De roeping der gemeente jegens hare opzieneren - pagina 15
Leerrede, uitgesproken ter opening van de Klassikale Vergadering, te Grand Rapids
13 nen Vader. D a a r o m , groot is het oordeel over h e m , die zich op versmadende wijze tegen de regering der kerke verzet. M e e n t , echter, iemand verongelijkt te z i j n , of is hij van oordeel, dat de besluiten tegen Gods w i l indruischen, het staat hem vrij zijne betoogen en beschouwingen i n een beroep op talrijker vergaderingen bloot leggen; doch het is scheuring, zoo hij zijn oordeel, i n strijd met de opzieneren uitbazuint, om i n de gemeente een partij of aanhang te vormen en zoodoende zijn regt of meening gewigt bij te zetten. I n d i e n m e n , ten laatste, vruchteloos alle wettige middelen heeft uitgeput, zal men, wanneer men niet eene prooi van drift en hoogmoed geworden is, de bevredigende bewustheid, van zijn geweten vrij gemaakt en pligt betracht te hebben, omdragen, en de zaak, n a getuigenis gegeven te hebben, i n de handen van D i e n , die regtvaardig 'oordeelt, k u n n e n stellen; en men dwaalt, zoo men meent als dan nog verpligt te z i j n , wanneer men overigens de kenmerken der kerk niet ontkennen k a n , te moeten scheiden om eene zuiverder gemeente daar te stellen. Ofschoon de toelating, vermaning en uitsluiting der lidmaten bij de opzieners berust, behooren de leden nogtans geen onverschillige aanschouwerste zijn;integendeel.zij zijn verpligt de regering door allen mogelijken invloed, ten nutte van het geheel en tot schraging der opzieneren, te ondersteunen. E l k betaamt voor het geheel te zorgen, te waken, te bidden, te arbeiden, en der opzieneren werk te verligten, en hen met raad en daad te helpen. — Vermaant elkander te allen dage, is een woord voor allen. Deze liefdezorg van elk lidmaat voor het geheel, maakt geen inbreuk op de door G o d ingestelde regering, zoo m i n als die van een l i d eens huisgezins zulks doet op het vaderlijk gezag. I n M a t t h . X V I I I is de roeping van elk lidmaat jegens een' i n zonde vallend' Broeder beschreven. E l k klager, voor hij uit liefde jegens den broeder, en uit gehoorzaamheid aan G o d , deze liefdelast biddende en met zelfverloochening volbragt heeft, wordt zelf schuldig, en maakt hierdoor openbaar i n een gezonken toestand te leven. — E n wat zal men zeggen van dezulken, d i e , i n plaats van dezen liefdelast op het harte te dragen, onbekend met deze bezigheid bleven; en de diep gewortelde gewoonte volgden van het kwaad, hetwelk ze vermoeden en zien, r o n d t e dragen! ? D e onderlinge liefde, dat karakter der beelddragers Gods, de eenheid van het ligchaam van Christus, alsmede de afhankelijkheid der leden van elkander, verbiedt ten eenenmale die koude werkeloosheid. Zoo het " B e n i k mijns Broeders hoeder?" onder de leden heerscht, ze zullen te vergeefs bloei en welvaart i n het ligchaam van den arbeid der opzieneren wachten; integendeel, de gemeente z a l , alsdan gevaar loopen van dat walgelijk, e n , tegen alle c h r i s t e l i j k k a rakter indruischende schandelijk misbruik van de goddelijke i n s t e l l i n g der kerkregering, waardoor men dit gezag g e b r u i k t , om zich
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van maandag 20 augustus 1860
Brochures (VU) | 24 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van maandag 20 augustus 1860
Brochures (VU) | 24 Pagina's