Negentiende Jaarverslag van de Vereeniging voor Hooger Onderwijs op Gereformeerde Grondslag - pagina 64
LXII
actie op oefenen; maar waarbij het afgezien xaa alles luidt: ^ij moet. Een gebod, dat vrij van God hebhen, dat ons niet loslaat, ons voortdrijft, ons bezielt bij onze worsteling voor de glorie van den levenden God, voor de gehoorzaamheid aan zijn Woord, voor de erkenning zijner souvereiniteit, ook in ons Yolksbestaan. Of wij bjj deze worsteling zullen overwinnen? Wij weten het niet, maar wij vragen het ook niet. Onder Calvinisten heet dat: „blind in de uitkomst, maar ziende in het gebod." Of ons Volksbestaan voor een terugkeer tot God nog tijd zal worden gelaten Y De onsterfelijkheid schijnt ook het deel der volkeren niet te zijn. I» het onze is zijn laatste levensperiode? Wij weten het niet, maar voor onze worsteling doet het er ook niet toe het te weten, want wat drijft tot actie is Gods gebod. Gods gebod, en waarlijk niet onheilige strijdlust. Daar komt bij Homerus een regel 1) voor waaraan, naar wij uit een toevallig bewaard gebleven fragment weten, de wijsgeer Heraklitus, dezelfde die als een Darwinist vóór Darwin, „den strijd den vader aller dingen noemde", zich doodelijk placht te ergeren, omdat in dien regel de wensch wordt uitgesproken, dat de strijd onder de menschen mag vernietigd worden. Wij Calvinisten nu kunnen niet anders dan den dichter tegenover den denker in bescherming nemen. Althans tot op zekere hoogte. Immers een menschheid zonder strijd is ook ons een der idealen waarnaar het hart uitgaat. Dan, wij weten ook, dat sedert de zonde inkwam, de verwezenlijking van dat ideaal nog toeft tot de wederverschijning van den Christus op aarde, en daarom zeggen ook wij met St. Aldegonde: Repos ailleurs! En al ligt voor ons „in den strijd om het bestaan", gelijk voor den evolutionist, der dingen oorsprong niet, toch kennen wij een strijd dien ieder volger van den Christus strijden moet; een strijd die wortelt in een haat welke uit de l\eilige liefde voorkomt; een vijandschap waarvan de Schrift op een harer eerste bladzijden spreekt als van éene, die God zelf heeft gezet. Maar zoo verstaat gij dan ook, dat waar noch eudaemonistische verwachtingen, noch onheilige strijdlust, maar slechts plichtsbesef de drijfkracht der Calvinistische actie is, de Calvinisten, wetend hoe noodig het universitaire leven tot sterking en veredeling dier actie is, — toen het handelend optreden in het universitaire leven hun bijna onmogelijk was gemaakt, -— op een nieuwe Universiteitsstichting bedacht moesten zijn. Over deze Universiteitsstichting gaat mijn vijfde stelling. Dat wij Calvinisten én volgens de Grondwet van 184-S én volgens de Wet op het Hooger Onderwijs van 1876 tot zulk een stichtingrecht hadden, en dat de Yereeniging voor Hooger Onderwijs op Gereformeerden grondslag, goedgekeurd bij Koninklijk besluit van 12 Februari 1897, een erkende Vereeniging in den zin der Wet is, deze 1) Ilias B XVIII. 107.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van zondag 1 januari 1899
Jaarboeken | 215 Pagina's