Zeventiende Jaarverslag van de Vereeniging voor Hooger Onderwijs op Gereformeerde Grondslag - pagina 38
XXXVI
kunnen aanvoeren, om een standpunt te verdedigen, dat, koegoed en vroom de bedoeling ook moge zijn van ken, die aldus redeneeren, in den grond took keidensck is! De oude Grrieken en Romeinen namelijk bezaten boeken met oude orakelspreuken of zoogenoemde godsspraken. Deze gebruikten zij zóó, dat, wanneer zij bij eenige gelegenheid raad zochten of licht in de toekomst, deze boeken op goed geluk werden opgeslagen en eene spreuk, die op het opengeslagen blad voorkwam, werd uitgelegd en toegepast op het geval, waarover men raad of" licht zocht, zonder dat naar samenhang of gedaehtengang verder werd gevraagd. D a t een dergelijk vragen naar den wil der goden in het verduisterde en van God vervreemde bijgeloovige hart opkwam, laat zich verstaan; maar dat het ook door de Christenen uit de Heidenen werd toegepast op de Schrift, zoodat zij als een orakelboek werd geraadpleegd, is één van de vele inkiuipsels uit het heidendom in Christus' kerk, die haar van den rechten weg hebben afgebracht, onnoemehjk veel kwaad hebben gesticht en den Naam des Heeren oneerhebben aangedaan. Tegen een dergehjk gebruik nu van de Schrift verzet zij zelve zich met alle kracht; zij wil niet maar opgeslagen, zij wil ondergocht worden. Zij wijst van de oppervlakte naar de diepte van den souvereinen raad Cods vóór alle eeuwen; zij sluit van dien raad niets uit, geen haar op ons hoofd, geen. muschje dat ter aarde valt, geen kwaad dat er in de stad geschiedt. Maar zij stelt niet alles op ééne Hjn. De dingen en de gebeurtenissen in het geestelijke leven, en evenmin in het natuurhjke, staan niet los naast elkander, maar in onderling verband, en dat onderliag verband is weer een gevolg van een verband, dat daaronder ligt, en dat verband wijst weer heen naar een nog dieper liggenden grond. Het is de Schrift zelf, die niet slechts op ééne plaats, maar telkens bij vernieuwing ons wijst op den boom met zijne wortels in de diepte en zijne vruchten in de hoogte, als het beeld van h e t natuurhjke zoowel als van het geestehjke leven; zij spreekt van beginselen der dingen, van oorzaken der gebeurtenissen, van zaad in allerlei zin, van soorten'en geslachten, kortom, van een verband,, waarvan het organische leven in de natuur het aanschouwehjke beeld is. Beeld, zeg ik. W a n t het staat niet zóó, dat we in de dieren- en plantenwereld dat wondervoUe samenstel van deelen. en geheel, van eenheid in de veelheid, van veelheid iu de eenheid, van één levensprincipe, naar vaste wet zich ontplooiende ia eene veelheid van vormen, in werkehjkheid zouden hebben,, en dat in de maatschappij, in de kerk, in de wetenschap een. organisch leven slechts als beeldspraak genoemd kan worden^
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 januari 1897
Jaarboeken | 239 Pagina's