Negende Jaarverslag van de Vereeniging voor Hooger Onderwijs op Gereformeerden Grondslag - pagina 35
XXXIII
En na een korte ruste: Ik steun op God, mijn Toeverlaat; Dies heb ik niets te vreezen. Wie God vertrouwt, dien deert geen kwaad; Uw tent zal veilig wezen, ilij zal zijn engelen gebiên. Dat ze u op weg bevrijden; Gij zult hen, in gevaren, zien Voor uw behoudnis strijden. Na dit lied der vertroosting en versterking las de voorzitter, Dr. Kuyper, uit het Boek der Openbaringen hoofdst. li : 12 en sprak daarna ongeveer het volgende: Schoon is het beeld, dat hier wordt geteekend die stemmen der engelen, als stemmen uit den donkeren hemel, als de regen, die klettert, als de zware donders, die dreunen. Maar toch, ook bij dat dreunen van den donder, bij dat kletteren van den regen, één toon, die dat alles overstemt, als van citers, boven die donkere wolken bespeeld, en wier tonen doorgaan tot het oor van den ziener. Een beeld ook, hoe het gaat met het volk Gods, als het donker wordt en de toorn Gods ons verschrikt en toch de zalige troost niet ontbreekt; valt niet uit de sympathie der menschen, maar uit de sympathie der kinderen Gods, boven, die ons reeds voorgingen naar de gewesten der eeuwige gelukzaligheid. Zulk een toon heeft ook onze hoogeschool noodig. Ook voor ons is het in het jaar, dat nu achter ons ligt, niet altijd even vriendelijk geweest. Donkere wolken dreven ook ons boven het hoofd, en regens kletterden, en donders dreunden, ja, soms, dat de bodem onder onze voeten scheen te schudden. Toen hebben onze benijders en bestrijders gejuicht: „Zij is gevallen, zij is gevallen, die Vrije Universiteit, die de rust en den vrede heeft verstoord!" Want waarlijk, wat geschiedde in het afgeloopen jaar, is, voor wie God liefheeft, niet zonder droeve beteekenis! Vóór acht jaren breidden wij, zoover we konden, de armen uit tot allen, die met ons wilden optreden. Hoewel toen reeds velen verre bleven, toch sloot een tal van broeders zich aan, wier sympathie voor ons hartelijk was, en van wie we dit saamgaan niet zouden verwacht hebben. Zoo leefden wij een korten tijd samen, totdat, geheel buiten de hoogeschool, in de kerke onzer vaderen een storm opstak, en het tot een botsing kwam, die veel bitterheid in het gemoed wierp en den strijd heftig deed ontbranden. Toen waren de tegenstanders gereed steenen te werpen in onzen hof en zij maakten zich op om uit te roepen: „De brand is daar: en die mannen hebben het vuur ontstoken om ruim baan te maten voor de Vrije Universiteit, die>den vrede in de kerk verwoest!" Toch was dit roepen zóó onzinnig en dwaas, dat die broederen, die eerst zich nog hadden aangesloten, en straks ons verlieten, in het begin zelf er om lachten. En juist naarmate men kerkelijk verschillend wandelde, was er des temeer ijver, die prikkelde tot warmte en gloed
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van dinsdag 1 januari 1889
Jaarboeken | 177 Pagina's