Zeventiende Jaarverslag van de Vereeniging voor Hooger Onderwijs op Gereformeerde Grondslag - pagina 51
xxrx noch verklaard, dat ook Dr. Kuyper ia de war was of iets verkeerds had gedaan. Alleen mijne meeningen worden als bedenkehjk voorgesteld. I k protesteer in de vijfde plaats tegen de volgende stellingen: dat art. 2 der Statuten, onderwijs op den grondslag der gereformeerde beginselen verlangende, de door mij gevolgde historische methode van behandeling van het Staatsrecht uitsluit, of dat de beschouwing der historie zich in hoofdzaak zou moeten bepalen tot de daden en het leven der Calvinisten; zie b.v. blz. 21, 22, 27, 29 van het Rapport; dat coUeges, de iiitlegging van de bestaande codificatie ten doel hebbende, ooit door iets anders dan door de beginselen van die codificatie kunnen of mogen worden beheerscht; zie b.v. blz. 11/12 van het Rapport; dat de beginselen, waarop ons onderwijs berust, niet zouden moeten worden afgeleid uit de feiten ons door God geopenbaard in Schriftuur en Natuur, en dat dus omgekeerd aan beginselen, niet uit die bronnen geput, Grods openbaring zou mogen worden getoetst; zie b.v. bl. 26/7 van het Rapport („In deze beschouwing — heeft gemaakt"); dat men bij het onderzoek naar den grondslag der wetenschap gezag (in den zin van de conscientie Mndend) zou mogen toekennen aan hetgeen andere menschen geleverd (geleerd?) hebben; zie blz. 3ü van het Rapport. I n de zesde en laatste doch voornaamste plaats protesteer ik er tegen, dat stelselmatig het eigenlijke punt in geschil niet in het licht wordt gesteld. Datgene waartegen ik opkom en ter wüle waarvan ik bereid ben ook mijne tegenwoordige betrekking neer te leggen, is dit: dat mijn onderwijs, hetwelk der waarheid dienen moet en der waarheid alleen, zou mogen worden gebonden door leeringen en uitspraken van menschen, en niet uitsluitend door Gods openbaring in Schriftuur en Natuur. I k ivil geen ander mijne conscientie, en dus ooh mijn onderioijs bindend gezag erkennen, dan de Goddelijke openbaring, en elk onderwijs, dat zich eerhjk en te goeder trouw aan dat gezag houdt berust op gereformeerde beginselen, ook al vervalt het soms in dwaling. Dit heb ik in het oneindige herhaald. De Commissie erkent noch ontkent deze stellingen. Zij beweert niet, dat Calvijn zelf ooit een anderen grondslag voor zijn onderwijs heeft erkend. Maar op meer dan ééne plaats laat zij telkens, zelfs uit aanhalingen, datgene weg, waar het op aankomt. Op blz. 23/4 worden wel is waar mijne woorden juist geciteerd, maar terstond daarna, , ' 4
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 januari 1897
Jaarboeken | 239 Pagina's