Negentiende Jaarverslag van de Vereeniging voor Hooger Onderwijs op Gereformeerde Grondslag - pagina 66
LXIV
zou blijven. Van die bevoorrechting met Staatsmacht en Staatsgeld, heb ik reeds in de toelichting op mijn derde stelling gesproken. Hier wijs ik er dan ook alleen op, dat juist het onthouden van het tveUeïijke ius promovendi, dat toegang geeft tot Staatsambten en -betrekkingen, wat Voetius placht te noemen het ius promovendi „cum eifectu civili," — al bezit onze Universiteit ook het wetenschappelijke ius promovendi, — oorzaak is, dat de studenten der Vrije Universiteit, indien zij dergelijke Staatsambten en -betrekkingen begeeren, voor de niet geringe moeilijkheid van een dubbele examinatie komen te staan; iets wat welen afschrikt. Ea hieraan sluit zich nu mijn laatste stelling. De Vrije Universiteit is nog een onvolkomen Universiteit^ die juist daardoor aan haar roeping, om de actie uit het Calvinistisch beginsel in ons Volksbestaan te sterken en te veredelen, slechts ten deele kan voldoen. 'Na staat voor ieder Calvinist vast, dat die actie moet volgehouden, en tevens dat een ontwikkeld universitair leven naar zijn beginsel daartoe noodig is. Maar daaruit volgt dan ook, dat het voor ieder Calvinist plicht is de ontwikkeling der Vrije Universiteit te helpen bevorderen. Plicht van ieder Calvinist, zoowel voor die tot de Hervormde kerk als voor hem die tot de Gereformeerde kerk in ons vaderland behoort. Zoowel voor hem, die door positie tot de kleine en gezeten bui'gerij, als tot de aanzienlijken behoort. Ook de Calvinisten onzer onze aristocratie, ook de mannen met twee en drie namen moeten hun zonen naar de Vrije Universiteit zenden. De ontwikkeling der Vrije Universiteit eischt de inspanning, het gebed en de gaven van wat leeft uit het Calvinistische beginsel. Aan hare toekomst gelooyen wij. Reeds in 1880 schreef Dr. Kuyper „dat onze Stichting, indien zij binnen een tijdsverloop b.v. van vijftig jaren, niet bleek tot ontwikkeling van meerdere organen te kunnen geraken, wel terdege haar pretentie van een opkomende Universiteit te zijn, zou moeten laten varen 1). Niettegenstaande al de stormen die over haar kwamen, is echter haar levensvatbaarheid gebleken. Feitelijk is haar onvolkomenheid nog een bezwaar om haar al de rechten, die een Universiteit toekomen, te schenken. Ik schroom niet dit uit te spreken. Doch mocht het ons Calvinisten gelukken, gelukken met uiterste krachtsinspanning en dus onder Gods zegen, om dit bezwaar der onvolkomenheid genoegzaam te doen wegvallen — genoegzaam, want tot de volkomenheid eener Universiteit behoort b.v. niet, dat alle onderdeden van de wetenschap door een afzonderlijken katheder vertegenwoordigd zijn — dan verwacht ik, dat de voorstanders van het revolutionaire beginsel aan de Vrije Universiteit, de haar toekomende rechten niet zullen onthouden. Ik koester die verwachting op grond van mijn geloof aan de „gemeene gratie", die werkt ook in de voorstanders van het revolutionaire beginsel; die ook in hen het 1) strikt genomen, p. .32.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van zondag 1 januari 1899
Jaarboeken | 215 Pagina's