maandag 29 augustus 2005

Ad Valvas | 576 Pagina's

Ad Valvas 2005-2006 - pagina 109

Bekijk de hele uitgave van maandag 29 augustus 2005

Ad Valvas | 576 Pagina's