Zeventiende Jaarverslag van de Vereeniging voor Hooger Onderwijs op Gereformeerde Grondslag - pagina 73
LXXI
delsrecbt zoowel als in het bxirgerlijk recht invloed oefenen kan. Ook een prozaïsch onderwerp als b. v. het wisselrecht wordt door een hooier rechtsbeginsel beheerscht; want zou het aangaan, als eens bepaald werd, dat wie een wissel heeft geaccepteerd niet behoeft te betalen ? Hoe zal het rechtsiastitnut van het huwehjk bestaan, wanneer niet doorzien wordt, hoe het blijkens Grods Woord als Goddelijke instelling is op te vatten ? Welke is de verhouding tusschen man en vrouw, ouders en kinderen? Welke die van het zelfstandige huisgezia tot de famihe ia wijderen kring? Zoo dient er een goed geregeld verband te komen tusschen onze beginselen en de staathuishoudkundige wetenschap; zoodat niet alleen de arbeider recht kunne laten gelden op loon, maar, en hier komt de eisch van onze beginselen, er moet een behoorlijk loon voor behoorlijken arbeid betaald worden. Ook de vraag: vrijhandel of bescherming bijv. dient in verband met onze beginselen onder de oogen te worden gezien; en in 't kort is dit duidehjk, dat al deze vragen zich oplossen in een vraag naar recht, deze namehjk: of de van Godswege tot arbeid geroepen kringen in de maatschappij zich behoorlijk kunnen ontwikkelen, en of, nu de menschheid door God in volkeren gesplitst is, het eene volk te midden van andere volken zich kan staande houden ? Denk u daarbij het zoo teere vraagstuk van het gezag der Overheid. Krachtens onze beginselen staan wij tegenover het absolutisme, en toch eischen we eerbied voor de wet. E n niet alleen eerbied voor een goede Overheid, neen, voor Paulus was zelfs die van het heidensche Rome nog een dienaresse Gods. W a a r op zoo velerlei terrein het recht zich laat gelden, en tot zijn volle, vrije, door God gewilde en geëischte werking moet komen, is het duidelijk, dat de juiste en richtige studie van het recht aan zijn handhaving en bevestiging bevorderlijk moet wezen. Maar zulk een beoefening der rechtswetenschap strekt ook tot heil des volks. D a t met vele woorden aan te toonen is niet noodig voor deze vergadering, na hetgeen is opgemerkt. De behjders van den Christus hebben het zout der aarde te zijn. D a t is hun roeping. Maar hoe zullen ze die roeping vervullen, indien ze zelf niet weten, wat het recht Gods van hen eischt? Daartoe is de ernstige arbeid, de onverpoosde studie van de mannen des rechts noodig; die natuurhjk slechts degehjk en overeenkomstig de zuivere beginselen kunnen worden opgeleid aan eene juridische faculteit, die de rechtswetenschap op den juisten grondslag doet berusten.
1
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 januari 1897
Jaarboeken | 239 Pagina's