Een-en-twintigste Jaarverslag van de Vereeniging voor Hooger Onderwijs op Gereformeerde Grondslag - pagina 38
XXXVIII
Dat daarorn de modernen er op uit waren, den inhoud van hun rededenken te verrijken, is te verstaan, en doen ook wij Gereformeerden evenzoo. Alleen met dit verschil, dat wij dien inhoud niet ontleenen aan de hypothesen van sommige natuurkundigen, maar aan de Schrift. En dat daarom bovenal, omdat wij ons in het diepst onzer ziel aan die Schrift, als aan het Woord van onzen God, als aan Zijn openbaring^ gebonden achten. Hoe die band is ontstaan, heb ik hier niet uiteen te zetten. Met onze belijdenis beroepen wij ons hier op het getuigenis van den Heiligen Geest in ons hart. Uit die Schrift weten wij vaneen val in zonden, waardoor ook onze rede, het licht der natuur, wel niet is uitgebluscht, maar toch verduisterd; zoo verduisterd, dat zij, die toch in alle menschen dezelfde is, wat haar inhoud betreft, maar enkele waarheden aan alle menschen op gelijke wijze doet verstaan. Maar uit die Schrift weten wij ook van een genade die opheft en herstelt; herstelt ook door wat verduisterd is weer te verlichten. »Want bij U is de fontein des levens en in Uw licht zien wij het licht." (Psalm 36 : 40.) Te verlichten, door uit dat Woord in onze rede in te dragen wat God in dat Woord omtrent zich zelf en het wezen der wereld en Zijn verhouding tot haar heeft geopenbaard. En juist dat zijn dan voor ons uitgangspunten van ons denken, niet te bewijzen grondstellingen, rede-beginselen, die ons verstandelijk denken èn op het gebied der religie èn op dat der wetenschap beheerschen. En nu het verschil hier tusschen ons en andere belijders van den Christus. Dat tusschen ons en sommigen onder de verkleurde confessioneelen van velerlei schakeering loopt hierover, dat zij naar hun zeggen den grondslag voor hun verstandelijk denken vinden in de Schrift en wij in de Gereformeerde beginselen. Dit hun zeggen nu komt mij voor niet anders te berusten dan op zelfmisleiding. Immers ook zij moeten wel toegeven, dat ten slotte de Schrift, zooals zij die verstaan, hun verstandelijk denken beheerscht. De toetssteen voor de »rechte meening", voor de orthodoxie is dan ook niet de Schrift, maar de Confessie, de historisch geworden Belijdenis. Welnu, wij Gereformeerden, die alleen wat met ODze Confessie overeenkomt voor orthodox kunnen houden, verstaan die Schrift niet anders dan zooals onze Belijdenis haar verstaat. Hiermede is echter niet gezegd, dat de beginselen van alle wetenschappen in de Confessie liggen. Die Confessie toch draagt een uitsluitend theologisch karakter. Zij bevat de gevolgtrekkingen uit de Schriftbeginselen voor het verstandelijk denken dat onze religie moet beheerschen, maar de gevolgtrekkingen uit de Schriftbeginselen voor het verstandelijk denken dat onze wetenschap moet beheerschen, die gevolgtrekkingen moeten naast en in overeenstemming met die eerste, zoowel voor ieder deel van de wetenschap, als voor alle deelen te zaam, worden gemaakt. Het verschil eindelijk tusschen ons en de Roomschen, op het stuk van overeenstemming tusschen religie en wetenschap, en het middel om hiertoe te geraken, kan ik alleen hierin zien-, dat Rome de vrijheid van de wetenschap tegenover de Kerk niet erkent en wij wel. Een vrije school, een vrije universiteit is voor den Roomsche, wiens ideaal de kei'kelijke school en de kerkelijke universiteit is — iets wat hem min of meer mishagen moet.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van dinsdag 1 januari 1901
Jaarboeken | 219 Pagina's