Negentiende Jaarverslag van de Vereeniging voor Hooger Onderwijs op Gereformeerde Grondslag - pagina 62
LX
besteed wordt voor Universiteiten, die uitsluitend de actie in ons Volksbestaan uit het anti-Calvinistisch beginsel sterken; besteed op zoo ruime wijze, dat reeds daarom alle concurrentie schier onmogelijk wordt. Op deze gronden beweer ik, dat de grief der Calvinisten op het gebied van Hooger Onderwijs rechtvaardig is. Ten slotte zij mij hier nog een laatst citaat veroorloofd, ontleend aan de Tien jiren uit den tachtigjarig en oorlog 1]. Er wordt daar verhaald hoe Jeannin aan het Fransche hof bericht, „dat de Staten de hoop koesteren van met het thans levende geslacht het oude geloof te zien uitsterven." En van deze verwachting der Staten om Nederland tot „een uitsluitend Protestantschen Staat" te hervormen, zegt de hoogleeraar Pruin eenige regels verder dit: „De middelen daartoe aangewend, waren doeltreffend." Tot deze middelen behoorde onder meer dat men „door het verbieden van Katholiek onderwijs de kerkleer in vergetelheid bracht." „De opleiding van het aankomende geslacht viel in Protestantsche handen. De bevoegdheid tot staatsambten werd verbonden aan het belijden vau het Protestantsche geloof." De toekomstige geschiedschrijver van den meer dan tachtigjarigen oorlog ten onzent tegen het revolutionaire beginsel gevoerd, kan dezen passus met verandering van de woorden jjroiestowtec/ï in Zièeraa? en Katholiek in Calvinistisch bijna onveranderd overnemen, en dan berichten hoe „de liberalen de hoop gekoesterd hebben van met het thans levende geslacht het oude geloof te zien uitsterven." „De middelen daartoe aangewend"," kan dan ook hij schryven, „waren doeltreffend." Zeker, aan de middelen lag het niet, noch in de 16e noch in de 19e eeuw. En toch is noch in de 16e, noch in de 19e eeuw gelukt wat men er meê bedoelde. Het Calvinistisch beginsel bleek, ook in onze eeuw, te vaste wortelen in ons Volksbestaan te hebben geschoten, om zelfs door deze „doeltreffende middelen" te worden uitgeroeid. Middelen, die echter met den geest onzer thans vigeerende wetten, welke aan Roomschen, Calvinisten en revolutionairen gelijk recht op vrije uiting in spreken en handelen overeenkomstig hun beginsel waarborgen — moeilijk te rijmen zijn, en ook daarom, wanneer zij thans nog worden toegepast, tot een rechtmatige grief aanleiding geven. De Calvinisten moeten echter de actie uit hun beginsel in ons Volksbestaan volhouden. Afgezien van alle eudaemonistische verwachtingen voor dat Volksbestaan moeten zij dat; want het is hun, zoo luidt mijn vierde stelling, een onvoorwaardelijk gebod. Wat heel de Calvinistische actie in Raden en Staten; op sociaal en religieus gebied; door middel van de Calvinistische Pers, de ver1) a. w. p, 251.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van zondag 1 januari 1899
Jaarboeken | 215 Pagina's