Zeventiende Jaarverslag van de Vereeniging voor Hooger Onderwijs op Gereformeerde Grondslag - pagina 37
XXXY
n i e t vrij is op het droge; maar laat daarom aan een visch zijn eigen element en gun aan een landdier het zijne. D a t is n i e t eng en bekrompen, maar zóó alleen wordt de vrijheid geëerbiedigd en gehandhaafd. E n we hebben waarlijk niet te klagen over gebrek aan ruimte van beweging, wanneer we bhjven op den grondslag der Grereformeerde beginselen. Zij overtreffen in uitgebreidheid de ruimte v a n den Oceaan, want zij omvatten het geheele menschenleven, j a geheel de schepping G-ods en meer nog, ook de kennis van Ood zelf, den Oneindige. Zij leeren, dat uit Grod, door Grod en tot Grod alle dingen zijn, dus niet alleen het geestelijke, maar •ook het natuurlijke; niet alleen de theologie, maar ook de rechtswetenschap en ook de wetenschap van den menschehjken ..geest en van de natuur. Maar, 't is wonderhjk, juist deze ruimte, deze uitgebreidheid van terrein wordt haar betwist. "Wilt ge uwe Grereformeerde beginselen beperken tot de theologie, dat laat zich nog hooren, •daar kan men inkomen; maar meent ge in ernst, dat zij ook -op elk ander gebied van het leven en de wetenschap moeten gelden, moeten gelden als beginselen, dan zegt men: Neen, zóó ver niet; gij gaat buiten uw terrein. Zoo verwijt men ons bekrompenheid, en antwoorden wij: neen, wij zijn niet bekromjpen, wij zijn zoo ruim mogehjk, — dan is het antwoord: Ja, m a a r gij behoort bekrompen te zijn, dat past u. E n toch, wij verstaan die redeneering, want wij kennen haren .grond. De Grereformeerde beginselen zijn niet alleen ruim van omvang, maar zij gaan ook diep, tot op den diepsten grond 'der dingen. Wie aan de oppervlakte bhjft kan zich beroepen op het woord van Christus: „Greeft dan den keizer wat des keizers en 'Grode wat Grodes i s " ; om daarmede eene dualistische scheiding te verdedigen tusschen het leven in den Staat en in de K e r k ; hij kan wijzen op het antwoord dat Christus geeft aan den mensch uit de schare die tot Hem zeide: „Meester, zeg mijnen broeder, dat hij met mij de erfenis deele", en tot antwoord •ontving: „Mensch, wie heeft mij tot eenen rechter of scheidsm a n over ulieden gesteld?" om daarmede te bewijzen, dat de dienst van Christus niets te maken heeft met de zaken van het tijdehjke leven; hij kan ons vragen, of Jezus dan niet vermanend zegt tot Martha, die het zach druk maakte in de dingen dezer wereld: „Martha, Martha, gij bekommert en ontrust u over vele dingen; maar één ding is noodig"; om met dit woord goed te praten de meening, dat het eigenhjk verkeerd i s zich in te laten met de dingen van het dagehjksche leven. -T/Tl waar zou ik eindigen, wilde ik opsommen, wat men al zou
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 januari 1897
Jaarboeken | 239 Pagina's