Negentiende Jaarverslag van de Vereeniging voor Hooger Onderwijs op Gereformeerde Grondslag - pagina 67
tXf óürecht stuit en het rechtsbesef levendig houdt; die ook in hen het fanatisme van de passie stuit en doet begrijpen wat het eigenbelang eischt. En dat eigenbelang, ook van den liberaal, eischt, dat in de rijen zijner tegenstanders de mannen van akademische opvoeding niet geheel worden gemist. Immers het is zoo volkomen juist, wat de hoogleeraar Spruyt schreef: , Ware verdraagzaamheid, waardeering van het goede in richtingen, die men zelf niet kan volgen, is een kenmerk, dat in een wetenschappelijk man zelden ontbreken zal" 1). Ik koester zulk een verwachting van mijn medeburgers, die voorstanders van het revolutionaire beginsel zijn, indien het althans over eenige jaren nog aan hen staat om rechten te onthouden of te verleenen. Het zou toch wel eens kunnen gebeuren, dat de macht, waarover zij thans in ons Volksbestaan beschikken, hun ontviel; dat de heerschappij van het revolutiebeginsel ten onzent, in de nieuwe periode, die ons Volksbestaan straks intreedt, een einde nam. En zoo heb ik dan mijn stellingen over de Vrije Universiteit en ons Volksbestaan genoegzaam toegelicht. Het zij mij vergund er nog aan toe te voegen, dat de tijdsomstandigheden mij aanleiding gaven om juist dit onderwerp te bespreken. Het zoo belangrijke feit der aanstaande kroning onzer geëerbiedigde, wijl van God met dé souvereiniteit bekleede, — onzer geliefde, wijl met onze nationaliteit en volkshistorie zoo innig verbondene, koningin Wilhelmina, voor wier bezit en behoud wij God op den 31 en Augustus zullen danken en bidden, al meende ook Haar regeering het JSTederlandsche volk tot zulk een biddag niet te moeten oproepen, — dat belangrijke feit stemt tot nadenken. Retrospectieve beschouwingen nemen bij het naderen der kroningsfeesten toe, zij vormen zelfs een belangrijk deel ^fan het nieuws van den dag, welnu, ook wij wilden op onzen Calvinistendag niet achterblijven, en ook dit werkte mee om de Vrije Universiteit bepaald in relatie tot ons Volksbestaan te bezien. Ik heb gezegd. Van de gelegenheid tot debat, alsnu gegeven, werd gebruik gemaakt door Mr. Heemskerk, die intusschen geen principieele gedachtenwisseling zou voeren. Hij wilde slechts een woord van oppositie doen hoeren tegen stelling VI; wijl daarin een verwachting wordt uitgesproken die hem te optimistisch dunkt. Zou de stelling niet juister zijn, indien er stond, in plaats van nog, niet; zoodat de laatste zinsnede dan aldus moest gelezen: Van de voorstanders van het revolutionaire beginsel mag worden verwacht, dat zij, indien eens het bezwaar der onvolkomenheid van de Vrije Universiteit genoegzaam zal zjjn weggevallen, zoowel uit rechtsbesef als welbegrepen eigenbelang, deze Universiteit, indien het alsdan niet (voor nog) aan hefl staat, de haar toekomende rechten niet zullen onthouden? X) Se aaniprakèH der ,,Vrije" ümversiteiten. p. 31.
5
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van zondag 1 januari 1899
Jaarboeken | 215 Pagina's