Geheugen van de VU cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Geheugen van de VU te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Geheugen van de VU.

Negentiende Jaarverslag van de Vereeniging voor Hooger Onderwijs op Gereformeerde Grondslag - pagina 61

2 minuten leestijd

LIS

dier stichting noemt „een kweekschool van evangelische godgeleerdheid" te bezitten. En wat beginsel eindelijk den Utrechtschen Magistraat dreef toen hij, in 1636, zijn illustre school tot akademie verhief, onder het veelzeggend devies „Zon der gerechtigheid bestraal ons", blijkt wel uit de omstandigheid, dat hij aan niemand anders dan Voetius opdroeg de openingsrede te houden. Bij al deze Universiteitsstichtingen door de Calvinisten was, zegt Groen van Prinsterer, „het beoefenen der godgeleerdheid, het vormen" van bekwame en godvruchtige Evangeliedienaars en tevens van Christelijke burgers in de meest gewichtige betrekkingen der maatschappij hoofddoel." En dat nu de voorstanders van het revolutionaire beginsel deze oorspronkelijk Calvinistische Universiteiten metterdaad in scholen voor Hooger Onderwijs geheel en uitsluitend op dfen grondslag der revolutionaire beginselen hebben omgezet, weet ieder die met onze akademische toestanden bekend is. Reeds in 1884 schreef dan ook de hoogleeraar Spruyt: „Het hooger onderwijs is niet neutraal, het kweekt overtuigingen, maar uitsluitend op redelijke gronden" 1). Dat redelijk hier meer dan enkel formeel logisch beteekent, is duidelijk. „Uitsluitend op redelijke gronden" spreekt dan ook onverholen, uit, dat het materieele denkbeginsel hier aan de menschelijke rede,, voorgelicht door de wijsbegeerte, is ontleend. De wijsbegeerte, die nobele aandrift van het menschenhart, geboren, zooals Plato en Aristoteles zeggen, uit de verwondering, doch sedert de dagen van Descartes naast en later tegen de Openbaring gesteld, neemt bij het Hooger Onderwijs der landsuniversiteiten, thans de plaats dier Openbaring in. Het materieele denkbeginsel daar als grondslag, zoo van de geestelijke als de natuurkundige wetenschappen, aangenomen, is thans het evolutie-dogma. Het is dan ook opmerkelijk, hoe bijkans ieder hoogleeraar, als de gelegenheid zich maar even voordoet, zich beijvert, van zijn rechtzinnigheid op dit fundamenteele geloofspunt te doen blyken. En of nu al hier en daar onder de akademische docenten, een belijder van den Christus, ja zelfs een Calvinistisch belijder wordt aangetroffen, dit verandert, bij een zoo groote meerderh'eid wier denken door een geheel ander beginsel wordt beheerscht, aan den grondslag van het onderwijs in zijn geheel, niet van beteekenis. En bij dit alles hebben dan de voorstanders van het revolutionaire beginsel voor hun Hooger Onderwijs de hulp van de Staatsmacht, en het Staatsgeld. Van de Staatsmacht, die alleen aan de door hen gegradueerden den toegang verleent tot Staatsambten en betrekkingen. Van het Staatsgeld, dat toch ook door Calvinisten opgebracht^ 1) De Aanspraken der y,Vrije" VniversUeiten. p. 31.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zondag 1 januari 1899

Jaarboeken | 215 Pagina's

Negentiende Jaarverslag van de Vereeniging voor Hooger Onderwijs op Gereformeerde Grondslag - pagina 61

Bekijk de hele uitgave van zondag 1 januari 1899

Jaarboeken | 215 Pagina's