Zeventiende Jaarverslag van de Vereeniging voor Hooger Onderwijs op Gereformeerde Grondslag - pagina 49
xLvn Tiaren brief aan mij van 13 Januari (zie Rapport bL 53 onderaan) ; deze anoniem iagebrachte beschuldiging heb ik genoemd •eene pertinente onwaarheid. De Commissie, die zoowel Dr. Kuyper als alle andere aanwezigen voor zich citeeren mocht, had <üt punt tot klaarheid kunnen en behooren te brengen. Zij heeft dit echter niet gedaan. I k moet hier bijvoegen, dat één lid der Oommissie steeds "tegenover mij eene gansch andere en rechtvaardiger houding h.eeft aangenomen. Daar echter het Rapport niet, zooals het behoorde, door alle leden is onderteekend, en de Oommissie, als ware zij een Bestuur, het Rapport heeft doen onderteekenen door een, niet eens door U aangewezen moderamen, zoo zal ook ik in dit Protest van de Oommissie in haar geheel spreken, zonder het oog te hebben op hare individueele leden. I k protesteer in de tweede plaats tegen eenige beslist onjuiste voorstellingen van mijne beweringen. Op blz. 25 staat, dat ik het als een verzaken van Grods "Woord als hoogste autoriteit zou achten, nauwkeurig te onderzoeken weïke beginselen in den loop der historie juist in de gereformeerde of Oalvinistische kringen zijn tot uitiag gekomen; of dat ik mij aan dat onderzoek zou willen onttrekken, of dat ik weiger te erkennen, dat die gereformeerde beginselen in hun systematischen samenhang moeten worden nagespeurd «n geformuleerd. Dit alles is in vierkanten strijd met de feiten; o. a. met wat voorkomt op bl. 57/8 van het Rapport zelf. I k ontken even beslist, dat door mij ooit zou zijn uitgegaan „van de hypothese, dat wij te doen hebben met een menschelijk recht, werkehjk in gehoorzaamheid aan G-od de toepassing van het recht Q-ods behelzende"; en vraag mij af, hoe zulk «en zotte bewering mij kan worden toegedicht, waar zoo duidelijk het tegendeel staat o. a. op bl. 53 van „mijn antwoord" ? Op bladz. 38 geeft de Oommissie in de 3'' en 4'' periode („de leerstoel — op het bestaande recht") eene beschrijving van mijn onderwijs, die ik moeüijk anders kan qualificeeren, dan als eene beleedigende caricatuur daarvan. Q-aame neem ik aan, dat deze en soortgehjke voorstellingen aan onkunde en vooringenomenheid, en niet aan kwade trouw moeten worden geweten; een onderzoek naar mijn onderwijs 2;elf evenwel zou het neerschrijven van diergelijke grievende beschuldigingen hebben kunnen voorkomen. I k protesteer in de derde plaats tegen de grove onrechtvaar• digheid jegens mij persoonlijk gepleegd. Hoe ik vóór mijne benoeming dacht is in onze kringen
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 januari 1897
Jaarboeken | 239 Pagina's