Zeventiende Jaarverslag van de Vereeniging voor Hooger Onderwijs op Gereformeerde Grondslag - pagina 39
xxxvn •Juist iategendeel. L a a t ons tocli niet liet geestelijke door het natuurlijke verzwakken, maar door het zienlijke opklimmen tot het onzienlijke, uit het tijdelijke doordringen tot het eeuwige. Konden wij, zooals wij een stoffelijk organisme, 'tzij dier of plant, buiten ons op een afstand beschouwen en overzien en daardoor eenen indruk verkrijgen van de eenheid en samenh a n g in de veelheid, zoo ook het menschehjke geslacht, en de geestehjke wereld, ia 't midden waarvan wij nu leven, beschouwen op een afstand, overzien in het licht der eeuwigheid, dan zouden wij eenen samenhang en een verband ia breedte en diepte bewonderen, waarvan het prachtigste organisme op de aarde nog slechts eene zwakke schaduw vertoont. Dat verband, dien samenhang te onderzoeken en na te speuren, dat eischt de Schrift; daardoor ingeleid te worden in de diepten van Grods raad en wezen is eene zaligheid, die den Apostel de woorden op de hppen brengt: „O diepte des rijkdoms, beide der wijsheid en der kennisse Grods!" E n wel zuUen wij die diepte nimmer kunnen peilen; „hoe ondoorzoekelijk zijn Zijne oordeelen en onnaspeurhjk Zijne wegen!" roept de Apostel uit en de Prediker „zag al het werk Grods dat de mensch niet kan uitvinden, het werk, dat onder de zon geschiedt, om hetwelk een mensch arbeidt om te zoeken, maar hij zal het niet uitvinden." Maar d a t is geene teleurstelling; het is veeleer de oorzaak onzer zaligheid ; wij zijn en bhjven tot ia aUe eeuwigheid afhankelijke en beperkte schepselen; dat is ons wezen, daar kunnen en daar mogen wij niet buiten gaan; wat de duivel ons voorspiegelde in het paradijs: gij zult als Grod zijn, blijft eeuwig eene leugen van onzen eersten vijand. Maar als schepselen onzen Schepper te kennen als onzen Vader; eeuwiglijk te drinken uit die fontein van al wat goed is; zonder einde Zijne wegen en werken. Zijn raad en wezen te kennen, te loven en te verheerlijken; d a t is eene zahgheid, die Gf-ods Wijsheid alleen kon uitdenken voor de menschenkinderen met wie hare vermakingen waren vóór het begia der wereld. E n wat zijn nu onze Grereformeerde beginselen? Grod heeft geschapen den hemel en de aarde, en in dien hemel Zijne engelen en op die aarde Zijne menschen, en voor die menschen heeft Hij die aarde toebereid en versierd en verlevendigd met plant en dier, waarover de mensch zou heerschen; en dien mensch heeft Hij gewild als een menschehjk geslacht uit éénen bloede gesproten, en dien mensch heeft Hij geschapen naar Zijn beeld en gelijkenis, in ware kennis, gerechtigheid en heüigheid. Door dien kennenden geest stelde BQj den mensch in betrekking tot Zich^elven en tot geheel Zijne schepping. De mensch zou Grod kennen en de schepping Grods: den
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 januari 1897
Jaarboeken | 239 Pagina's