Zeventiende Jaarverslag van de Vereeniging voor Hooger Onderwijs op Gereformeerde Grondslag - pagina 62
LX
het Bestuur er nog niet mede gereed is, zou spreker het oordeel, in de motie der Enquête-commissie neergelegd, nog niet kunnen onderschrijven. Het geldt hier een oordeel over een ernstig man als de heer Lohman; men zij dus uiterst behoedzaam, en ga met de door spreker voorgestelde motie mee, die geen oordeel velt, maar erkent dat de vergadering ia dit stadium van de zaak nog niet tot oordeelen bevoegd is. Thans vraagt Dr. C. G. Schot Gzn. het woord, die betoogt, dat het Rapport der Enquête-commissie geen zeker geluid geeft, en niet aantoont, dat het onderwijs van Prof. Lohman niet accordeeren zou met den eisch van art. 2 der Statuten. Onderscheiden uitspraken uit het Rapport citeert spreker, die, naar hij meent, bewijzen, dat de uitspraken der Commissie zelve niet altijd aan den strengen eisch der begiaselen voldoen. Spreker wijst op het onderscheid tusschen oorpronkelijke en afgeleide beginselen, en wenscht, waar het fundamenteele waarheden betreft, alleen te rekenen met Grods "Woord. De overtuiging van anderen toch kan alleen na een subjectieve toetsing aan Grods Woord voor ons zelf een overtuiging worden. Het komt spreker vi'eemd voor, dat de Commissie, blijkens haar Rapport, het werk des Heiligen Greestes in de Kerk gelijkstelt met de leiding des Heihgen Greestes, in de geschriften en daden der Calvinisten te aanschouwen; een gelijkstelling, die hij niet gaarne voor zijn verantwoording nemen zou. Immers door dat te doen, gaan wij den weg van Rome op. De Oommissie heeft in haar Rapport een verklaring gegeven van de beteekenis van art. 2 der Statuten; maar mag die verklaring nu de eenig juiste worden genoemd? Spreker zou die vraag niet bevestigend willen beantwoorden. Dit is echter zeker: op geen enkel punt heeft de Oommissie kunnen aanwijzen, dat het onderwijs van den heer Lohman afwijkt van de Grereformeerde beginselen; al wat zij hem ten laste legt is, dat hij niet systematisch te werk wil gaan. Van een diepgaand verschil met den Lohman ziet spreker dan ook niets. Hoe Prof. Lohman over de quaestie dacht, is nimmer onduidelijk geweest. Ten bewijze daarvan leest hij een schrijven voor van Prof. Lohman, in 1879 aan het Bestuur der Vereeniging gericht, over de beteekenis van art. 2 in verband met art. 8 der Statuten. Altijd heeft Prof. Lohman zich zonder eenige onduideKjkheid uitgesproken over wat hij van den inhoud van dat artikel dacht, en steeds gevoelde hij zich gebonden aan de Formulieren van Eenigheid. W a t de heer Lohman niet wil, en wat spreker ook niet wenscht, is de conscientie der Hoogleeraren aan banden leggen; niet aan Gods Woord en de Confessie, maar aan de uitspraken van menschen.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 januari 1897
Jaarboeken | 239 Pagina's