Een-en-twintigste Jaarverslag van de Vereeniging voor Hooger Onderwijs op Gereformeerde Grondslag - pagina 41
XLI
Van de twee plaatsvervangers van leden der commissie tot onderzoek van de rekening over 1900. Tot leden der commissie werden gekozen de heeren T. van Eeghen, D. Schut en / . M. van der Horst; tot plaatsvervangers de heeren Th. Ruys Gzn. en H. Seret. Hierna ontving Prof. Dr. J. Woltjer het woord ter inleiding van de bespreking van punt 7, luidende :
DE TOEKOMST DER LITTERARISCHE FACULTEIT. Het onderwerp dat ik op verzoek van HH. Directeuren voor deze vergadering met een kort woord wil inleiden, luidt op het agendum : »De toekomst der Litterarische Faculteit." Dat klinkt kort en krachtig. Had ik het zelf moeten formuleeren, ik zou het waarschijnlijk niet zdd hebban durven doen. Maar de bedoeling is voor een goed verstaander — €n op die mogen wij immers rekenen ?—duidelijk. Er wordt niet bedoeld de litterarische of philologische faculteit in het algemeen, maar bepaaldelijk die aan onze Vrije Universiteit Voorts wordt van mij niet verlangd als een ziener de toekomst dezer faculteit te ontsluieren, maar, naar ik mij voorstel, is dit de bedoeling: hoe moet, overeenkomstig het •organisme der Vrije Universiteit, de ontwiMeKng dezer faculteit gedacht worden en welke maatregelen kunnen wij nemen om die ontwikkeling te bevorderen en gevaren, die haar dreigen, af te weren. In dien zin wil ik mijne gedachten hier uitspreken. Ik vertrouw, dat het ons aaa stof tot samenspreking niet ontbreken zal. Wat de menschen in het gebergte van Judea vroegen toen het kindeken Johannes geboren was : sW^at zal toch dit kindeken wezen ?" is eene vraag die op veler lippen kwam. toen de Vrije Universiteit de wereld intrad. Ze was nog nauwelijks eenige maanden oud, toen tot mij de uitnoodiging kwam om mede mij te wijden aan hare verzorging. Een Curator der Rijksuniversiteit te Groningen sprak op meewarigen toon tot mij, toen hij vernam dat ik van plan was aan de benoeming gevolg te geven : »Gij doet dwaas, ge werpt eene schoone toekomst weg om u te wijden aan een ding, dat geen toekomst heeft, dat op zijn best een twintigtal jaren duren kan." Zulke voorspellingen werden er toen gedaan door vijanden, en ook onder de vrienden was er vreeze naast de hoop. Thans is d e ^ Curator reeds jarenlang in het graf en zijne hoop is niet vervuld geworden. Onder alle moeilijkheden door kunnen wij met den Apostel zeggen: »Hu]p van God verkregen hebbende, staan wij tot op dezen dag." 't Gaat ons echter evenals den ouders, die hunne kinderen door de gevaren van den kinderleeftijd hebben zien komen en nu staan voor •de vraag: Wat moet de jongen worden? Dan juist vraagt men naar de toekomst, omdat er maatregelen genomen, plannen uitgewerkt, gelegenheden opgespoord dienen te worden, welke de toekomst moeten voorbereiden. Geen verstandige ouders, die niet alzoo handelen, en ook de Heilige Schrift, wel verre van deze zorg voor de toekomst af te keuren, wekt er juist toe op, spoort er toe aan.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van dinsdag 1 januari 1901
Jaarboeken | 219 Pagina's