Negentiende Jaarverslag van de Vereeniging voor Hooger Onderwijs op Gereformeerde Grondslag - pagina 52
L
beginsel toch versta ik dat materieele denkbeginsel, dat zich als politiek beginsel openbaarde in de groote Pransche revolutie, het y,als God en niet onder God." Ik volg daarbij Groen van Prinsterer, die deze revolutie teekent als: ^een systeem voor godsdienst, recht, zedelijkheid, alomvattend; omkeering van begrippen (door loslating van de geopenbaarde waarheid) in kerk en staat en samenleving." En volgens wien het liberalisme „in den historisch-wetenschappeIjjken zin, is dit stelsel der Revolutie, ten uitvoer gelegd of naar de omstandigheden getemperd." En nu mijn tweede stelling. Daar is tweeërlei recht. Een boog, ideëel, maar daarom niet minder reëel recht, naar onze overtuiging in den Drieëenigen God zelf, als bron van alle recht, gegrond en daarom goddelijk recht; en een lager recht dat in het menschelijk bewustzijn afspiegeling is van dat hoogere en, sedert de zonde inkwam, niet dan onheldere afspiegeling — het menschelijk recht. Juist om de zonde kan dan ook vaak dit menschelijke met het goddelijke recht in botsing komen; kan naar den maatstaf van het eerste rechtvaardig zijn, wat naar dien van het tweede schromelijk onrecht is. De oudheid heeft dit reeds ingezien; Grieksche treurspeldichters ontleenden hieraan hun klassieke tooneelen; in de bekende spreuk „Het hoogste recht vaak het hoogste onrecht" leeft dit nog in aller bewustzijn. — Doch niet-altijd behoeft deze botsing te bestaan; „de gemeene gratie" bewaarde ook voor een algeheel misverstaan van het goddelijke recht. Spreek ik nu in het eerste deel dezer stelling van een gelijk recht der drie denkbeginselen — het Roomsche, het Calvinistische, het Revolutionaire — op vrije uiting in woord en daad, dan denk ik daarbij aan het menschelijk recht, aan het positieve recht zooals zich dat in onze landswetten, en met name in onze, in 1887 laatst gewijzigde, grondwet heeft vastgezet. — Immers om slechts iets te noemen, spreekt uit onze wettelijke bepalingen omtrent degelijkheid van alle burgers voor de wet; hun gelijke aanspraak op bescherming van personen en goederen; de vrijheid van vereeniging, van drukpers, onderwijs en godsdienst — genoegzaam het gelijke recht van alle burgers en dus ook van Roomschen, Calvinisten en revolutionairen, op spreken en handelen, behoudens natuurlijk zulke uitingen waardoor de individu zich vijandig keert tegen de gemeenschap, staatsgevaarlijk wordt en het publiek recht als strafrecht tegen zich ziet gekeerd. In goeden zin, dat is, voor ons Calvinisten, zonder in de dwaling der evolutie-theorie te verloopen, kan men bij het menschelijk recht spreken van „een ontwikkeling van recht." — Zeker toch is ontwikkeling een organisch begrip, aan het groeiende leven waarin een levensbeginsel werkt, ontleend, doch, mits men ook daarin het bewuste, naar een vast bestek besloten werken Gods blijft zien, zal
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van zondag 1 januari 1899
Jaarboeken | 215 Pagina's